Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7818

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2873
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER met een beroep op het arrest Chavez Vilchez. Eiseres wil verblijf bij haar Nederlandse dochter en zoon; de vader van de kinderen en de echtgenoot van eiseres, is in 2017 overleden en verbleef toen in het Verenigd Koninkrijk (VK).

Bij de aanvraag heeft eiseres een brief overgelegd van de SVB n.a.v. het overlijden van haar echtgenoot, gericht aan eiseres met een adres in het VK, en eiseres heeft melding gemaakt van een door haar gevoerde procedure ter verkrijging van een verblijfsrecht in het VK, die naar zij stelt niet tot het gewenste resultaat had geleid. Verweerder heeft aan deze twee gegevens het vermoeden ontleend dat eiseres feitelijk rechtmatig verblijf heeft gehad in het VK, althans beschikt over een verblijfstitel voor dat land. Ter weerlegging van deze vermoedens heeft eiseres een aannemelijke verklaring gegeven voor de adressering van de brief van de SVB en daarnaast heeft zij een kopie overgelegd van haar paspoort, afgegeven in 2013, waarin geen stempels van inreis in het VK of andere aanknopingspunten voor een feitelijk verblijf of een verblijfsrecht in dat land te vinden zijn. Ook heeft zij twee verklaringen van de lokale autoriteiten (chairman) in Pakistan overgelegd waarin staat dat eiseres nooit in het VK is geweest en dat een visumaanvraag voor eiseres en de kinderen in het VK is afgewezen. Daarnaast heeft zij een verklaring overgelegd van een advocaat in het VK, tevens een vriend van haar overleden echtgenoot, die stelt dat eiseres en de kinderen nooit in het VK hebben gewoond. Voorts heeft eiseres in beroep een kopie overgelegd van de afwijzing van een aanvraag van haar voor verblijf met haar kinderen bij haar echtgenoot in het VK. Gelet op deze informatie heeft verweerder niet zonder nader onderzoek of nadere motivering het standpunt kunnen handhaven dat het op de weg van eiseres ligt (nader) aannemelijk te maken dat zij en de kinderen geen verblijfsrecht hebben in het VK. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan één door de SVB aan eiseres, in verband met het overlijden van haar echtgenoot, verzonden brief met als adressering het woonadres van de overleden echtgenoot slechts een beperkt vermoeden kan worden ontleend dat eiseres destijds op dat adres woonachtig was. Volgens verweerder is ook niet gebleken dat eiseres daadwerkelijk zorgtaken ten behoeve van de kinderen (heeft) verricht. Nu uit de verklaring van de lokale autoriteiten volgt dat eiseres de enige verzorger van de kinderen was in Pakistan, kan de rechtbank verweerder, zonder nadere motivering, niet volgen in het standpunt dat niet is gebleken of eiseres voor haar komst naar Nederland voor de kinderen heeft gezorgd. Voorts is ter zitting uit de verklaringen van de maatschappelijk werkster van het CVD gebleken dat na een situatie van huiselijk geweld bij verblijf bij de schoonfamilie in Nederland de kinderen en eiseres samen in een opvang zijn geplaatst en daar sindsdien verblijven. Gelet daarop kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank evenmin in redelijkheid zonder nader onderzoek of nadere motivering vasthouden aan de stelling dat niet is gebleken dat eiseres, als enig ouder van de kinderen die met haar in de opvang verblijven, thans in Nederland niet de daadwerkelijke zorg voor de kinderen heeft. Weliswaar stelt verweerder terecht dat niet is gebleken of en op welke wijze eiseres contact had met de kinderen toen zij nog in Pakistan verbleef en de kinderen in Nederland, maar dit betrof een tussenliggende en beperkte periode van vijf maanden en kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat niet is gebleken dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat de kinderen gedwongen zullen zijn eiseres te volgen naar Pakistan als haar geen verblijfsrecht wordt verleend.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zijn standpunt dat eiseres geen verblijfsrecht heeft onvoldoende gemotiveerd en in dat kader onvoldoende onderzoek verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2873

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. J. Singh,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba.

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om de afgifte van een document waaruit blijkt dat zij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), afgewezen.

Bij besluit van 12 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Tevens zijn verschenen [naam] , familielid van eiseres, en [naam] , maatschappelijk werkster bij Centrum Voor Dienstverlening (CVD).

Op 16 augustus 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en is verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verhandelde ter zitting. Daarbij heeft ook eiseres de gelegenheid gekregen om nog nadere bewijsstukken te overleggen.

Bij brieven van 28 augustus 2019, 24 september 2019 en 25 september 2019 heeft verweerder een standpunt ingenomen naar aanleiding van het verhandelde ter zitting en gereageerd op hetgeen door eiseres nadien schriftelijk naar voren is gebracht. Bij brieven van 28 augustus 2019, 30 augustus 2019, 13 september 2019 en 24 september 2019 heeft eiseres gereageerd op de brieven van verweerder en nadere stukken overgelegd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Eiseres heeft de aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend met een beroep op het arrest Chavez Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354). Eiseres wil verblijf bij haar dochter [naam] , geboren op […] 2008, en bij haar [naam] , geboren op […] 2009. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. [naam] , de vader van de kinderen en de echtgenoot van eiseres, is op […] 2017 overleden en verbleef toen in het Verenigd Koninkrijk.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kinderen gedwongen zullen zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiseres verblijfsrecht in Nederland wordt geweigerd. Daartoe heeft verweerder in het bestreden besluit en daarin ingelaste primaire besluit overwogen dat niet is aangetoond dat eiseres de daadwerkelijke zorg voor de kinderen heeft (gehad), dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en de kinderen en dat zij en de kinderen geen verblijfsrecht hebben in het Verenigd Koninkrijk. In beroep heeft verweerder naar aanleiding van het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken gesteld dat niet langer wordt gehandhaafd dat niet is aangetoond dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie maar dat dit niet leidt tot een andere conclusie. Volgens verweerder heeft eiseres ook in beroep niet aangetoond dat zij geen verblijfsrecht heeft in het Verenigd Koninkrijk; zo blijkt uit de overgelegde kopie van de afwijzende beslissing op een verblijfsaanvraag van eiseres in het Verenigd Koninkrijk niet dat eiseres geen rechtsmiddel daartegen heeft ingediend. Daarnaast heeft eiseres volgens verweerder ook in beroep, met de verklaring van een chairman in Pakistan van 29 augustus 2019 en andere overgelegde stukken, nog immer niet aangetoond dat zij voor haar komst naar Nederland voor de kinderen heeft gezorgd en of er contact is geweest in de periode waarin zij en de kinderen niet samen verbleven.

3. Eiseres voert aan dat zij een declaratoir verblijfsrecht heeft nu vaststaat dat zij de verzorgende ouder is van Nederlandse kinderen. Verweerder dient aan te tonen waarom hij het verblijfsrecht wil inperken of ontkennen. Verweerder draait ten onrechte de bewijslast om en verlangt dat eiseres aantoont dat zij geen verblijfsrecht heeft in het Verenigd Koninkrijk. Verweerder heeft alleen gewezen op een brief van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) die is gericht aan eiseres op een adres in het Verenigd Koninkrijk, terwijl het gebruikelijk is dat de SVB zo’n brief naar het adres van de overleden persoon zendt. Eiseres heeft een kopie van haar paspoort overgelegd waaruit blijkt dat zij niet eerder heeft gereisd, zij heeft aangetoond dat haar kinderen in Pakistan op school hebben gezeten, zij heeft twee verklaringen van een chairman in Pakistan overgelegd waaruit blijkt dat eiseres tot haar vertrek naar Nederland in Pakistan heeft verbleven, zij heeft een verklaring van een advocaat in het Verenigd Koninkrijk overgelegd waaruit blijkt dat eiseres de verblijfsprocedure aldaar heeft verloren en zij heeft een kopie van de afwijzing van haar verblijfsaanvraag in het Verenigd Koninkrijk overgelegd. Voorts hebben de kinderen vanaf hun geboorte bij eiseres in Pakistan verbleven en was eiseres hun enige verzorger, zoals ook blijkt uit de overgelegde verklaringen van de chairman in Pakistan. Na het overlijden van haar echtgenoot, toen eiseres in schoktoestand leefde, hebben de kinderen minder dan zes maanden bij familie in Nederland verbleven; daarmee kan de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar kinderen niet blijvend verbroken worden geacht. Gezien de belangen en de in bezwaar overgelegde bewijsstukken heeft verweerder in redelijkheid niet kunnen afzien van een hoorzitting, aldus eiseres.

3.1.

In het arrest Chavez-Vilchez heeft het HvJEU onder meer het volgende overwogen.

“1) Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat, voor de beoordeling of een kind, burger van de Europese Unie, genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten en hem dus het effectieve genot van de essentie van de rechten die dat artikel hem verleent zal worden ontzegd indien aan zijn ouder, onderdaan van een derde land, een verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, de omstandigheid dat de andere ouder, burger van de Unie, daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, een gegeven vormt dat relevant is, maar dat niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder die onderdaan van een derde land is en het kind niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind in geval van een dergelijke weigering het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.

2) Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat aan het verblijfsrecht op zijn grondgebied van een onderdaan van een derde land, ouder van een minderjarig kind dat de nationaliteit van die lidstaat heeft, voor wie hij dagelijks daadwerkelijk zorgt, de verplichting verbindt dat die onderdaan de gegevens verschaft die aantonen dat het kind bij een weigering om een verblijfsrecht toe te kennen aan de ouder die onderdaan van een derde land is, het effectieve genot van de essentie van de aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd doordat het genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Het is echter aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om aan de hand van de door de onderdaan van een derde land verschafte gegevens het nodige onderzoek te doen teneinde, gelet op alle omstandigheden van het geval, te kunnen beoordelen of een weigering dergelijke gevolgen zou hebben.”

3.2.

Bij de aanvraag heeft eiseres een brief overgelegd van de SVB naar aanleiding van het overlijden van haar echtgenoot. Deze brief is gericht aan eiseres met een adres in het Verenigd Koninkrijk. Verder heeft eiseres melding gemaakt van een door haar gevoerde procedure ter verkrijging van een verblijfsrecht in het Verenigd Koninkrijk, die naar zij stelt niet tot het gewenste resultaat had geleid. Verweerder heeft aan deze twee gegevens het vermoeden ontleend dat eiseres feitelijk rechtmatig verblijf heeft gehad in het Verenigd Koninkrijk, althans beschikt over een verblijfstitel voor dat land.

Ter weerlegging van deze vermoedens heeft eiseres een aannemelijke verklaring gegeven voor de adressering van de brief van de SVB, namelijk dat de SVB aan haar gemachtigde heeft toegelicht dat het gebruikelijk is dat een dergelijke brief op het adres van de overleden persoon verzonden wordt zonder verificatie of een erfgenaam op dat adres verblijft. Daarnaast heeft eiseres een kopie overgelegd van haar paspoort, afgegeven in 2013, waarin geen stempels van inreis in het Verenigd Koninkrijk of andere aanknopingspunten voor een feitelijk verblijf of een verblijfsrecht in dat land te vinden zijn. Ook heeft zij twee verklaringen van de lokale autoriteiten (chairman) in Pakistan overgelegd waarin staat dat eiseres nooit in het Verenigd Koninkrijk is geweest en dat een visumaanvraag voor eiseres en de kinderen in het Verenigd Koninkrijk is afgewezen. Daarnaast heeft zij een verklaring overgelegd van een advocaat in het Verenigd Koninkrijk, tevens een vriend van haar overleden echtgenoot, die stelt dat eiseres en de kinderen nooit in het Verenigd Koninkrijk hebben gewoond. Voorts heeft eiseres in beroep een kopie overgelegd van de afwijzing van een aanvraag van haar voor verblijf met haar kinderen bij haar echtgenoot in het Verenigd Koninkrijk.

Gelet op deze informatie heeft verweerder niet zonder nader onderzoek of nadere motivering het standpunt kunnen handhaven dat het op de weg van eiseres ligt (nader) aannemelijk te maken dat zij en de kinderen geen verblijfsrecht hebben in het Verenigd Koninkrijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan één door de SVB aan eiseres, in verband met het overlijden van haar echtgenoot, verzonden brief met als adressering het woonadres van de overleden echtgenoot slechts een beperkt vermoeden kan worden ontleend dat eiseres destijds op dat adres woonachtig was. Dit beperkte vermoeden heeft eiseres in beginsel voldoende ontkracht met de aannemelijke verklaring die zij hiervoor heeft gegeven en met de door eiseres overgelegde bewijsstukken van het feitelijk verblijf van haar en de kinderen in het land van herkomst. Verder heeft eiseres het eveneens zeer beperkte vermoeden dat eiseres mogelijk een verblijfstitel heeft in het Verenigd Koninkrijk vanwege een door haar gevoerde procedure in beginsel voldoende ontkracht door overlegging van het afwijzende besluit. Daaraan doet niet af dat de aard van deze procedure – voor een visum of voor een verblijfstitel – niet steeds correct is aangeduid. Waarbij de rechtbank nog opmerkt dat, voor zover er reden zou zijn tot enige verbazing dat eiseres geen hoger beroep heeft ingesteld tegen deze afwijzing, die verbazing in de omstandigheden van het geval onvoldoende grondslag oplevert voor het standpunt van verweerder dat het aan eiseres is aan te tonen dat zij geen actuele titel tot verblijf heeft in het Verenigd Koninkrijk.

3.3.

Dat sprake is van afhankelijkheid tussen eiseres en de kinderen is niet langer in geschil. Volgens verweerder is evenwel niet gebleken dat eiseres daadwerkelijk zorgtaken ten behoeve van de kinderen (heeft) verricht. Eiseres heeft een verklaring van de lokale autoriteiten (chairman) in Pakistan overgelegd van 29 augustus 2019 waarin staat: “[eiseres] was the sole caretaker of the children in Pakistan from their birth till departure to Holland on 16th November 2017. The kids were living with their mother ( [eiseres] ) while the father ( [naam] ) was living in UK and only visited his children a couple of times in Pakistan before his death on […] 2017.” Verweerder heeft de authenticiteit van deze overgelegde verklaring niet betwist. Wel stelt verweerder dat daarmee nog steeds niet is gebleken of eiseres voor haar komst naar Nederland voor de kinderen heeft gezorgd en ook niet of er contact is geweest in de periode waarin zij niet samen met haar kinderen heeft verbleven. Nu uit de verklaring van de lokale autoriteiten volgt dat eiseres de enige verzorger van de kinderen was in Pakistan, kan de rechtbank verweerder, zonder nadere motivering, niet volgen in dit standpunt. Voorts is ter zitting uit de verklaringen van de maatschappelijk werkster van het CVD gebleken dat na een situatie van huiselijk geweld bij verblijf bij de schoonfamilie in Nederland de kinderen en eiseres samen in een opvang zijn geplaatst en daar sindsdien verblijven. Gelet daarop kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank evenmin in redelijkheid zonder nader onderzoek of nadere motivering vasthouden aan de stelling dat niet is gebleken dat eiseres, als enig ouder van de kinderen die met haar in de opvang verblijven, thans in Nederland niet de daadwerkelijke zorg voor de kinderen heeft. Weliswaar stelt verweerder terecht dat niet is gebleken of en op welke wijze eiseres contact had met de kinderen toen zij nog in Pakistan verbleef en de kinderen in Nederland, maar dit betrof een tussenliggende en beperkte periode van vijf maanden en kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat niet is gebleken dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat de kinderen gedwongen zullen zijn eiseres te volgen naar Pakistan als haar geen verblijfsrecht wordt verleend.

3.4.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zijn standpunt dat eiseres geen verblijfsrecht heeft onvoldoende gemotiveerd en in dat kader onvoldoende onderzoek verricht. Daarbij merkt de rechtbank dat, indien verweerder in deze uitspraak aanleiding ziet nader onderzoek te verrichten en daarvoor de medewerking van eiseres nodig is, eiseres in de omstandigheden van het geval gehouden is die medewerking zo mogelijk te verlenen.

4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

6.. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.024,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1). Nu de heropening heeft plaatsgevonden naar aanleiding van informatie die eiseres eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, zonder dat is gesteld of gebleken dat die informatie niet eerder naar voren had kunnen worden gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding tot toekenning van vergoeding voor na de heropening gemaakte kosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 174,00,- aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op

9 oktober 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.