Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7828

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
AWB-19_4869
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gebiedsverbod op grond van artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet.

Verweerder heeft het belang van de openbare orde zwaarder mogen laten wegen dan verzoekers individuele belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/4869

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

3 oktober 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. M.A. Oosterveen,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigden: mr. C.W. de Jong en mr. S.B.H. Fijneman.

Voor verzoeker is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 3 oktober 2019 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de overwegingen luiden als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op grond van artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet aan verzoeker bij besluit van 11 september 2019 een gebiedsverbod opgelegd. Dit verbod houdt in dat verzoeker zich vanaf 11 september 2019 gedurende drie maanden niet mag begeven in het gemarkeerde gebied, kort gezegd het gebied [naam gebied] , in verband met verstoring van de openbare orde.

2. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het gebiedsverbod aangewezen wordt geacht omdat verzoeker betrokken is geweest bij de moord op [naam slachtoffer] (hij zat met de van moord verdachte in de auto) welke moord tot een ernstige verstoring van de openbare orde heeft geleid. Verweerder geeft aan dat de politie de positie van verzoeker in de gemeenschap rondom [naam slachtoffer] als onveilig beoordeelt, dat verzoeker de gevaren die de politie ziet niet deelt maar dat het belang van verzoeker om te kunnen verblijven in [naam gebied] minder zwaar weegt dan het belang van het beschermen van de openbare orde.

3. In zijn verzoek om voorlopige voorziening geeft verzoeker aan

- dat hij geen woning, geen verblijfplaats, geen inkomen en geen ander netwerk heeft dan zijn vrienden en kennissen in de wijk [naam wijk] en verwijst hij verder naar de in bezwaar aangevoerde gronden.

Die gronden komen kort gezegd neer op het volgende:

- De burgemeester maakt gebruik van artikel 172a van de Gemeentewet, maar verzoeker betwist dat hij de openbare orde ernstig heeft verstoord en betwist daarmee verweerders bevoegdheid.

- Daarnaast zijn verzoekers belangen door verweerder onvoldoende meegewogen. Volgens verzoeker is er geen sprake van dat gevreesd moet worden voor verdere verstoringen van de openbare orde bij zijn terugkeer in de wijk. Ten onrechte knoopt verweerder aan bij mogelijke wraakacties naar aanleiding van de moord op [naam slachtoffer] . Immers, toen hij kort na de moord gedurende twee weken vrij was, verbleef hij ook in [naam gebied] en is er niets gebeurd. Verzoeker vreest bij terugkeer niet voor zijn veiligheid en als daarvan al sprake was dan is het toch juist de taak van de overheid om zijn veiligheid te waarborgen. Verzoeker vindt, met verwijzing naar artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), dat het besluit onnodige inbreuk maakt op zijn persoonlijk leven.

4. Op grond van artikel 172a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet kan de burgemeester aan een persoon die herhaaldelijk individueel de openbare orde ernstig heeft verstoord, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven zich niet te bevinden in bepaalde delen van de gemeente.

5. Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van verstoring van de openbare orde en daaruit voortvloeiend of verweerder het gebiedsverbod mocht opleggen.

5.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (afdeling) is voor het opleggen van een gebiedsverbod voldoende dat aannemelijk wordt gemaakt dat de gedragingen op grond waarvan het gebiedsverbod wordt opgelegd, hebben plaatsgevonden. Een al dan niet onherroepelijke veroordeling door de strafrechter is niet nodig.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker betrokken is geweest bij de moord op [naam slachtoffer] . Daarmee is sprake van een ernstige verstoring van de openbare orde. Daarnaast heeft verweerder zich onweersproken op het standpunt gesteld dat verzoeker antecedenten heeft met betrekking tot de openbare orde (stalking in de voorgaande 13 maanden, veroordeling in 2014 als medeplichtige aan zware mishandeling, antecedenten met een link naar verdovende middelen waarvan juni 2017 bezit en handel harddrugs waarin nog geen uitspraak is gedaan) en heeft verweerder gemotiveerd aangegeven dat verzoekers terugkeer in de wijk met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot een openbare orde verstoring leidt. Dat verzoeker daarover zelf wisselend heeft verklaard kan niet tot een ander oordeel leiden.

Gelet op de hoeveelheid incidenten, de aard van de incidenten en de omstandigheid dat deze incidenten zich in de openbare ruimte hebben afgespeeld, heeft verweerder de vrees voor verstoring van de openbare orde aannemelijk gemaakt.

5.2.

Daarmee is verweerder bevoegd een gebiedsverbod op te leggen.

6. Verzoeker voert aan dat indien verweerder bevoegd is een gebiedsverbod op te leggen, verzoekers belangen door verweerder onvoldoende zijn meegewogen.

6.1.

Dat verweerder bij het opleggen van het gebiedsverbod verzoekers belangen onvoldoende heeft meegewogen volgt de voorzieningenrechter niet. Verzoeker stelt kort gezegd dat hij afhankelijk is van zijn netwerk in [naam gebied] . Dit betoog slaagt niet. Verweerder heeft het belang van de openbare orde zwaarder mogen laten wegen dan verzoekers individuele belang. Immers, verzoeker staat sinds 14 december 2018 ingeschreven op een postadres, heeft geen woning in het gebied, staat nergens ingeschreven als feitelijk verblijvende en kon volgens het bezwaarschrift uitwijken naar Groningen toen hij geen zin had weer gedetineerd te worden. Dat verzoeker zelf op 13 september 2019 zegt naar Groningen te kunnen gaan, terwijl vandaag zonder onderbouwing wordt gesteld dat die familie nu in het gemarkeerde gebied in Rotterdam woont, acht de voorzieningenrechter opmerkelijk.

Artikel 8 EVRM houdt in eerbiediging van familie- en gezinsleven. Omdat verzoeker geen verblijfadres heeft, kan de voorzieningenrechter aan dat artikel niet de waarde hechten die verzoeker daaraan wil doen toekomen. Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven geen rekening te kunnen houden met een verblijfplaats van verzoeker wegens het ontbreken daarvan en naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen wijzen op de algemene onveiligheidsgevoelens in de wijk. Verweerder heeft het onwenselijk kunnen achten dat verzoeker bij de locatie van de moord op [naam slachtoffer] kan komen.

6.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onder afweging van alle belangen in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

7. Gelet op het voorgaande mocht verweerder het gebiedsverbod opleggen. De conclusie is dan dat het besluit van verweerder in bezwaar waarschijnlijk stand zal houden, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is op 3 oktober 2019 in het openbaar gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van den Berg, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.