Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7740

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
C/10/561853 / FA RK 18-8808
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vaststellen zorgregeling tijdens lopende ondertoezichtstelling van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Familie

zaakgegevens : C/10/561853 / FA RK 18-8808

datum uitspraak: 14 maart 2019

beschikking wijzigen zorgregeling


in de zaak van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam.

betreffende

[naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2002 te [geboorteplaats kind 1] , hierna te noemen [naam kind 1] ,

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2003 te [geboorteplaats kind 2] , hierna te noemen [naam kind 2] ,

[naam kind 3] , geboren op [geboortedatum kind 3] 2008 te [geboorteplaats kind 3] , hierna te noemen [naam kind 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats vader] ,

Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad,

wonende te Eindhoven.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de GI van 5 november 2018, ingekomen bij de griffie op 05 november 2018;

- de brief met bijlagen van de GI van 28 november 2018.

1.2.

Op 14 februari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord is:

- de moeder en haar partner [naam] ,

- de vader,

- een vertegenwoordiger van de Raad, de heer [naam vertegenwoordiger] ,

- twee vertegenwoordigsters van de GI, [naam vertegenwoordigster 1] en [naam vertegenwoordigster 2] .

1.3.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de minderjarigen [naam kind 1] en [naam kind 2] .

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] wordt uitgeoefend door de ouders. Zij hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

2.2.

Bij beschikking van 27 oktober 2017 zijn [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] onder toezicht gesteld van de GI tot 27 oktober 2018. Deze ondertoezichtstelling is bij beschikking van 16 oktober 2018 verlengd tot 27 oktober 2019.

2.3.

De rechtbank heeft bij echtscheidingsbeschikking van 28 augustus 2015 een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld, in die zin dat het contact tussen de vader en de minderjarigen in onderling overleg tussen de ouders zal worden bepaald. Bij beschikking van 30 mei 2018 heeft de kinderrechter deze zorgregeling gewijzigd, in die zin dat [naam kind 2] en [naam kind 3] eens in de twee weken op zondagmiddag van 12.00 uur tot 17.00 uur de vader zullen bezoeken.

3 Het verzoek

De GI heeft verzocht de door de kinderrechter op 30 mei 2018 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat het contact tussen de vader en de minderjarigen tijdelijk wordt stopgezet voor de duur van zes maanden.

4 De standpunten

4.1.

De GI stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat de omgang tussen de vader en [naam kind 3] sinds augustus 2018 niet goed meer verloopt en er sinds half september 2018 zelfs helemaal geen contact meer is geweest. De vader houdt zich volgens de GI niet aan de afspraken en verschijnt te pas en te onpas op school en bij moeder thuis. Daarnaast is er veel onrust rondom het gezin geweest doordat de vader onder meer bij de kerk van moeder heeft gedemonstreerd over seksueel misbruik. Hij heeft hierover een rapnummer gemaakt en dit op Youtube geplaatst. De zorgregeling tussen de vader en [naam kind 2] wordt volgens de GI ook niet meer nageleefd, omdat [naam kind 2] dit niet meer wil. [naam kind 1] bepaalt zelf wanneer hij contact heeft met zijn vader. Voor wat betreft de zorgregeling tussen de vader en [naam kind 3] stelt de GI ter zitting voor dat [naam kind 3] eens in de twee weken op donderdag tussen de middag bij oma (vaderszijde) verblijft en dat vader daar in de gelegenheid is om [naam kind 3] te zien (zonder dat deze regeling wordt vastgelegd in een beschikking).

4.2.

De moeder is het eens met het verzoek van de GI en merkt op dat de laatste jaren alles al is geprobeerd om uitvoering te geven aan een zorgregeling.

4.3.

De vader vindt het een verstrekkend verzoek. De vader sluit zich wel aan bij het verzoek van de GI om te proberen een regeling tussen [naam kind 3] en oma vaderszijde uit te voeren.

4.4.

De raad ziet dat de vader geen gestructureerde zorgregeling kan uitvoeren, terwijl de minderjarigen een ongestructureerde zorgregeling niet aan kunnen. De raad steunt het verzoek.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter kan de hiervoor genoemde regeling op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.2.

Vast staat dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat al langere tijd geen uitvoering meer wordt gegeven aan de bij beschikking van 30 mei 2018 bepaalde zorgregeling. De GI is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

5.3.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het vastleggen van een zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen niet werkt. Vast staat dat de vader zich niet aan afspraken hield en dat de afgelopen periode onrustig is geweest. Ter zitting stelt de GI dat rondom het huis van de vader mensen verblijven waar zij zorgen over hebben. [naam kind 3] zelf zorgde er tijdens contactmomenten met haar vader al voor dat er nog iemand aanwezig was, vandaar dat de GI voorstelt om het contact tussen [naam kind 3] en vader bij oma te laten plaatsvinden. Op die manier is er altijd iemand die [naam kind 3] kan opvangen als dit nodig is. Tussen de vader en [naam kind 2] is inmiddels geen contact meer, omdat [naam kind 2] dit niet wil. [naam kind 1] bepaalt zelf wanneer hij zijn vader ziet.

De kinderrechter is van oordeel dat [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] klem zitten tussen de ouders. Er zijn nog steeds confrontaties tussen de ouders en de onderlinge strijd is nog aanwezig. De kinderrechter acht het van belang dat er rust voor [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] komt. De rechtbank hoopt dat de rust vanzelf wederkeert als er geen vaste zorgregeling meer tussen de vader en de minderjarigen is en de GI de ruimte wordt gegeven om te beoordelen of de minderjarigen behoefte hebben aan (meer) contact met hun vader en dit in hun belang is. Met de GI en de raad is de kinderrechter dan ook van oordeel dat de huidige zorgregeling tijdelijk moet worden stopgezet, in die zin dat de GI in de komende periode in onderling overleg met de ouders zal beproeven of contact tussen de vader en de minderjarigen mogelijk is en hoe dit eruit moet komen te zien. De kinderrechter zal het verzoek van de GI daarom toewijzen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijzigt de zorgregeling in die zin dat de regeling voor de duur van zes maanden wordt stopgezet en bepaalt als volgt:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Dordrecht zal in onderling overleg met de ouders beproeven of er contact tussen de vader en de minderjarigen mogelijk is en hoe dit kan worden vormgegeven;

6.2.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.