Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7887

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
C/10/577915 / JE RK 19-2192
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ambtshalve gezagsbeëindiging. De rechtbank constateert dat de Raad en de GI verschillende visies hebben over het opvoedperspectief van de minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0255
FJR 2020/27.34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/577915 / JE RK 19-2192

datum uitspraak: 24 september 2019

beschikking oordeel rechtbank over noodzaak beëindiging ouderlijk gezag

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind 1] ,

geboren op [geboortedatum kind 1] 2015 te [geboorteplaats kind 1] ,

hierna te noemen [naam kind 1] ,

[naam kind 2] ,

geboren op [geboortedatum kind 2] 2016 te [geboorteplaats kind 2] ,

hierna te noemen [naam kind 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam pleegvader] en [naam pleegmoeder] ,

hierna te noemen de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit het verzoek met bijlagen van de Raad van 9 juli 2019, ingekomen bij de griffie op 11 juli 2019.

Op 27 augustus 2019 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. A.L. Witteveen, advocaat te Rotterdam,

- dhr. [naam vertegenwoordiger] , zittingsvertegenwoordiger van de Raad,

- mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] , vertegenwoordigsters van de GI,

- de pleegouders.

De rechtbank heeft bijzondere toegang verleend aan mw. [naam] , pleegzorgwerker bij Timon Pleegzorg.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind 1] en [naam kind 2] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind 1] en [naam kind 2] staan respectievelijk sinds 25 september 2015 en 14 oktober 2016 onder toezicht. Sinds 3 november 2017 zijn [naam kind 1] en [naam kind 2] uit huis geplaatst en verblijven zij in het huidige, perspectiefbiedende pleeggezin. Deze maatregelen duren nog steeds voort.

De GI heeft de Raad verzocht het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [naam kind 1] en [naam kind 2] noodzakelijk is.

Het verzoek

De Raad heeft de rechtbank op grond van artikel 1:267, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verzocht te beoordelen of beëindiging van het gezag van de moeder over [naam kind 1] en [naam kind 2] noodzakelijk is.

De Raad heeft zijn standpunt ter zitting als volgt toegelicht. Er is sprake van een complexe situatie en een lange voorgeschiedenis aan hulpverlening. Tussen de GI en de moeder is geen sprake van een goede samenwerkingsrelatie. De Raad kijkt met meer afstand naar de zaak en is van mening dat niet alle mogelijkheden zijn benut om te bezien of terugplaatsing nog mogelijk is. Het is de Raad opgevallen dat de moeder beter in staat is tot zelfreflectie, zich open stelt, vragen stelt, afspraken nakomt en persoonlijke toekomstplannen maakt. De moeder is leerbaar gebleken. Het gedrag dat de kinderen hebben laten zien ten tijde van het terugplaatsingstraject hoeft niet te wijten te zijn aan trauma of aan de moeder. Het kan ook passen bij hun leeftijdsfase.

Er moet kritisch en zorgvuldig gekeken worden naar de mogelijkheden van de moeder om zich de juiste vaardigheden eigen te maken, die nodig zijn voor de zorg en opvoeding van [naam kind 1] en [naam kind 2] . De Raad vindt het daarom beter als er een wijziging van de gecertificeerde instelling komt, namelijk de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna WSS). Deze instelling kan, gelet op de LVB-problematiek van de moeder, beter bij haar aansluiten. Het is dan aan de WSS om te bepalen welke hulpverlening er nog verder ingezet moet worden om tot thuisplaatsing te kunnen besluiten.

Binnen zes maanden na vandaag moet duidelijk zijn of [naam kind 1] en [naam kind 2] terug kunnen naar de moeder of dat zij in het pleeggezin moeten blijven. De tijd die gemoeid zal zijn met een nieuw onderzoek naar de haalbaarheid van een thuisplaatsingstraject, mag in deze zaak geen belemmerende factor zijn. [naam kind 1] en [naam kind 2] hebben immers het recht om bij hun moeder op te groeien. Ondanks het feit dat [naam kind 2] al langer in het pleeggezin woont dan dat hij bij zijn moeder heeft verbleven, acht de Raad de aanvaardbare termijn nog niet verstreken. De Raad is zich ervan bewust dat er richtlijnen zijn voor het bepalen van de aanvaarbare termijn, maar uiteindelijk is deze per kind verschillend.

De standpunten

De moeder

De moeder heeft zich ter zitting aangesloten bij de conclusies van de Raad. Er hebben zich positieve ontwikkelingen voorgedaan in haar leven, waardoor ten aanzien van de jongste (thuiswonende) zoon van de moeder de ondertoezichtstelling is beëindigd.

De aanvaardbare termijn is nog niet verstreken. De opvoedvaardigheden van de moeder zijn verbeterd en er moet nog vastgesteld worden, wellicht via systeemtherapie en/of videotraining, of de moeder ook kan aansluiten bij de opvoedingsbehoeftes van [naam kind 1] en [naam kind 2] . De moeder is zich er terdege van bewust dat een thuisplaatsing gefaseerd dient te verlopen en dat de situatie, ook ten aanzien van de effecten op haar jongste kind, gemonitord dient te worden. Met de hulp van ASVZ heeft de moeder er vertrouwen in dat een thuisplaatsing gaat lukken. Dat [naam kind 1] en [naam kind 2] heftig hebben gereageerd op de omgang is gebruikelijk en normaal in die situatie. De moeder betwijfelt of het belang van [naam kind 1] en [naam kind 2] het meest gediend is bij het opgroeien in het pleeggezin. De moeder heeft niet eens de contactgegevens van de pleegouders en krijgt van hen ook niet alle informatie. De moeder betreurt dat er ten aanzien van haar sprake is van zo’n negatieve dossiervorming.

De GI

De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat zeker sprake is van een groei in de vaardigheden van de moeder sinds zij begeleid wordt door ASVZ. Het raadsonderzoek heeft naar de mening van de GI echter onvoldoende de focus op de belangen van [naam kind 1] en [naam kind 2] gelegd. Voorts heeft de Raad onvoldoende stilgestaan bij wat de gevolgen zullen zijn indien de moeder voor drie kinderen de zorg moet dragen. Dat zij leerbaar is gebleken ten aanzien van haar jongste zoon, zegt nog niets over haar vaardigheden ten aanzien van alle drie de kinderen. De termijn van zes maanden die door de Raad wordt geschetst waarbinnen duidelijk moet zijn of terugplaatsing mogelijk is, is niet realistisch. Eerst zullen de moeder en [naam kind 1] en [naam kind 2] immers nogmaals geobserveerd moeten worden om te kunnen bepalen welke hulpverlening er nog ingezet moet worden. Vervolgens zal er sprake zijn van een wachtlijst voor de benodigde behandeling of hulpverlening alvorens daarmee kan worden gestart. Hier is gezien de huidige praktijk vermoedelijk jaren mee gemoeid. [naam kind 1] en [naam kind 2] kunnen niet zo lang in onzekerheid blijven over hun perspectief.

Timon Pleegzorg

Namens Timon Pleegzorg is ter zitting te kennen gegeven dat aangesloten wordt bij het standpunt van de GI. Ook Timon Pleegzorg meent dat de aanvaarbare termijn inmiddels is verstreken. In het algemeen reageren kinderen inderdaad op een terug naar huis traject. Ten aanzien van [naam kind 1] en [naam kind 2] was er ten opzichte van de meeste kinderen echter een wezenlijk verschil. Zij herstelden zich namelijk niet van de bezoekmomenten met de moeder. Het ontbrak hen aan veerkracht. Zij waren extreem angstig en klampten zich vast aan de pleegmoeder. De positieve ontwikkeling die zij eerder in het pleeggezin lieten zien, werd in de tijd dat de bezoeken met de moeder werden geïntensiveerd tenietgedaan. Nogmaals een intensief terug naar huis traject starten zou dus ten koste gaan van hun ontwikkeling. Dat gegeven is niet zozeer aan de moeder te wijten, maar ligt aan de hele situatie. De moeder is weliswaar leerbaar, maar haar vaardigheden gaan in heel kleine stapjes vooruit. Tijdens het vorige traject is gebleken dat de moeder twee maanden een intensieve vorm van hulpverlening nodig had om het ochtendritueel met [naam kind 1] en [naam kind 2] vorm te kunnen geven. Die investering zou dus ook ten aanzien van de totstandkoming van een middag- en avondritueel moeten worden gedaan. Dit is voor [naam kind 1] en [naam kind 2] te belastend.

De beoordeling

De rechtbank constateert dat de Raad en de GI verschillende visies hebben over het opvoedperspectief van [naam kind 1] en [naam kind 2] .

Volgens artikel 1:267 lid 2 BW heeft de gecertificeerde instelling de mogelijkheid om, in het geval er een verschil van mening bestaat tussen de Raad en de gecertificeerde instelling over de vraag of een gezagsbeëindigde maatregel aangewezen is, de Raad te verzoeken aan de rechtbank een oordeel te vragen ten aanzien van de noodzaak van deze maatregel. De rechtbank kan vervolgens ambtshalve de gezagsbeëindiging uitspreken.

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Gelet op de inhoud van de stukken en wat ter zitting door de aanwezigen naar voren is gebracht, is de rechtbank met de GI van oordeel dat aan de voorwaarden voor een beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan. De rechtbank acht de moeder onvoldoende in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [naam kind 1] en [naam kind 2] te dragen binnen een voor hen aanvaardbare termijn.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Er zijn door de jaren heen in het gezin met regelmaat grote zorgen geweest over het gebrek aan basale verzorging van de kinderen, de financiële problematiek, het gebrek aan goede huisvestiging en de (emotionele) veiligheid die de moeder aan de kinderen bood. De moeder heeft een voorgeschiedenis van langdurige hulpverlening ten aanzien waarvan zij zich vaak ambivalent heeft opgesteld.

Haar oudste drie kinderen - de moeder heeft zes kinderen in totaal - stonden sinds 28 oktober 2014 onder toezicht. Het gezag van de moeder over haar drie oudste kinderen is op 13 maart 2018 door de rechtbank beëindigd. Op 12 september 2018 is deze beslissing door het hof bekrachtigd. De jongste zoon van de moeder stond sinds 6 oktober 2017 onder toezicht. Vanwege de groei in opvoedvaardigheden die de moeder liet zien, de positieve samenwerking tussen de moeder en ASVZ en het verschaffen van inzicht in haar thuissituatie, haar financiën (via bewindvoering) en haar persoonlijke ontwikkeling, is de ondertoezichtstelling van haar jongste zoon na 14 april 2019 niet meer verlengd.

Voorafgaand aan de uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] op 3 november 2017, was er sprake van een toename in zorgen omtrent hun opvoedsituatie en ontwikkeling. De moeder heeft toen van de rechtbank nog drie maanden de kans gekregen om alsnog de hulpverlening te accepteren. Toen bleek dat de moeder zich niet aan alle afspraken hield, zijn [naam kind 1] en [naam kind 2] in het huidige pleeggezin geplaatst. In het pleeggezin is na binnenkomst geconstateerd dat beide kinderen emotioneel vlak waren en nauwelijks praatten. Na verloop van tijd stabiliseerde de situatie en begonnen [naam kind 1] en [naam kind 2] zich positief te ontwikkelen in het pleeggezin.

In mei 2018 is het terug naar huis traject voor [naam kind 1] en [naam kind 2] gestart met praktische begeleiding en opvoedondersteuning door ASVZ. Tijdens het terugplaatsingstraject nam het probleemgedrag van [naam kind 1] en [naam kind 2] toe. Zo was [naam kind 1] na bezoeken bij de moeder thuis agressief richting de pleegmoeder en ging hij haar schoppen en slaan. [naam kind 2] had na bezoeken met de moeder vaak heftige dromen. Er werd tijdens het traject ook een terugval in zindelijkheid gezien. Er was voor [naam kind 1] en [naam kind 2] vaak een dag of tien nodig om weer te herstellen van de bezoeken. Uiteindelijk is het traject vanwege gedragsproblemen, stagnatie en achteruitgang in de ontwikkeling van [naam kind 1] en [naam kind 2] stopgezet.

Gelet op de zorgen en het afbreukrisico acht de rechtbank een nader onderzoek naar de mogelijkheden voor thuisplaatsing, zoals door de Raad is voorgesteld, niet in het belang van [naam kind 1] en [naam kind 2] . Zij hebben op dit moment behoefte aan duidelijkheid en een nader onderzoek zal alleen maar vertragend werken.

Zowel voor [naam kind 1] en [naam kind 2] als voor de moeder en haar jongste thuiswonende zoon zou een terugplaatsingstraject naar inschatting van de rechtbank te belastend en te risicovol zijn. Tijdens het vorige terugplaatsingstraject vertoonden [naam kind 1] en [naam kind 2] immers dusdanig buitenproportionele gedragsproblemen, dat het traject moest worden stopgezet.

Met intensieve hulp van ASVZ lukt het de moeder vooralsnog om zonder kinderbeschermingsmaatregelen de zorg en opvoeding van haar jongste kind te dragen.

De rechtbank merkt daarbij op dat de zorgen ten aanzien van haar jongste kind pas zijn afgenomen, nadat [naam kind 1] en [naam kind 2] uit huis waren geplaatst en - zo concludeert de rechtbank - de moeder haar focus kon leggen op één kind. Uit het dossier is immers gebleken dat alle instanties die in de lange hulpverleningsgeschiedenis betrokken zijn geweest, hebben geconstateerd dat de moeder het lastig vindt meerdere taken tegelijkertijd uit te voeren, prioriteiten te stellen, te plannen en de aandacht tussen de kinderen te verdelen.

Indien [naam kind 1] en [naam kind 2] weer thuis worden geplaatst, zou dit voor de moeder de zorg voor drie jonge kwetsbare kinderen betekenen, die volop in ontwikkeling zijn en waarbij ten aanzien van [naam kind 1] mogelijk ook nog sprake is van kind-eigenproblematiek, die de nodige extra aandacht zal vergen. Dit zal de draagkracht van de moeder en het tempo waarin zij haar opvoedvaardigheden kan ontwikkelen naar het oordeel van de rechtbank te boven gaan.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [naam kind 1] en [naam kind 2] al bijna twee jaar niet meer bij de moeder wonen - [naam kind 2] woont nu langer in het pleeggezin dan dat hij bij de moeder heeft verbleven - en dat de kinderen op dit moment een veilige en vertrouwde basis hebben bij hun pleegouders, die bij een terugplaatsingstraject (opnieuw) wordt weggenomen.

De rechtbank acht de voor [naam kind 1] en [naam kind 2] aanvaardbare termijn, waarbinnen de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen, inmiddels verstreken. De (jaarlijks te verlengen) ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn niet langer passende maatregelen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal ambtshalve de beëindiging van het gezag van de moeder uitspreken.

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [naam kind 1] en [naam kind 2] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hen te benoemen. Daarbij geldt op grond van artikel 1:275, derde lid BW, dat bij voorkeur tot voogd benoemd dient te worden degene(n), die de minderjarigen ten minste een jaar als behorende tot haar gezin heeft verzorgd en opgevoed. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De pleegouders hebben zich vooralsnog niet bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De huidige GI kent het gezin goed. Ook de drie oudste kinderen van de moeder staan onder voogdij van deze GI.

De rechtbank leidt uit het verzoek van de GI van 5 juli 2019 en wat de GI ter zitting naar voren heeft gebracht af dat zij bereid is de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij. De rechtbank merkt daarbij op dat, gelet op de gespannen verhouding tussen de huidige jeugdbeschermer en de moeder, het wenselijk is dat er bij de GI een ander contactpersoon zal worden aangewezen. De GI heeft dit ter zitting ook zelf voorgesteld.

Op grond van artikel 1:276, eerste lid, BW wordt de moeder als ouder waarvan het gezag wordt beëindigd, ervan uitgaande dat zij het bewind voerde over het vermogen van [naam kind 1] en [naam kind 2] , veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan haar opvolger in het bewind.

De rechtbank begrijpt dat de gezagsbeëindiging voor de moeder van grote emotionele betekenis is, maar benadrukt dat de moeder altijd de moeder van [naam kind 1] en [naam kind 2] zal blijven. De ouder-kind-band wordt niet verbroken en de moeder zal altijd een belangrijk persoon blijven in het leven van [naam kind 1] en [naam kind 2] . De rechtbank gaat er daarbij ook vanuit dat de GI zich tevens zal inspannen om structureel contact mogelijk te maken tussen [naam kind 1] en [naam kind 2] en hun twee oudste broers en zus.

De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder], geboren [geboorteplaats moeder] te Curaçao, over [naam kind 1] en [naam kind 2] ;

benoemt tot voogdes over genoemde minderjarigen, de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering gevestigd te Rotterdam;

veroordeelt de moeder aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [naam kind 1] en [naam kind 2] te doen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, voorzitter, tevens kinderrechter en

mrs. S.C.C. Hes-Bakkeren en H. Benaissa, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2019.

De voorzitter is buiten staat deze beschikking te ondertekenen, voor deze de oudste rechter

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.