Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7778

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
07-10-2019
Zaaknummer
C/10/538176 / HA ZA 17-1029
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele procedures. Artikel 214 Rv: de waarborg (gedaagde in vrijwaring) mag zich in de hoofdzaak aan de zijde van de gewaarborgde voegen. Daar is geen vordering ex artikel 217 Rv voor nodig.

Artikel 843a Rv: Gedaagde in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan eiseres in de hoofdzaak een afschrift te verstrekken van de door gedaagde uitgebrachte dagvaarding in vrijwaring inclusief producties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/538176 / HA ZA 17-1029

Vonnis in incidenten van 2 oktober 2019

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ZEELAND REFINERY N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident ex artikel 843a Rv,

verweerster in het incident ex artikel 217 Rv,

advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

BURCKHARDT COMPRESSION AG,

gevestigd te Winterthur, Zwitserland,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident ex artikel 843a Rv,

verweerster in het incident ex artikel 217 Rv,

advocaat mr. B.T. Craemer te Amsterdam,

en

de vennootschap naar Duits recht

KLAUS KUHN EDELSTAHLGIESSEREI GMBH,

gevestigd te Radevormwald, Duitsland,

eiseres in het incident ex artikel 217 Rv,

advocaat mr. R.A.J.C. Huijs te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Zeeland Refinery, Burckhardt en Klaus Kuhn genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 4 juli 2018 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de brieven van de rechtbank van 22 augustus en 2 oktober 2018, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;

  • -

    de akte overleggen productie van 8 november 2018 van Zeeland Refinery;

  • -

    het proces-verbaal van de op 8 november 2018 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de aantekeningen ten behoeve van comparitie van partijen van 8 november 2018 van Zeeland Refinery;

  • -

    de brief van 22 november 2018 van Zeeland Refinery, naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de conclusie van repliek tevens incidentele vordering ex artikel 843a Rv van 20 februari 2009, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 217 Rv van 20 februari 2019 van Klaus Kuhn;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 217 Rv van 20 maart 2019 van Zeeland Refinery;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van 20 maart 2019 van Burckhardt;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv van 20 maart 2019 van Burckhardt, met een productie;

  • -

    de akte uitlaten productie van 17 april 2019 van Zeeland Refinery.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De beoordeling in het incident ex artikel 217 Rv

2.1.

Klaus Kuhn, gedaagde in de procedure in vrijwaring, vordert dat haar wordt toegestaan zich in de hoofdzaak aan de zijde van Burckhardt te voegen. Zeeland Refinery en Burckhardt refereren zich aan het oordeel van de rechtbank.

2.2.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering bij gebrek aan belang moet worden afgewezen. Deze op artikel 217 Rv gebaseerde vordering is overbodig. Reeds uit het bepaalde in artikel 214 Rv vloeit voort dat de waarborg, Klaus Kuhn, zich in de hoofdzaak aan de zijde van de gewaarborgde, Burckhardt, mag voegen. Daartoe is geen rechterlijk verlof vereist en derhalve evenmin een incidentele vordering als de onderhavige. Klaus Kuhn hoeft, als zij zich aan de zijde van Burckhardt wil voegen in de hoofdzaak, deze keuze alleen maar kenbaar te maken aan de rolrechter en de partijen in de hoofdzaak. Klaus Kuhn zou indien zij dat eerder kenbaar had gemaakt (ook) in de gelegenheid zijn gesteld om een conclusie van antwoord te nemen en zij zou ook zijn opgeroepen voor de comparitie van partijen. De rechtbank wijst erop dat met het oog op de eisen van een goede procesorde, mede gelet op de gerechtvaardigde belangen van partijen in de hoofdzaak, een dergelijke voeging in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure behoort te worden geeffectueerd. Thans komt de hoofdzaak voor conclusie van dupliek te staan.

2.3.

Klaus Kuhn zal in de proceskosten van het incident ex artikel 217 Rv worden veroordeeld, nu uit het voorgaande volgt dat zij dit incident nodeloos heeft veroorzaakt. Gelet op de refertes aan de zijde van Zeeland Refinery en Burckhardt worden de kosten aan die zijden begroot op nihil.

3 De beoordeling in het incident ex artikel 843a Rv

3.1.

De rechtbank verwijst naar hetgeen in het vonnis in incident van 4 juli 2018 is overwogen.

3.2.

Zeeland Refinery vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Burckhardt te veroordelen binnen twee weken na vonnis in het incident, te verstrekken aan Zeeland Refinery: (i) de onderzoeksresultaten van het (interne) onderzoek van Burckhardt naar de nitreerlaag, zoals omschreven in het memorandum van 5 april 2016, en (ii) de vrijwaringsdagvaarding van Burckhardt aan Klaus Kuhn, zulks op straffe van een dwangsom, met kostenveroordeling.

3.3.

Zeeland Refinery heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat aan de wettelijke vereisten is voldaan, en dat zich bovendien geen van de weigeringsgronden voordoet.

3.4.

Burckhardt voert verweer en concludeert dat de incidentele vordering dient te worden afgewezen, met kostenveroordeling. Zij voert daartoe - verkort weergegeven - het volgende aan.
Bij de hoofdzaak en vrijwaringszaak gaat het om twee afzonderlijke procedures. Een van de gevolgen daarvan is dat eiser in de hoofdzaak geen recht heeft op stukken uit de vrijwaring. De processtukken van de in de vrijwaringsprocedure betrokken partijen hebben niet te gelden als bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij (ook) eiser in de hoofdzaak betrokken is. Het is bovendien nog maar zeer de vraag of processtukken überhaupt als "bescheiden" in de zin van artikel 843a Rv kunnen worden aangemerkt zodat ook om die reden de vordering niet kan worden toegewezen. Niettemin heeft Burckhardt zonder dat daartoe enige rechtsplicht bestaat een afschrift van de vrijwaringsdagvaarding overgelegd. De vrijwaringsdagvaarding is niet uitgebracht naar aanleiding van enig (intern) onderzoek dat Burckhardt naar de nitreerlaag heeft gedaan. Burckhardt heeft inderdaad onderzoek laten doen. De uitkomsten daarvan heeft zij bij conclusie van antwoord in het geding gebracht als Bijlage 50 bij het als productie 35 overgelegde rapport van SSC. Van enig ander onderzoek is geen sprake.

3.5.

De rechtbank stelt voorop dat aan de toewijsbaarheid van een vordering op grond van artikel 843a Rv een drietal cumulatieve voorwaarden is verbonden. De eiser dient een rechtmatig belang te hebben bij inzage of afgifte van de desbetreffende bescheiden, het moet gaan om bepaalde bescheiden en de bescheiden moeten betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin eiser partij is. Mocht aan deze voorwaarden zijn voldaan dan kan degene die de bescheiden onder zich heeft niettemin op grond van gewichtige redenen of omdat inzage onnodig is voor een behoorlijke rechtspleging inzage in de betrokken bescheiden weigeren. Er bestaat derhalve geen ongeclausuleerd recht op inzage dan wel afgifte op grond van deze bepaling.

3.6.

Vast staat dat naar aanleiding van het geschil in de hoofdzaak tussen Zeeland Refinery en Burckhardt een vrijwaringsprocedure aanhangig is gemaakt tussen Burckhardt en Klaus Kuhn. De in die zaak uitgebrachte dagvaarding, exclusief producties, heeft Burckhardt in dit incident in afschrift overgelegd.

3.7.

In de hoofdzaak rust in beginsel op Zeeland Refinery de bewijslast van haar stelling dat de nitreerlaag van de cilindervoeringen die zijn gebruikt in de tweede en derde compressortrap van de door Burckhardt aan Zeeland Refinery geleverde waterstofcompressor niet voldeden aan de daaraan te stellen eisen.

3.8.

Zeeland Refinery wil haar stellingen nader onderbouwen en wil eventueel bewijs leveren mede met behulp van de vrijwaringsdagvaarding, inclusief - naar de rechtbank begrijpt - de daarbij overgelegde producties.

3.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Zeeland Refinery daarmee een voldoende belang bij inzage in de dagvaarding inclusief producties in de vrijwaringsprocedure tussen Burckhardt en Klaus Kuhn.

3.10.

De stukken waarvan Zeeland Refinery inzage verlangt hebben mede betrekking op de rechtsbetrekking tussen haar en Burckhardt, want ook in de procedure tussen Burckhardt en Klaus Kuhn draait het om de vraag of sprake was van een gebrekkige nitreerlaag.

3.11.

De rechtbank acht de vordering tot inzage in de vrijwaringsdagvaarding, inclusief alle producties, voldoende bepaald. Het betreft stukken, die naar herkomst, aard en aantal voldoende zijn afgebakend en die in voldoende verband staan met het geschil in de hoofdzaak. Dat het hier "bescheiden" in de zin van artikel 843a Rv betreft, acht de rechtbank evident.

3.12.

Aangezien gewichtige redenen die in de weg staan aan inzage in de vrijwaringsdagvaarding, inclusief alle producties, zijn gesteld noch anderszins zijn gebleken, zal de rechtbank de vordering toewijzen in de hierna te vermelden vorm.

3.13.

Er bestaat geen aanleiding om Burckhardt daarnaast te bevelen ook de onderzoeksresultaten van het (interne) onderzoek van Burckhardt naar de nitreerlaag ter beschikking te stellen. Burckhardt heeft aangevoerd dat zij de uitkomsten van het onderzoek dat zij heeft laten doen reeds bij conclusie van antwoord in het geding heeft gebracht en dat er geen ander onderzoek is. Mede gelet op het bepaalde in artikel 21 Rv gaat de rechtbank ervan uit dat Burckhardt de op dit punt voor de beslissing van belang zijde feiten volledig en naar waarheid heeft aangevoerd en dat de passage "de uitkomsten van dat onderzoek" (incidentele conclusie van antwoord onder 2.10) niet anders (beperkter) moet worden begrepen dan de door Zeeland Refinery genoemde "onderzoeksresultaten".

3.14.

De rechtbank zal bevelen dat Burckhardt de dagvaarding, inclusief alle producties, in de vrijwaringsprocedure tussen Burckhardt en Klaus Kuhn aan Zeeland Refinery in afschrift ter beschikking dient te stellen. De rechtbank zal hieraan een termijn verbinden van twee weken na dagtekening van dit vonnis.

Aan het bevel zal een dwangsom worden gekoppeld van € 2.000,- per dag dat Burckhardt na ommekomst van de termijn van twee weken in gebreke blijft aan het bevel te voldoen, tot een maximum van € 100.000,-.

3.15.

De slotsom is dat de incidentele vordering van Zeeland Refinery zal worden toegewezen op de wijze als hiervoor omschreven. De kosten van de procedure in het incident ex artikel 843a Rv zullen bij de afwikkeling van de hoofdzaak worden meegenomen.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident ex artikel 217 Rv

4.1.

wijst het gevorderde af,

4.2.

verstaat dat Klaus Kuhn zich op grond van het bepaalde in artikel 214 Rv in de hoofdzaak aan de zijde van Burckhardt mag voegen door de wens daartoe aan de rolrechter en partijen in de hoofdzaak kenbaar te maken, waarna zij in de hoofdzaak op de rol van 13 november 2019 een conclusie zal mogen nemen,

4.3.

veroordeelt Klaus Kuhn in de kosten van het incident, aan de zijde van zowel Zeeland Refinery als Burckhardt tot op heden begroot op € 0,00,

in het incident ex artikel 843a Rv

4.4.

beveelt dat Burckhardt binnen een termijn van twee weken na dagtekening van dit vonnis aan Zeeland Refinery een afschrift verstrekt van de dagvaarding, inclusief alle producties, in het vrijwaringsgeschil tussen Burckhardt en Klaus Kuhn, op straffe van een dwangsom van € 2.000,- per dag dat Burckhardt na ommekomst van de termijn van twee weken niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 100.000,-,

4.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 4.4 verwoorde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het in de hoofdzaak te wijzen eindvonnis,

4.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak

4.8.

verwijst de zaak naar de rol van 13 november 2019 voor conclusie van dupliek.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. J. van den Bos en mr. M.J. Drop en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2019.
[1729;1407;3028]