Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7781

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
07-10-2019
Zaaknummer
10/224107-18, 10/127389-19 (ttz gev) en 10/660185-17 (tul).
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aangever door 2 mannen gedwongen tot afgifte van zijn pinpas met pincode. Verdachte als medepleger betrokken bij straatroof en vervolgens met de buitgemaakte pinpas twee keer proberen te pinnen. Alternatief scenario onaannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/224107-18, 10/127389-19 (ttz gev) en 10/660185-17 (tul).

Datum uitspraak: 23 september 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman P.M. Iwema, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2019, 21 juni 2019 en

9 september 2019.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    in de zaak met parketnummer 10/224107-18: bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde (afpersing) en het onder feit 2 tenlastegelegde;

  • -

    in de zaak met parketnummer 10/127389-19: bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met daarbij als aanvulling dat de verdachte huisvesting zoekt bij een project voor begeleid wonen;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/660185-17.

Waardering van het bewijs

10/224107-18

Feit 1: diefstal met geweld

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 tenlastegelegde diefstal met geweld niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Feit 1: afpersing en feit 2 poging diefstal met een valse sleutel

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastelegde afpersing en diefstal met valse sleutel. De verdachte heeft daar niets mee te maken. De verdachte heeft een alternatief scenario voor het bezit van de pinpas en de pincode. Hij heeft verklaard dat hij aan het chillen was op het Ambachtsplein te Rotterdam Zevenkamp toen twee jongens op een scooter naar het plein kwamen en aan hem vroegen of hij wat geld wilde verdienen door voor hen te pinnen. Hij is met hen een blokje om gegaan. Hij had van één van de jongens een jas gekregen en een sjaal om voor zijn gezicht te doen. Hij kreeg toen een bankpas en heeft daarmee geprobeerd te pinnen bij de pinautomaat aan de Zevenkampse Ring. Daarna is hij weer teruggegaan naar het Ambachtsplein. Dit wordt (deels) bevestigd door de getuige [naam getuige] die heeft verklaard dat de verdachte de gehele avond op het Ambachtsplein is geweest.

Beoordeling

Op 22 mei 2018 werd kort na middernacht de aangever op het Atolpad te Capelle aan den IJssel door twee mannen gedwongen om zijn pinpas en de daarbij behorende pincode af te geven. Daarbij gebruikten zij geweld tegen de aangever en bedreigden zij hem verbaal. Een van de mannen heeft een pistool tegen het hoofd van aangever gedrukt en hem drie keer in zijn gezicht geslagen. Terwijl de ene man op de scooter is weggegaan om te pinnen is de andere man, de man met het pistool, bij de aangever gebleven. Toen de man op de scooter terugkwam, ging de man met het vuurwapen achterop zitten en reden zij uiteindelijk weg, nadat de aangever eerst nog zijn iPhone S6 aan hen had moeten afstaan.

Om 00:15 uur is geprobeerd te pinnen met de bankpas van de aangever bij de ABN AMRO Bank aan het Hollandsch Diep in Capelle aan den IJssel. Dit ‘pinnen’ is niet door aangever gedaan.

- Vaststelling I

Het samenstel van deze feiten en omstandigheden leidt tot de conclusie dat het één van de daders van de straatroof is geweest die om 00.:15 uur heeft geprobeerd te pinnen bij de automaat aan het Hollandsch Diep in Capelle aan den IJssel.

De telefoon van de verdachte verplaatste zich kort na het tijdstip van de pinpoging van Capelle aan den IJssel richting Rotterdam Zevenkamp.

Op 22 mei 2018 om 00.19 uur werd een mast aan de Bazuin in Capelle aan den IJssel aangestraald. Op dinsdag 22 mei 2018 om 00:42 uur werd een mast aan de Rietdekkerweg te Rotterdam aangestraald. De zendmast aan de Bazuin te Capelle aan den IJssel bevindt zich tussen het Atolpad (waar de straatroof plaatsvond) en de Zevenkampse Ring. De Rietdekkerweg is een zijstraat van de Zevenkampse Ring. Op deze locatie werd voor de tweede keer geprobeerd te pinnen met de pinpas van de aangever.

- Vaststelling II

De telefoon van de verdachte maakte dezelfde reisbewegingen als de pinpas van aangever en doet dat omstreeks dezelfde tijdstippen.

Het is de verdachte geweest die om 00:30 uur heeft gepind met de pas van aangever om bij de ABN AMRO Bank aan de Zevenkampse Ring te Rotterdam. De jas, sjaal en schoenen die de verdachte bij het pinnen om 00:30 uur droeg zijn vrijwel indentiek aan de jas, sjaal en en schoenen van de pinner van 00:15 uur.

- Tussenconclusie

Kort en goed heeft één van de daders van de straatroof om 00:15 uur gepind aan het Hollands Diep met de pinpas van de aangever, beweegt de telefoon van de verdachte zich omstreeks de tijden van de straatroof en de pinpoging van 00:15 uur en 00:30 uur van Capelle aan den IJssel naar Rotterdam Zevenkamp, is de verdachte om 00:30 uur in Rotterdam Zevenkamp in het bezit is van de pinpas van de aangever en zijn de jas, de sjaal en de schoenen van de verdachte en de eerste pinnner identiek.

Op grond van deze vaststellingen zou kunnen worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die als medepleger betrokken is geweest bij de straatroof en vervolgens met de pinpas van de aangever in zowel Capelle aan de IJssel als in Rotterdam Zevenkamp heeft geprobeerd te pinnen.

- Alternatief scenario

Het scenario dat door de verdachte als verweer naar voren is gebracht zou een bewezenverklaring in de weg staan. Dit alternatieve scenario wordt door de rechtbank onaannemelijk gevonden en niet gevolgd. Op de eerste plaats is het scenario van de verdachte op zichzelf genomen niet zo voor de hand liggend, is het onlogisch en heeft het ook nauwelijks context. Daarnaast is het volgende redengevend:

  1. De verdachte verklaart de jongens te kennen die hem hebben gevraagd te pinnen en volgens hem vermoedelijk de straatroof hebben gepleegd, maar wil hun namen niet noemen. In zoverre is het niet mogelijk zijn verklaring te verifiëren.

  2. De verdachte verklaart dat hij een jas en een sjaal van de jongens heeft gedragen bij het pinnen. Niet valt in te zien dat een persoon die zelf buiten beeld wil blijven - er wordt immers aan de verdachte gevraagd om te pinnen met een zojuist gestolen pinpas - zijn jas en sjaal aan de verdachte geeft en het dus voor lief neemt dat die kleding op camerabeelden bij de pinautomaat wordt vastgelegd. Een en ander terwijl deze persoon in dezelfde kleding kort daarvoor al bij een pinautomaat heeft gepind.

  3. De pinner zou in het scenario van de verdachte toevalligerwijs ook soortgelijke schoenen hebben gedragen als die van de verdachte.

  4. De door de verdachte geschetste omstandigheden en handelingen vinden ook geen ondersteuning in het tijdpad. De tijd tussen de eerste pinpoging in Capelle aan den IJssel en de tweede pinpoging bedraagt slechts 15 minuten. Die 15 minuten is voldoende voor de reis van het Atolpad te Capelle aan den IJssel naar het Ambachtsplein in Rotterdam Zevenkamp. Heel onwaarschijnlijk is het echter dat in die tijd ook nog de ene dader de andere na het eerste pinnen heeft opgehaald, zij nog een iPhone 6 van de verdachte hebben afgeperst, de gelegenheid hebben gehad om de verdachte te benaderen om voor hen te pinnen, de verdachte de gelegenheid te geven om zich om te kleden, hem in kennis te stellen van de pincode en vervolgens de verdachte naar de pinautomaat aan de Zevenkampse Ring te begeleiden.

  5. Uit de locaties waar de telefoon van de verdachte die nacht zendmasten heeft aangestraald volgt dat hij niet steeds op het Ambachtsplein is geweest, zoals hij en getuige [naam getuige] hebben verklaard. Die verklaringen zijn daarom in ieder geval niet helemaal juist. Dat komt de betrouwbaarheid van het door de verdachte genoemde scenario niet ten goede.

- Conclusie

Dit alles leidt tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan afpersing van de aangever en tweemaal heeft getracht te pinnen met de buitgemaakte pinpas.

10/224107-18

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

10/127389-19

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De ten laste gelegde feiten zullen daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

In bijlage III heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

10/224107-18

1. subsidiair)

hij op 22 mei 2018 te Capelle aan den IJssel tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas met de daarbij behorende pincode en een iPhone S6, die aan die [naam slachtoffer] toebehoorden, door:

-die [naam slachtoffer] de woorden toe te voegen "wat heb je in je spullen, maak je zakken leeg" en

'geef je pincode' en "wat heb je nog meer" en

-een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] te zetten en

-die [naam slachtoffer] meermalen tegen het hoofd te slaan;

2

hij op 22 mei 2018 te Capelle aan den IJssel en te Rotterdam meermalen tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een geldautomaat weg te nemen een hoeveelheid geld, dat toebehoorde aan [naam slachtoffer] ,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en die weg te nemen hoeveelheid geld onder hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten door telkens een tevoren gestolen bankpas in een geldautomaat in te voeren en vervolgens een niet vrijelijk van die [naam slachtoffer] verkregen pincode in te toetsen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

10-127389-19

1

hij op 22 mei 2019 te Capelle aan den IJssel, zich met geweld en bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren, [naam agent 1] , medewerker van politie eenheid Rotterdam en [naam agent 2] , hoofdagent van politie eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, conform artikel 84 van het Wetboek van strafvordering,

immers heeft hij, verdachte,

- met zijn, verdachtes, tot vuist gebalde hand uitgehaald naar die [naam agent 1] en

- zich met kracht getracht los te rukken en

- zich in tegengestelde richting bewogen van de richting waarin verbalisanten hem, verdachte, wilden bewegen en

- trappende bewegingen gemaakt in de richting van die [naam agent 1] en [naam agent 2] ;

2

hij op 22 mei 2019 te Capelle aan den IJssel opzettelijk ambtenaren, te weten [naam agent 3] , hoofdagent van politie eenheid Rotterdam en [naam agent 2] ,

hoofdagent van politie eenheid Rotterdam en [naam agent 1] , medewerker van politie eenheid Rotterdam, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening,in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,

door;

- die [naam agent 2] en [naam agent 1] de woorden toe te voegen: 'Kankerlijer' en'Jullie zijn niks kankerlijers', en

- die [naam agent 3] de woorden toe te voegen: 'Kankerhoer',

3

hij op 22 mei 2019 te Capelle aan den IJssel [naam agent 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [naam agent 1] dreigend de woorden toe te voegen "Kom maar met mij in de ring staan. Ik maak jou en je vader en je moeder dood.",

4

hij op 22 mei 2019 te Capelle aan den IJssel, een ambtenaar, [naam agent 2] ,

gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [naam agent 2] met zijn, verdachtes, nagels in de hand te knijpen en met kracht op de voet te stampen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

10/224107-18

1. subsidiair

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2.

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

10-127389-19

1.

wederspannigheid;

2.

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

3.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4.

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een ander, op de openbare weg, het slachtoffer [naam slachtoffer] van zijn pinpas, pincode en telefoon beroofd. [naam slachtoffer] is daarbij in het gezicht geslagen en er is een ‘vuurwapen’ tegen zijn hoofd gezet. Vervolgens heeft de verdachte met de pinpas en pincode van het slachtoffer geprobeerd te pinnen zeer dicht in de buurt van de plaats van de straatroof. Toen dat niet lukte heeft de verdachte kort daarna nogmaals tevergeefs geprobeerd met de pinpas van het slachtofer geld te pinnen bij een andere geldautomaat.

Dergelijk gewelddadige, intimiderende en brutale feiten, gepleegd op de openbare weg, zijn zeer bedreigend en versterken gevoelens van angst en onveiligheid. Niet alleen bij het slachtoffer, zoals dat blijkt uit wat namens hem ter terechtzitting naar voren is gebracht, maar ook bij de maatschappij in het algemeen doordat mensen direct of indirect geconfronteerd worden met dit soort ernstige feiten.

De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met wat zijn handelen teweeg heeft gebracht bij het slachtoffer De verdachte heeft zich laten leiden door geldelijk gewin voor hem en zijn mededader. Dit alles, maar ook de omstandigheid dat verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen, neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk.

De verdachte heeft zich bij een aanhouding ook nog hevig verzet en heeft daarbij verbalisanten beledigd en bedreigd. Op weg naar de lift en toen zij op de lift stonden te wachten, heeft de verdachte een van de verbalisanten geknepen en getrapt. Het gedrag van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor de politie, die hun beveiligings- en handhavingswerk doen in het algemeen belang. Daarnaast heeft de verdachte door één van de verbalisanten te mishandelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verbalisant.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 september 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en hiervoor zelfs in een proeftijd liep. De rechtbank houdt daar in het nadeel van de verdachte rekening mee.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

6 februari 2019. Dit rapport houdt samengevat het volgende in. Er zijn problemen op meerdere gebieden. De verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding en geen inkomen. Er is sprake van een negatief sociaal netwerk en de verdachte functioneert op zwakbegaafd niveau. In het verleden is aan de verdachte een jeugdreclasseringsmaatregel opgelegd die negatief is afgesloten omdat de verdachte zich niet laat aansturen. Hij lijkt niet gevoelig voor gezag of pedagogische beïnvloeding. Bij een veroordeling adviseert de reclassering onder meer een meldplicht, deelname aan een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden, een inspanningsverplichting tot het hebben en houden van een dagbesteding en meewerken aan begeleiding voor het op orde brengen van praktische zaken.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Gezien de ernst van de feiten en hetgeen hiervoor is overwogen, kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht geslagen op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het nadeel van de verdachte wordt rekening gehouden met zijn uitgebreide strafblad en de omstandigheid dat de verdachte nog in een proeftijd liep in verband met een eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met zijn nog jeugdige leeftijd en de grote behoefte aan verandering. Die verandering lijkt thans, gelet op de forse problematiek van de verdachte en zijn strafblad, slechts te kunnen worden bewerkstelligd in een dwingend, strafrechtelijk kader. De rechtbank zal daarom een fors deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

10/224107-18

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van de ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van de volgende bedragen aan materiële en immateriële schade:

Gestolen goederen

  • -

    iPhone 6S Plus € 600,-

  • -

    telefoonhoesje € 10,-

  • -

    portemonnee € 70,-

  • -

    bankpas € 10,-

  • -

    ov-chipkaart € 7,50

  • -

    identiteitskaart € 56,83

subtotaal € 754,33

  • -

    Aanmaning in verband met identiteitsfraude € 383,09

  • -

    Reis- en parkeerkosten € 90,-

  • -

    Ziektekosten (eigen risico) + kosten kies 385,- + 51,94 € 436,94

  • -

    Verlies arbeidsvermogen € 3.133,44

subtotaal € 4.797,80

immateriële schade € 2.000,-

Totaal € 6.797,80

Standpunt officier van justitie

De gevorderde materiële schade is toewijsbaar, met uitzondering van hetdeel van de vordering dat ziet op de kosten van identiteitsfraude (383,09) en de tandartskosten (€ 51,94), omdat onvoldoende een rechtstreeks verband met het tenlastegelegde is komen vast te staan.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade, heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank

Standpunt verdediging

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering voor zowel de materiële als de immateriële schade. Primair omdat vrijspraak is bepleit, subsidiair omdat de schadeonvoldoende is onderbouwd.

Voor zover de vordering ziet op vergoeding van reis- en parkeerkosten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen als volgt.

De gestolen goederen:

  • -

    iPhone 6S Plus € 300,- (dagwaarde)

  • -

    telefoonhoesje € 10,-

  • -

    portemonnee € 70,-

  • -

    bankpas € 10,-

  • -

    ov-chipkaart € 7,50

  • -

    identiteitskaart € 56,83

subtotaal € 454,33

  • -

    Reis- en parkeerkosten € 90,-

  • -

    Ziektekosten (eigen risico) € 385,-

Totaal € 929,33

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de kosten van de iPhone van € 600,- is toewijsbaar voor een bedrag van € 300,- zijnde een redelijke marktconforme prijs voor een tweedehandstoestel.De benadeelde partij zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de aanmaning in verband met identiteitsfraude en de tandartskosten is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op het verlies van arbeidsvermogen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Deze delen van de vordering kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden en rekening houdend met schadevergoeding die in soortgelijke zaken is toegewezen, naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontbreken. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 22 mei 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 929,33 (materiële schade) en € 1.500,- (immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen gevorderde maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrechtpassend en geboden geacht.

10-127389-19

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] ter zake van de onder feit 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van

€ 69,95 aan materiële schade en een vergoeding van € 500,- aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De vordering met betrekking tot de materiële schade dient te worden afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat door het handelen van de verdachte schade aan de jas is ontstaan. De vordering met betrekking tot immateriële schade is toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De vordering met betrekking tot de immateriële schade dient als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. Het is bovendien zeer wel mogelijk dat de verwonding van de verbalisant niet door toedoen van de verdachte is ontstaan.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering met betrekking tot de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten. Deze vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden en rekening houdend met schadevergoedingen die in soortgelijke zaken zijn toegewezen, naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 22 mei 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 250,- (immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Vordering tenuitvoerlegging

10/660185-17

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 12 december 2017 van meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van meerdere woninginbraken en pogingen daartoe veroordeeld voor zover van belang tot jeugddetentie van 294 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 28 december 2017.

Bij vonnis van 7 juni 2019 van de meervoudige kamer is een gedeelte te weten 28 dagen van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie tenuitvoergelegd, waardoor een voorwaardelijk deel van 152 dagen resteert en is de proeftijd overigens verlengd met één jaar.

Standpunt verdediging

De verdachte behoeft nog veel begeleiding en daarvoor is een stok achter de deur noodzakelijk. Derhalve dient de vordering te worden afgewezen. In plaats daarvan kan de proeftijd met een jaar worden verlengd.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. De verdachte heeft aldus het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Voorts heeft het toezicht en de begeleiding van de reclassering hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het thans nog resterende voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen, 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 180, 266, 267, 285, 300, 304, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

10/224107-18

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde afpersing, en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

10/127389-19

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

In beide zaken:

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot acht (8) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal verblijven in een instelling voor begeleid wonenen zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de directeur van die instelling verantwoord vindt;

3. de veroordeelde zal actief deelnemen aan de gedragsinterventie Cova+ of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden en houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

4. de veroordeelde heeft een inspanningsverplichting tot het hebben en houden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van scholing of werk. Zo nodig wordt hierbij hulp ingeschakeld van een, door de reclassering te bepalen, organisatie.

5. de veroordeelde zal zijn medewerking verlenen aan begeleiding van het FACT-team voor hulp bij praktische zaken. De veroordeelde werkt hier gedurende de proeftijd aan mee zolang de reclassering dit nodig acht en hij houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van het FACT team.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

10/224107-18

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1], te betalen een bedrag van € 2.429,33 (hoofdsom, zegge: tweeduizend vierhonderd negenentwintig euro en drieendertig eurocent), bestaande uit € 929,33 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.429,33 (hoofdsom, zegge: tweeduizend vierhonderd negenentwintig euro en drieendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 2.429,33 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 28 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

10/127389-19

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2], te betalen een bedrag van € 250,- (zegge: tweehonderd en vijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf

22 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 250,- (hoofdsom, zegge: tweehonderd en vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 250,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

10-660185-17

gelast de tenuitvoerlegging van het thans resterende voorwaardelijk gedeelte van de bij vonnis van 12 december 2017 van meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. E. Rabbie en J.C.M. Persoon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 september 2019.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

10-224107-18

1.

hij op of omstreeks 22 mei 2018 te Capelle aan den IJssel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bankpas met de daarbij behorende pincode en/of een Iphone s6, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

-die [naam slachtoffer] de woorden toe te voegen "wat heb je in je spullen, maak je zakken leeg" en/of

'geef je pincode' en/of "wat heb je nog meer" en/of

-een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] te zetten en/of

-die [naam slachtoffer] (meermalen) tegen het hoofd, althans in het gezicht te slaan/stompen;

en/of

hij op of omstreeks 22 mei 2018 te Capelle aan den IJssel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas met de daarbij behorende pincode en/of een Iphone s6, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [naam slachtoffer] toebehoorde, door:

-die [naam slachtoffer] de woorden toe te voegen "wat heb je in je spullen, maak je zakken leeg" en/of

'geef je pincode' en/of "wat heb je nog meer" en/of

-een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] te zetten en/of

-die [naam slachtoffer] (meermalen) tegen het hoofd, althans in het gezicht te slaan/stompen;

2.

hij op of omstreeks 22 mei 2018 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdam (meermalen) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een geldautomaat weg te nemen een hoeveelheid geld, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] ,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich daarbij de toegang tot die geldautomaat te verschaffen en/of die weg te nemen hoeveelheid geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten door (telkens) een tevoren gestolen bankpas in een geldautomaat in te voeren en vervolgens een (niet vrijelijk van die [naam slachtoffer] verkregen) pincode in te toetsen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

10-127389-19

1.

hij op of omstreeks 22 mei 2019 te Capelle aan den IJssel, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) ambtena(a)ren(en), [naam agent 1] , medewerker van politie eenheid Rotterdam en/of [naam agent 2] , hoofdagent van politie eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, conform artikel 84 van het Wetboek van strafvordering,

immers heeft hij, verdachte,

- met zijn, verdachtes, tot vuist gebalde hand uitgehaald naar die [naam agent 1] en/of

- zich (met kracht) getracht los te rukken en/of

- zich in tegengestelde richting bewogen van de richting waarin verbalisanten hem, verdachte, wilden bewegen en/of

- trappende bewegingen gemaakt in de richting van die [naam agent 1] en/of [naam agent 2] ;

2.

hij op of omstreeks 22 mei 2019 te Capelle aan den IJssel opzettelijk (een) mbtena(a)r(en),te weten [naam agent 3] , hoofdagent van politie eenheid Rotterdam en/of [naam agent 2] ,

hoofdagent van politie eenheid Rotterdam en/of [naam agent 1] , medewerker van politie eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,

door;

- die [naam agent 2] en/of [naam agent 1] de woorden toe te voegen: 'Kankerlijer' en/of 'Jullie zijn niks kankerlijers', en/of

- die [naam agent 3] de woorden toe te voegen: 'Kankerhoer',

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 22 mei 2019 te Capelle aan den IJssel [naam agent 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam agent 1] dreigend de woorden toe te voegen "Kom maar met mij in de ring staan. Ik maak jou en je vader en je moeder dood.",

althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 22 mei 2019 te Capelle aan den IJssel, een ambtenaar, [naam agent 2] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [naam agent 2] met zijn, verdachtes, nagels in de hand te knijpen en/of (met kracht) op de voet te stampen.