Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7746

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
C/10/553042 / FA RK 18-4877
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vaststellen omgangs-/contactregeling tijdens lopende ondertoezichtstelling van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/553042 / FA RK 18-4877

Beschikking van 17 januari 2019 betreffende het ouderlijk gezag/de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , gemeente [gemeente] , [adres vrouw] ,

advocaat mr. M. Hoogeveen te Gouda,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

advocaat mr. L.A. Middelkoop te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 juni 2018;

  • -

    het F-formulier van 21 juni 2018, waarin wordt bericht dat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam zich in deze zaak stelt als advocaat voor de man;

  • -

    het F-formulier, met bijlage, van de zijde van de vrouw, van 30 juli 2018;

  • -

    het F-formulier van 4 oktober 2018, waarin wordt bericht dat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam zich aan deze zaak onttrekt als advocaat voor de man;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 25 oktober 2018;

  • -

    het F-formulier, met bijlage, van de zijde van de man, van 29 oktober 2018;

  • -

    het F-formulier, met bijlagen, van de zijde van de vrouw, van 6 november 2018.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 november 2018.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat;

  • -

    de man met zijn advocaat;

  • -

    de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 1] ;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 2] .

De advocaat van de vrouw heeft tijdens de zitting pleitnotities voorgedragen en overgelegd.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] (hierna ook: [voornaam minderjarige] ), geboren op [geboortedatum minderjarige] 2012 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.2.

[voornaam minderjarige] woont bij de vrouw. Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.3.

[voornaam minderjarige] is onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 20 oktober 2019.

2.4.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2016 is – voor zover hier van belang – de volgende contactregeling tussen de man en [voornaam minderjarige] bepaald:

  • -

    [voornaam minderjarige] verblijft bij de man om de week gedurende twee en een half uur in aanwezigheid van de gezinsvoogdijwerker of een door Bureau Jeugdzorg akkoord bevonden derde.

  • -

    De contactregeling wordt uitgevoerd aan de hand van beslissingen van Bureau Jeugdzorg.

  • -

    Bureau Jeugdzorg kan de regeling aanpassen waar nodig en zal de regeling uitbreiden zodra dat in het belang van [voornaam minderjarige] mogelijk is.

2.5.

De vrouw en de man hebben beiden – in ieder geval – de Nederlandse nationaliteit.

3 De beoordeling

3.1.

Gezag

3.1.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige [voornaam minderjarige] alleen aan haar toekomt.

3.1.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.1.3.

Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW vermelde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

3.1.4.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat het voor ouders mogelijk is dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van hun kinderen tot stand komen op een manier die niet belastend is voor hun kinderen.

Tijdens de zitting en uit de overgelegde stukken is gebleken dat het voor partijen niet mogelijk is op een rustige manier en zonder strijd contact met elkaar te hebben over [voornaam minderjarige] . Ook in het kader van de ondertoezichtstelling, waarvan inmiddels al vijf jaar sprake is, is het niet gelukt om de communicatie tussen partijen te verbeteren.

3.1.5.

Zorgwekkend is dat een en ander niet ongemerkt aan [voornaam minderjarige] is voorbijgegaan. Duidelijk is geworden dat [voornaam minderjarige] – die ‘ouder en wijzer’ wordt – last heeft van de strijd tussen zijn ouders. Een en ander komt naar voren uit de op 30 oktober 2018 vastgestelde schriftelijke uitwerking van de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 9 oktober 2018, waarin de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] is verlengd. Ook de speltherapeute van [voornaam minderjarige] schrijft in haar observatieverslag van 7 september 2018 dat zij ziet dat het voor [voornaam minderjarige] verwarrend is en dat het hem boos en verdrietig maakt dat de relatie tussen zijn ouders met veel spanningen gepaard gaat.

In de toenemende belasting die [voornaam minderjarige] ervaart door de problematische verhouding tussen zijn ouders ziet de rechtbank een wijziging van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 1:253n BW, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek.

3.1.6.

Het is in het belang van [voornaam minderjarige] dat er niet telkens onrust ontstaat over kwesties waarover de vrouw de man als mede met het gezag belaste ouder om toestemming moet vragen. Weliswaar heeft de man erop gewezen dat hij uiteindelijk overal zijn toestemming voor heeft gegeven, maar hij heeft ook erkend dat hij in ieder geval de laatste keer aanvankelijk weigerde om zijn toestemming voor een vakantie van de vrouw en [voornaam minderjarige] in het buitenland te geven, om zo een gesprek met de vrouw af te dwingen. Volgens de vrouw en de jeugdbeschermer heeft de man in het verleden wel vaker ‘tegenverzoeken’ gedaan of voorwaarden gesteld als de vrouw hem om toestemming vroeg voor bepaalde beslissingen over [voornaam minderjarige] , zoals de

De soms onvoorspelbare opstelling van de man – ook al komt die misschien voort uit betrokkenheid van de man op [voornaam minderjarige] – zorgt ervoor dat de vrouw er niet op kan vertrouwen dat zij op de man kan rekenen als het gaat om het nemen van beslissingen

die in het belang van [voornaam minderjarige] zijn.

Daar komt bij dat voor [voornaam minderjarige] door de speltherapeute behandeling is geadviseerd, om hem te helpen zich staande te houden in de voor hem verwarrende situatie waarin sprake is van strijd tussen zijn ouders. Daarbij is opgemerkt dat de behandeling van [voornaam minderjarige] pas kan starten als de context stabiel en veilig is. Het is dus belangrijk dat er randvoorwaarden worden gecreëerd die zoveel mogelijk rust bieden voor [voornaam minderjarige] . Met het gezamenlijk ouderlijk gezag samenhangende discussies tussen zijn ouders, met de bijbehorende spanningen, horen daar niet bij.

3.1.7.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:251a lid 1 sub b BW, in het belang van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag over hem wordt gewijzigd, in die zin dat het gezag over hem voortaan aan de vrouw alleen toekomt.

Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen.

3.2.

Zorgregeling

3.2.1.

De vrouw verzoekt wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van

8 januari 2016, in die zin dat de bij die beschikking vastgestelde zorgregeling wordt beëindigd en dat aan de raad voor de kinderbescherming wordt gevraagd een onderzoek in te stellen met betrekking tot de vraag of het in het belang van [voornaam minderjarige] is om omgang te hebben met de man, en zo ja, welke regeling zou kunnen worden vastgesteld.

3.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij doet daarbij een zelfstandig verzoek om de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2016 te wijzigen, in die zin dat een zorgregeling zal worden vastgesteld als volgt:

  • -

    gedurende de eerste drie maanden verblijft [voornaam minderjarige] één zaterdag per veertien dagen van 14.00 uur tot 17.00 uur bij de man;

  • -

    gedurende de daaropvolgende drie maanden verblijft [voornaam minderjarige] één zaterdag per veertien dagen van 9.00 uur tot 17.00 uur bij de man;

  • -

    na zes maanden verblijft [voornaam minderjarige] één weekend per veertien dagen van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man.

3.2.3.

Met betrekking tot het verzoeken van ieder van partijen ten aanzien van het contact tussen de man en [voornaam minderjarige] , geldt dat deze verzoeken – omdat de vrouw met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] zal worden belast – dienen te worden beoordeeld aan de hand van artikel 377a van boek 1 BW.

Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.2.4.

De man wil graag contact met [voornaam minderjarige] , en ook de vrouw heeft tijdens de zitting verklaard dat zij het belang inziet van contact tussen de man en [voornaam minderjarige] en dat zij [voornaam minderjarige] niet zijn contact met de man wil ontnemen.

Vast staat ook dat staat dat de man en [voornaam minderjarige] een warme en liefdevolle band met elkaar hebben, en dat er een wettelijk recht op omgang is. Er zijn geen ontzeggingsgronden, dus de door de vrouw verzochte beëindiging van de omgangsregeling kan niet aan de orde zijn.

3.2.5.

Ten aanzien van de door hem verzochte uitbreiding van de zorgregeling wijst de man erop dat de speltherapeute in haar observatieverslag van 7 september 2018 heeft geadviseerd bezoeken en contact onbegeleid te laten plaatsvinden, zij het dat er wel begeleiding zou moeten zijn in de vorm van psycho-educatie.

De raad heeft daartegenover tijdens de zitting juist het belang van begeleiding van het contact tussen de man en [voornaam minderjarige] benadrukt. Daarbij is gewezen op de psychische problematiek en de persoonlijkheidskenmerken die enkele jaren geleden door een psychiater bij de man zijn vastgesteld, en die maken dat de man – vooral in situaties waarin hij zich overvraagd of onder druk gezet voelt – soms grenzeloos en onvoorspelbaar kan reageren. Daarbij is het voor de man moeilijk om kritisch naar zijn eigen gedrag of opstelling te kijken of zijn eigen aandeel in ontstane situaties of problemen te erkennen.

Dit valt de man niet te verwijten, maar het is wel een gegeven waarmee rekening moet worden gehouden en waardoor de mogelijkheden van contact tussen de man en [voornaam minderjarige] worden begrensd. Juist om dit contact – dat leuk en warm is – ook in de toekomst goed en zo ontspannen mogelijk te laten zijn, is en blijft naar het oordeel van de rechtbank begeleiding nodig.

3.2.6.

Het bovenstaande betekent dat de rechtbank geen mogelijkheden ziet voor de onbegeleide en uitgebreide omgangsregeling die de man verzoekt. Het zelfstandig verzoek daarom worden afgewezen.

Wel zal, met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2016 op dit punt, een ruimere kring van mogelijke begeleiders van het contact worden aangewezen, namelijk de jeugdbeschermer, Coach-Point of een soortgelijke instantie.

Voor het overige blijft de beschikking van 8 januari 2016 gehandhaafd, wat betekent dat de uitvoering van de omgangsregeling en eventuele aanpassingen daarin vooralsnog worden overgelaten aan de jeugdbeschermer, zoals dat ook in de afgelopen jaren al het geval was.

3.2.7.

Uit het bovenstaande volgt al dat de rechtbank nu niet aan de raad zal vragen een onderzoek in te stellen met betrekking tot de vraag of het in het belang van [voornaam minderjarige] is om omgang te hebben met de man, en zo ja, welke regeling zou kunnen worden vastgesteld. Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.

3.3.

Proceskosten

3.3.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2012 te [geboorteplaats minderjarige] , voortaan aan de vrouw toekomt;

4.2.

wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2016 onder 4.1. gegeven beslissing inzake de contactregeling, in die zin dat achter het eerste gedachtestreepje van die regeling nu komt te staan:

- [voornaam minderjarige] verblijft bij de man om de week gedurende twee en een half uur, in aanwezigheid van de jeugdbeschermer of een begeleider van Coach-Point of een soortgelijke instantie;

4.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.J. van den Boogaard op 17 januari 2019.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.