Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7810

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
7995743
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

voorwaardelijk ontbindingsverzoek; opzegging wn mocht onder opschortende voorwaarde; ontbinding op g-grond, niet als gevolg van ernstige verwijtbaarheid wg of wn. Cb wordt niet vernietigd, wn heeft onbillijke benadeling onvoldoende aannemelijk gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1139
XpertHR.nl 2019-20002774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7995743 \ VZ VERZ 19-17073

uitspraak: 7 oktober 2019 (bij vervroeging)

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster tevens verweerster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster, tevens verweerster,

gemachtigde: mr. P.G. Lanser,

tegen

[verweerder tevens verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens verzoeker,

gemachtigde: mr. N.C. Six-Scheffer.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster tevens verweerster] ” respectievelijk “ [verweerder tevens verzoekster] ”.

1 Het verloop van de procedure

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het voorwaardelijke verzoek ex artikel 7:671b BW juncto artikel 7:669 BW met producties;

  • -

    het verweerschrift ex artikel 7:671b BW juncto artikel 7:669 BW tevens houdende zelfstandige voorwaardelijke tegenverzoeken met producties;

  • -

    het verweerschrift zelfstandige voorwaardelijke tegenverzoeken met producties;

  • -

    de bij brief van 20 september 2019 in het geding gebrachte producties aan de zijde van [verweerder tevens verzoekster] ;

  • -

    de bij brief van 20 september 2019 in het geding gebrachte productie aan de zijde van [verweerder tevens verzoekster] ;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen

aan de zijde van [verzoekster tevens verweerster] ;

- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen aan de zijde van [verweerder tevens verzoekster] .

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2019. Namens [verzoekster tevens verweerster] is dhr. [naam 1] (CEO) ter zitting verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van [verzoekster tevens verweerster] . [verweerder tevens verzoekster] is in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking nader bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten, voor zover van belang:

2.1

[verzoekster tevens verweerster] is een onderneming die zich richt op duurzaam afval- en grondstoffenmanagement om daarmee de transitie naar een circulaire economie tot stand te brengen.

2.2

[verweerder tevens verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 november 2017 bij [verzoekster tevens verweerster] in dienst getreden in de functie van Divisie Manager Wastelab.

2.3

Wastelab is het innovatiecentrum van [verzoekster tevens verweerster] en was ten tijde van de indiensttreding van [verweerder tevens verzoekster] bij [verzoekster tevens verweerster] een nieuw op te starten onderdeel binnen [verzoekster tevens verweerster] . [verweerder tevens verzoekster] kreeg de opdracht om een businessplan voor Wastelab op te stellen, inclusief activiteiten, focus, verdienmodel en positionering. [verweerder tevens verzoekster] had als speerpunten: een fundament leggen, eerste valorisatieprojecten opstarten, adviesopdrachten oppakken, externe samenwerkingsverbanden aangaan en de strategie van Wastelab verder uitwerken.

2.4

Het laatstgenoten salaris van [verweerder tevens verzoekster] bij [verzoekster tevens verweerster] is € 7.140,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

2.5

In een addendum bij de arbeidsovereenkomst tussen partijen, dat door beide partijen vóór aanvang van de arbeidsovereenkomst is ondertekend, zijn een concurrentiebeding, een relatiebeding en een boetebeding opgenomen. Het concurrentiebeding luidt als volgt:

“1. Werknemer verbindt zich om zowel tijdens het dienst als gedurende een periode gelijk aan de totale duur van het dienstverband, met een maximum van één jaar, na het einde van het dienstverband, direct noch indirect, noch voor zichzelf noch voor anderen, in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige onderneming met activiteiten op een terrein, gelijk of gelijksoortig aan of anderszins concurrerend met dat van werkgever, noch daarbij zijn bemiddeling, in welke vorm ook, direct of indirect te verlenen.

2. Onder activiteiten gelijk, gelijksoortig of anderszins concurrerend met dat van werkgever wordt begrepen het aanbieden van diensten, producten en/of concepten op het gebied van integraal afval- en grondstoffenmanagement, waarbij de klant volledig ‘in control’ wordt gebracht over zijn afvalstromen en wordt gefaciliteerd in het terugdringen van de verspilling van grondstoffen.

3. De activiteiten zoals genoemd in lid 2 van dit artikel kenmerken zich door de volgende, niet limitatieve en niet cumulatieve, eigenschappen:

a) de werkwijze en middelen waarmee de dienst en/of het product worden aangeboden zijn

vergelijkbaar met de werkwijze en middelen van [verzoekster tevens verweerster] (o.a. e-rapportage, web services,

plan-do-check-act cyclus);

b) de te behalen resultaten worden gedefinieerd in vooraf overeengekomen prestatie-

indicatoren voor afval- en grondstoffenprestaties;

c) het sturen op prestaties gebeurd op basis van data, die zorgen voor inzicht en

transparantie;

d) de werkzaamheden omvatten niet uitsluitend advies maar ook uitvoering (implementatie)

en worden op basis van projectmanagement verricht.

4. Uitzonderingen op het non-concurrentiebeding zijn uitsluitend mogelijk als werknemer

daartoe voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever heeft gekregen, aan welke

toestemming werkgever voorwaarden kan verbinden.

5. Tot de bedrijven met activiteiten zoals benoemd in artikel 1, lid 1 behoren onder andere,

maar niet uitsluitend: Van Gansewinkel & Shanks Nederland (inmiddels samen als Renewi), SUEZ, Beelen en de dochter- dan wel zusterondernemingen van de genoemde bedrijven.”

2.6

[verweerder tevens verzoekster] heeft begin 2019 geconcludeerd dat hij buiten [verzoekster tevens verweerster] op zoek moest naar een nieuwe baan en om die reden sollicitaties verricht bij andere bedrijven. Dit resulteerde erin dat [verweerder tevens verzoekster] bij Renewi als Innovation manager aan de slag kon gaan.

2.7

Op 6 juni 2019 heeft [verweerder tevens verzoekster] het aanbod van Renewi en zijn voornemen om daarop in te gaan met [verzoekster tevens verweerster] (dhr. [naam 1] ) besproken. [verweerder tevens verzoekster] heeft tijdens dat gesprek verzocht of [verzoekster tevens verweerster] afstand zou willen doen van het concurrentiebeding. [naam 1] heeft tijdens dat gesprek medegedeeld aan [verweerder tevens verzoekster] dat hij hem binnen een week zou berichten.

2.8

Op 13 en 14 juni 2019 hebben [verweerder tevens verzoekster] en [naam 1] via WhatsApp berichten met de volgende inhoud aan elkaar verstuurd:

Op 13 juni 2019 van [verweerder tevens verzoekster] aan [naam 1]

“ [naam 1] , je hebt gisteren met [naam 2] gesproken over mijn beoogde vertrek. Ik vroeg me af wat hier uit is gekomen. Kunnen we hier zo even contact over hebben?

Op 13 juni 2019 van [naam 1] aan [verweerder tevens verzoekster]

“Laten we daar morgenochtend even contact over hebben. Ik spreek [naam 2] hier vanavond opnieuw over.”

Op 13 juni 2019 van [verweerder tevens verzoekster] aan [naam 1]

“Ok, dat is prima. Ik verwacht alleen morgen niet in Rotterdam te zijn, dus laten we dan even bellen.”

Op 14 juni 2019 van [naam 1] aan [verweerder tevens verzoekster]

“Wij zijn er nog niet uit [verweerder tevens verzoekster] . Het concurrentiebeding is er niet voor niets en dat gewoon laten vallen geeft intern én extern zeer ongewenste effecten. Dat jij er belang bij hebt op korte termijn een besluit te hebben, begrijpen we best. Jij zult er omgekeerd begrip voor hebben dat wij hier zorgvuldig mee om moeten gaan. Dus we moeten verder in gesprek. Wie zijn jouw contactpersonen bij Renewi?”

Op 14 juni 2019 van [verweerder tevens verzoekster] aan [naam 1]

“Kan ik je hier even over bellen [naam 1] ?”

2.9

Bij e-mail van 17 juni 2019 heeft [verweerder tevens verzoekster] het volgende aan [naam 1] geschreven:

“(…)

We spraken elkaar vrijdag over mijn beoogde vertrek naar Renewi en de zorgen die er bij jullie leven hierover. Je gaf aan dat deze zorgen zich met name richten op dat mijn vertrek een signaal afgeeft naar de concurrentie (afvalmarkt): dat senior mensen van [verzoekster tevens verweerster] kunnen worden aangetrokken. En daarnaast naar de medewerkers van [verzoekster tevens verweerster] : dat zij blijkbaar eenvoudig naar deze partijen in de afvalmarkt kunnen overstappen.

Ik wil je laten weten dat ik jullie zorgen begrijp en graag wil meedenken over mogelijke oplossingen hiervoor. Kun jij aangeven op welke manier ik jullie zorgen zou kunnen wegnemen?

Zelf kan ik me voorstellen dat we bv. afspraken maken over een strengere geheimhoudingsplicht. Of dat we gezamenlijk een passende verklaring formuleren over hoe mijn vertrek intern te communiceren.

Wat betreft het signaal naar de afvalmarkt wil ik nog meegeven dat ik in mijn werk nauwelijks met de (traditionele) afvalmarkt te maken heb en daar dus geen netwerk heb. Mijn werk focused zich meer op innovaties en startups en niet op de meer ‘gevestigde’ partijen. Ik verwacht dat een overstap naar Renewi hen niet zal opvallen.

Graag ga ik deze week verder in gesprek met je over bovenstaande. (…)”

2.10

Bij e-mail van 25 juni 2019 heeft [verweerder tevens verzoekster] het volgende aan [naam 1] bericht:

“(…)

Komende donderdag is het 3 weken geleden dat ik je aangaf te willen vertrekken bij [verzoekster tevens verweerster] en je vroeg of we konden afzien van (het in werking zetten van) mijn concurrentiebeding. Tot dusver heb ik van jullie geen voorstel ontvangen hoe hiermee verder te gaan. Ik heb jullie aangegeven dat ik graag meedenk over oplossingen voor de zorgen die je deelde (met name het signaal dat er van mijn vertrek zou uitgaan naar 1. de afvalmarkt en 2. [verzoekster tevens verweerster] collega’s intern), maar heb hierop nog geen reactie ontvangen.

Nogmaals, ik begrijp jullie zorgen en overleg graag met jullie over hoe deze zorgen weg te nemen.

(…)

Komende vrijdag verloopt mijn opzegtermijn van twee maanden voor mijn beoogde vertrekdatum (30 augustus). Graag zou ik voor vrijdag horen wat jullie voorstel is voor de te volgen stappen. Niet alleen ik heb behoefte aan duidelijkheid, ook Renewi wil graag weten waar het aan toe is; ze willen graag dat ik daar per 1 september begin. Daarnaast levert de huidige situatie onduidelijkheid op richting klanten en relaties van [verzoekster tevens verweerster] waar ik contact mee heb. Kunnen we morgen of donderdag met elkaar afspreken om te bespreken hoe we verder gaan?

Zoals ik ook in mijn gesprek met jou op donderdag 6 juni heb aangegeven denk ik dat een vertrek van mij bij [verzoekster tevens verweerster] het beste is voor beide partijen. Zoals jij ook beaamde zit ik niet lekker op mijn plek bij [verzoekster tevens verweerster] en het lukt me niet de verwachte resultaten voor Wastelab waar te maken. Daarnaast is de samenwerking en de persoonlijke klik tussen mij en de directie niet optimaal. Ik zie hierdoor geen toekomst voor mij binnen [verzoekster tevens verweerster] , en wil daarom mijn carrière ergens anders voortzetten. Ik doe graag een beroep op jullie begrip en medewerking. (…)”

2.11

Bij brief van 28 juni 2019 heeft [verweerder tevens verzoekster] het volgende geschreven aan [naam 1] :

“(…)

Na al eerder mijn opzegging bij [verzoekster tevens verweerster] mondeling met je te hebben besproken (dd. 6 juni), wil ik met deze brief formeel mijn arbeidscontract bij [verzoekster tevens verweerster] beëindigen (onder voorbehoud dat jullie mij van mijn concurrentiebeding ontheffen en ik per september bij Renewi kan beginnen), per 31 augustus 2019. (…)

2.12

Bij brief van 18 juli 2019 heeft [naam 1] als volgt op deze brief gereageerd:

“(…)

In vervolg op ons gesprek van vanmiddag en tevens in reactie op jouw brief d.d. 28 juni jl., bevestigen wij jouw opzegging te hebben ontvangen en deze te accepteren.

Hierbij tekenen wij aan dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet in opschortende zin voorwaardelijk kan zijn, zodat het dienstverband op basis van jouw brief en conform jouw wens, aldus per 31 augustus a.s. zal eindigen.

Ten aanzien van jouw verzoek om ontheven te worden van het concurrentiebeding dat deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst, moeten wij je helaas meedelen dat wij je daarin niet tegemoet kunnen komen. Je blijft dan ook gebonden aan het concurrentiebeding.

Wij hebben deze afweging – waarbij wij ons zeer goed bewust zijn van de consequenties die dit voor jou persoonlijk heeft – op zeer zorgvuldige wijze gemaakt en zijn daarbij niet over één nacht ijs gegaan. Wij hebben uiteindelijk besloten dat [verzoekster tevens verweerster] een gerechtvaardigd belang heeft om jou aan het beding te houden.

Het concurrentiebeding is juist bedoeld voor situaties als deze – een overstap naar een directe concurrent, waarbij jij bovendien in een vergelijkbare rol gaat functioneren als je thans doet bij [verzoekster tevens verweerster] /Wastelab – en je hebt daarvoor destijds getekend. De mogelijke interne en externe gevolgen en risico’s voor [verzoekster tevens verweerster] voor het buiten werking laten van het beding, zijn van dusdanige aard en omvang dat wij jouw verzoek niet kunnen honoreren. Daar komt bij dat wij een voor [verzoekster tevens verweerster] zeer onwenselijk precedent zouden scheppen. (…)”

3 Het verzoek van [verzoekster tevens verweerster] en de grondslag daarvan

3.1

[verzoekster tevens verweerster] heeft verzocht, voor het geval de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet reeds is geëindigd met ingang van 31 augustus 2019, de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de kortst mogelijke termijn op grond van artikel 7:671b lid 8 sub b BW, althans met ingang van de datum zoals die dient te worden bepaald op grond van artikel 7:671b lid 7 sub a BW, met veroordeling van [verweerder tevens verzoekster] in de proceskosten.

3.2

[verzoekster tevens verweerster] heeft aan dit verzoek naast de hiervoor genoemde vaststaande feiten het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd:

3.2.1

[verzoekster tevens verweerster] is van mening dat opzegging van de arbeidsovereenkomst niet in opschortende zin voorwaardelijk kan zijn. [verzoekster tevens verweerster] is daarom van mening dat de arbeidsovereenkomst reeds is geëindigd met ingang van 31 augustus 2019.

3.2.2

Voor het geval de arbeidsovereenkomst niet reeds is geëindigd met ingang van 31 augustus 2019, is [verzoekster tevens verweerster] van mening dat van haar niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren vanwege (primair) een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. De werkrelatie tussen [verzoekster tevens verweerster] en [verweerder tevens verzoekster] is onherstelbaar beschadigd als gevolg van de vertrouwensbreuk die tussen partijen is ontstaan. [verweerder tevens verzoekster] ziet geen toekomst bij [verzoekster tevens verweerster] en heeft geen klik met de directie, hetgeen in zijn positie leidt tot onwerkbare verhoudingen en een verstoring in de arbeidsverhouding.

[verweerder tevens verzoekster] ziet bovendien geen toekomst in Wastelab, de divisie waarvoor [verweerder tevens verzoekster] verantwoordelijk is. Ook gelet hierop is een vruchtbare samenwerking tussen partijen niet meer mogelijk.

[verzoekster tevens verweerster] heeft de herplaatsingsmogelijkheden voor [verweerder tevens verzoekster] onderzocht. Die zijn er niet. Los daarvan ligt herplaatsing niet in de rede, aangezien de verhoudingen ernstig en duurzaam verstoord zijn.

3.2.3

[verzoekster tevens verweerster] is van mening dat [verweerder tevens verzoekster] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zonder enige noodzaak heeft [verweerder tevens verzoekster] bewust aangestuurd op een verstoring in de arbeidsrelatie, uitsluitend en alleen omdat [verweerder tevens verzoekster] bij een concurrent van [verzoekster tevens verweerster] in dienst wil treden. Daarom verzoekt [verzoekster tevens verweerster] de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per een zo vroeg mogelijke datum te bepalen.

4 Het verweer van [verweerder tevens verzoekster]

Het verweer strekt tot toewijzing van het ontbindingsverzoek per een datum in de toekomst, met veroordeling van [verzoekster tevens verweerster] in de proceskosten. [verweerder tevens verzoekster] heeft daartoe naast de hiervoor genoemde vaststaande feiten het volgende – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – aangevoerd.

4.1

Het standpunt van [verzoekster tevens verweerster] dat een opzegging niet kan geschieden onder opschortende voorwaarde heeft geen wettelijke grondslag en kan om die reden niet worden gevolgd. Bovendien had [verzoekster tevens verweerster] zich ervan moeten vergewissen of [verweerder tevens verzoekster] bewust was van de mogelijke gevolgen van de opzegging. [verweerder tevens verzoekster] had overduidelijk alleen het doel zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen, indien hij niet zou worden gehouden aan zijn concurrentiebeding. Nu [verzoekster tevens verweerster] heeft besloten [verweerder tevens verzoekster] aan zijn concurrentiebeding te houden, is de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet geëindigd.

4.2

[verweerder tevens verzoekster] erkent dat inmiddels sprake is van een zodanige verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen dat de arbeidsovereenkomst dient te eindigen.

4.3

[verweerder tevens verzoekster] heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld jegens [verzoekster tevens verweerster] . [verweerder tevens verzoekster] verzoekt daarom rekening te houden met de opzegtermijn bij het bepalen van de ontbindingsdatum.

5 De voorwaardelijke zelfstandige tegenverzoeken

5.1

[verweerder tevens verzoekster] heeft verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

aan [verweerder tevens verzoekster] een billijke vergoeding toe te kennen van € 20.731,28 bruto en een transitievergoeding van € 5.141,00 bruto bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst na 30 oktober 2019, indien de arbeidsovereenkomst uiterlijk met ingang van 1 november 2019 wordt ontbonden;

subsidiair

aan [verweerder tevens verzoekster] een billijke vergoeding toe te kennen van € 100.000,00 bruto en een transitievergoeding van € 5.141,00 bruto, indien de arbeidsovereenkomst met ingang van een datum na 1 november 2019 wordt ontbonden;

en

primair

indien en voor zover in rechte is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden terwijl het concurrentiebeding niet op grond van artikel 7:653 lid 4 BW is komen te vervallen, het concurrentiebeding en het daaraan verbonden boetebeding, zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen geheel, althans gedeeltelijk, te vernietigen, dan wel geheel, althans gedeeltelijk te schorsen, dan wel geheel, althans gedeeltelijk, te matigen, in tijd of anderszins, op een zodanige wijze dat [verweerder tevens verzoekster] op de kortst mogelijke termijn doch uiterlijk 1 november 2019 bij Renewi in dienst mag treden en zonder enige boete te verbeuren ongestoord daar werkzaamheden mag verrichten;

subsidiair

indien en voor zover de kantonrechter oordeelt dat het concurrentiebeding en het daaraan verbonden boetebeding op zodanige wijze wordt vernietigd, gematigd, geschorst of anderszins dat [verweerder tevens verzoekster] niet uiterlijk 1 november 2019 bij Renewi in dienst mag treden, [verzoekster tevens verweerster] te veroordelen aan [verweerder tevens verzoekster] tot betaling van een vergoeding op grond van artikel 7:653 lid 5 BW voor de duur van de werking van het concurrentiebeding, zulks ter hoogte van € 8.970,00 bruto, voor iedere maand dat deze beperking voortduurt, althans een door de kantonrechter in goede justitie te betalen vergoeding;

primair en subsidiair

[verzoekster tevens verweerster] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5.2

Hetgeen [verweerder tevens verzoekster] aan deze verzoeken ten grondslag heeft gelegd en hetgeen [verzoekster tevens verweerster] daartegen als verweer heeft gevoerd zal, voor zover van belang, in de beoordeling aan de orde komen.

6 De beoordeling

opzegging arbeidsovereenkomst onder opschortende voorwaarde

6.1

Allereerst ligt ter beantwoording de vraag voor of [verweerder tevens verzoekster] de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk heeft kunnen opzeggen in plaats van definitief. De kantonrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat [verweerder tevens verzoekster] duidelijk een opschortende voorwaarde aan zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft verbonden, en dat [verzoekster tevens verweerster] dit ook zo heeft opgevat. De kantonrechter is van oordeel dat het standpunt van [verzoekster tevens verweerster] dat dit niet mogelijk is een deugdelijke juridische grondslag ontbeert. Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat dit standpunt niet strookt met vaste rechtspraak inhoudende dat voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist is die erop gericht is om de beëindiging van arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze maatstaf heeft als doel een werknemer die niet werkelijk de bedoeling heeft gehad de arbeidsovereenkomst op te zeggen te beschermen tegen een onbedoeld einde van de arbeidsovereenkomst met alle negatieve gevolgen van dien. De werkgever dient te onderzoeken of er sprake is van een zodanige duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die gericht is op een einde van de arbeidsovereenkomst.

Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat een werknemer, die duidelijk een voorwaarde stelt aan zijn wens tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, niet gehouden kan worden aan zijn opzegging indien de door hem gestelde voorwaarde niet in vervulling is gegaan. Een andere uitleg zou tot de ongewenste situatie leiden dat een werknemer, zonder dat het zijn bedoeling was, een einde kan maken aan de arbeidsovereenkomst door een opschortende voorwaarde aan zijn opzegging te verbinden, terwijl een werknemer die in een opwelling zijn arbeidsovereenkomst opzegt zonder daar een voorwaarde aan te verbinden, niet aan die opzegging hoeft te worden gehouden.

Voor het onderhavige geval leidt één en ander tot de conclusie dat de opzeggingsbrief van [verweerder tevens verzoekster] van 28 juni 2019 geen einde van de arbeidsovereenkomst heeft bewerkstelligd. De arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat derhalve thans nog.

ontbinding arbeidsovereenkomst

6.2

Hiermee komt de kantonrechter toe aan het ontbindingsverzoek van [verzoekster tevens verweerster] . Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden opgezegd indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die eisen gelden ingevolge artikel 7:671b lid 2, eerste volzin, BW ook voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. In artikel 7:669 lid 3 BW is onder a t/m h (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

[verzoekster tevens verweerster] heeft om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen verzocht primair op de zogenoemde g-grond, te weten een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

6.3

Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding dat een voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer mogelijk is alsmede dat herplaatsing van [verweerder tevens verzoekster] binnen [verzoekster tevens verweerster] niet tot de mogelijkheden behoort althans niet in de rede ligt. Bovendien geldt dat geen sprake is van enig opzegverbod.

Hiermee is de redelijke grond gegeven. Het ontbindingsverzoek zal derhalve worden toegewezen op de primaire grondslag van dat verzoek. Aan de beoordeling van de subsidiaire grondslag van het ontbindingsverzoek wordt niet toegekomen.

billijke vergoeding?

6.4

Ten aanzien van het verzoek van [verzoekster tevens verweerster] om de arbeidsovereenkomst met ingang van een zo vroeg mogelijke datum te ontbinden, wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 7:671b lid 8 sub b BW kan de kantonrechter, indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, de ontbindingsdatum bepalen zonder daarbij rekening te houden met de opzegtermijn die voor de werkgever geldt. Beoordeeld moet dus worden of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder tevens verzoekster] . Volgens [verzoekster tevens verweerster] is daar sprake van omdat [verweerder tevens verzoekster] zonder noodzaak bewust heeft aangestuurd op een verstoring van de arbeidsverhouding.

Kennelijk was [verweerder tevens verzoekster] het vertrouwen in een verdere vruchtbare samenwerking reeds in februari 2019 verloren. Hij is vervolgens in de situatie terecht gekomen dat hij aan de slag zou kunnen bij een concurrent van [verzoekster tevens verweerster] . Door tegenover [verzoekster tevens verweerster] open en eerlijk te zijn over het baanaanbod van Renewi en het verzoek bij [verzoekster tevens verweerster] neer te leggen om in verband daarmee, het concurrentiebeding terzijde te schuiven althans te beperken, heeft hij naar het oordeel van de kantonrechter zich alleszins redelijk opgesteld jegens [verzoekster tevens verweerster] en conform hetgeen op grond van goed werknemerschap van hem verwacht mocht worden. Zijn handelen vanaf het gesprek tussen partijen op 6 juni 2019 is geenszins kwalijk of laakbaar te achten. Uit niets is gebleken dat [verweerder tevens verzoekster] bewust zou hebben aangestuurd op een verstoring van de arbeidsverhouding. Derhalve kan niet gezegd worden dat de ontbinding plaatsvindt als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder tevens verzoekster] . Dit brengt mee dat, rekening houdend met de opzegtermijn voor [verzoekster tevens verweerster] , de arbeidsovereenkomst eerst met ingang van 1 januari 2020 ontbonden zal worden.

transitievergoeding

6.5

Uit artikel 7:673 lid 1 aanhef sub a sub 2 BW in verbinding met artikel 7:673 lid 7 aanhef en sub c BW volgt dat een werkgever aan een werknemer een transitievergoeding verschuldigd is, indien de arbeidsovereenkomst minimaal 24 maanden heeft geduurd en op verzoek van de werkgever is ontbonden én de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is aan deze vereisten voor toekenning van de transitievergoeding voldaan, zodat de transitievergoeding ten laste van [verzoekster tevens verweerster] aan [verweerder tevens verzoekster] toegekend zal worden. Partijen zijn het erover eens dat de transitievergoeding

€ 5.141,00 bruto bedraagt.

salaris

6.6

Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt tot 1 januari 2020 zal onder de beslissing opgenomen worden dat [verzoekster tevens verweerster] zich (ter zitting) bereid heeft verklaard in dat geval het salaris van [verweerder tevens verzoekster] te betalen tot die datum.

ontbinding als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster tevens verweerster] ?

6.7

Thans komt de kantonrechter toe aan beantwoording van de vraag of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster tevens verweerster] . [verweerder tevens verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoekster tevens verweerster] jegens hem ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en heeft daartoe gesteld dat [verzoekster tevens verweerster] [verweerder tevens verzoekster] aan het lijntje heeft gehouden, hem signalen heeft gegeven dat het wel goed zou komen - terwijl ze niet nader met hem in gesprek wenste te gaan - en vervolgens na zes weken zich op het onredelijke standpunt heeft gesteld dat ze hem zowel aan het concurrentiebeding zou houden als aan zijn opzegging. Ter zitting is namens hem hieraan toegevoegd dat dit handelen ‘in de buurt komt van pesten’. Volgens [verzoekster tevens verweerster] kunnen de verwijten die [verweerder tevens verzoekster] haar maakt niet tot de conclusie leiden dat [verzoekster tevens verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verweerder tevens verzoekster] .

6.8

Duidelijk is dat [verzoekster tevens verweerster] [verweerder tevens verzoekster] lang heeft laten wachten op een inhoudelijke reactie op zijn verzoek tot vrijstelling van het concurrentiebeding én dat zij vervolgens, zonder met hem in gesprek te gaan over (de door hem beoogde gevolgen van) zijn opzeggingsbrief en zonder enige aankondiging geconcludeerd heeft dat [verweerder tevens verzoekster] zou worden gehouden aan zijn opzegging, waarmee hij op straat zou komen te staan zonder aanspraak te kunnen maken op een werkloosheidsuitkering, terwijl dit uitdrukkelijk niet zo door hem bedoeld was.

De kantonrechter is van oordeel dat dit handelen van [verzoekster tevens verweerster] ten opzichte van [verweerder tevens verzoekster] geen schoonheidsprijs verdient. Sterker nog, dit handelen is kwalijk en niet conform goed werkgeverschap en heeft zeker bijgedragen aan de verstoring van de arbeidsverhouding. Anderzijds is [verweerder tevens verzoekster] ook debet aan de verstoorde arbeidsverhouding. Hij heeft als het ware op 6 juni 2019 het vertrouwen in een voortzetting van een vruchtbare samenwerking met [verzoekster tevens verweerster] definitief opgezegd. Daarbij heeft hij in het kader van de onderhavige procedure benadrukt dat volgens hem al langer sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding en/of een vertrouwensbreuk tussen partijen. Dit acht de kantonrechter weliswaar niet verwijtbaar aan [verweerder tevens verzoekster] , maar leidt er wel toe dat niet geoordeeld kan worden dat de verstoorde arbeidsverhouding die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft uitsluitend of in overwegende mate veroorzaakt is door voornoemd handelen van [verzoekster tevens verweerster] . Al met al is geen sprake van een situatie waarin [verzoekster tevens verweerster] een valse ontslaggrond heeft aangegrepen om een verstoorde arbeidsverhouding te doen ontstaan om hoe dan ook van [verweerder tevens verzoekster] af te komen noch van een andere situatie die tot de conclusie zou moeten leiden dat de verstoorde arbeidsverhouding die thans leidt tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster tevens verweerster] .

6.9

Nu de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster tevens verweerster] , is het verzoek van [verweerder tevens verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding niet toewijsbaar en is geen sprake van de situatie dat [verzoekster tevens verweerster] op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding.

vernietiging concurrentiebeding?

6.10

Vanwege hetgeen hiervoor is geoordeeld ligt vervolgens de vraag voor of het verzoek tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het concurrentiebeding met het daaraan verbonden boetebeding toewijsbaar is.

Ingevolge artikel 7:653 lid 3 aanhef en sub b BW kan de rechter een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk vernietigen, indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld.

Partijen staan wat dit geschilpunt betreft lijnrecht tegenover elkaar. Eén van de vragen die partijen verdeeld houden is of er überhaupt sprake zal zijn van concurrerende werkzaamheden in de verhouding tussen de huidige functie van [verweerder tevens verzoekster] bij [verzoekster tevens verweerster] en de functie van Innovation Manager bij Renewi. [verweerder tevens verzoekster] heeft gesteld dat dit niet het geval is, terwijl [verzoekster tevens verweerster] zich op het standpunt heeft gesteld dat hier wel sprake van is. Partijen hebben hun standpunten uitvoerig toegelicht. De kantonrechter komt op basis daarvan tot het oordeel dat, mede gelet op het feit dat Renewi een concurrent van [verzoekster tevens verweerster] is die uitdrukkelijk in het concurrentiebeding genoemd is, [verzoekster tevens verweerster] in ieder geval de gerechtvaardigde vrees kon hebben dat [verweerder tevens verzoekster] haar gelet op zijn functie en positie en daaruit voortvloeiende kennis en kunde serieuze concurrentie zal kunnen aandoen, indien hij bij Renewi in dienst treedt. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat [verzoekster tevens verweerster] ter zitting herhaaldelijk onweersproken heeft gesteld dat door (de heer [naam 3] van) Renewi aan haar is medegedeeld dat [verweerder tevens verzoekster] (ongeveer) dezelfde functie als bij [verzoekster tevens verweerster] zal vervullen.

[verzoekster tevens verweerster] heeft een te respecteren gerechtvaardigd belang bij handhaving van het concurrentiebeding. Hoewel aannemelijk is dat [verweerder tevens verzoekster] er belang bij heeft bij Renewi in dienst te treden vanwege de gestelde positieverbetering, is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verweerder tevens verzoekster] door het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld. [verweerder tevens verzoekster] heeft zich kennelijk sinds het baanaanbod door Renewi uitsluitend gefocust op het kunnen aanvaarden van deze baan. Gesteld noch gebleken is dat hij vanaf dat moment zijn arbeidsmarktpositie heeft onderzocht. Als onweersproken is komen vast te staan dat [verweerder tevens verzoekster] hoogopgeleid is en verschillende functies op hoog niveau (als senior manager en consultant) in verschillende branches heeft verricht. Dit maakt het aannemelijk dat [verweerder tevens verzoekster] een goede positie op de arbeidsmarkt heeft en niet alleen is aangewezen op concurrenten van [verzoekster tevens verweerster] . Het lag op de weg van [verweerder tevens verzoekster] om dit te ontkrachten ter onderbouwing van zijn verzoek. Dit heeft hij niet, althans onvoldoende, gedaan.

Eén en ander leidt ertoe dat een redelijke belangenafweging op basis van hetgeen over en weer is gesteld niet tot het oordeel kan leiden dat er sprake is van onbillijke benadeling van [verweerder tevens verzoekster] , indien het concurrentiebeding niet wordt vernietigd of niet zodanig wordt beperkt dat hij op korte termijn bij Renewi aan de slag kan. De verzochte vernietiging van het concurrentiebeding en het daaraan verbonden boetebeding is derhalve niet toewijsbaar.

vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW?

6.11

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van [verweerder tevens verzoekster] met betrekking tot het concurrentiebeding wordt als volgt geoordeeld. Ingevolge lid 5 van artikel 7:653 BW kan de rechter, indien een concurrentiebeding de werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn, steeds bepalen dat de werkgever voor de duur van de beperking aan de werknemer een vergoeding moet betalen.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen in 6.10 over de arbeidsmarktpositie van [verweerder tevens verzoekster] , overweegt de kantonrechter dat [verweerder tevens verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het concurrentiebeding in belangrijke mate wordt belemmerd om elders dan in dienst van [verzoekster tevens verweerster] werkzaam te zijn. Het subsidiaire verzoek met betrekking tot het concurrentiebeding is derhalve evenmin toewijsbaar.

proceskosten

6.12

Gelet op het feit dat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

7 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2020;

kent aan [verweerder tevens verzoekster] een transitievergoeding toe van € 5.141,00 bruto en veroordeelt [verzoekster tevens verweerster] deze vergoeding aan [verzoekster tevens verweerster] te betalen;

verstaat dat [verzoekster tevens verweerster] zal zorgdragen voor betaling van het salaris c.a. van [verweerder tevens verzoekster] over de periode vanaf september 2019 tot 1 januari 2020;

wijst af het meer of anders door [verzoekster tevens verweerster] verzochte;

wijst af het meer of anders door [verweerder tevens verzoekster] verzochte;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

757