Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7737

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
C/10/552820 / FA RK 18-4769
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vaststellen zorgregeling tijdens lopende ondertoezichtstelling van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/552820 / FA RK 18-4769

Beschikking van 8 maart 2019 betreffende de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , gemeente Hoeksche Waard, [adres vrouw] ,

advocaat mr. L.L.A. Cox te Nijmegen,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] , gemeente Hoeksche Waard, [adres man] ,

advocaat mr. J-M.F. Honders te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 15 juni 2018;

  • -

    het F-formulier, met bijlage, van de zijde van de vrouw, van 13 juli 2018;

  • -

    het F-formulier, met bijlagen, van de zijde van de vrouw, van 21 januari 2019;

  • -

    het F-formulier, met bijlagen, van de zijde van de man, van 24 januari 2019;

  • -

    het F-formulier, met bijlage, van de zijde van de man, van 25 januari 2019.

1.2.

Door mr. E. Maalsen te Nijmegen, behandelend advocaat van de vrouw, is verzocht de op 25 januari 2019 bepaalde mondelinge behandeling van de zaak aan te houden. De rechtbank heeft daarvoor echter onvoldoende aanleiding gezien.

1.3.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 januari 2019, gelijktijdig met de voortgezette behandeling van de zaak met nummer C/10/452350 / FA RK 14-4406 (verzoek van de man om samen met de vrouw belast te worden met het ouderlijk gezag over het minderjarige kind van partijen en aanvullend verzoek van de man tot het vaststellen van een zorg- dan wel omgangsregeling voor de vakanties en feestdagen) en de behandeling van de zaak met nummer C/10/563994 / JE RK 18-3832 (verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west tot verlenging van de ondertoezichtstelling).

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de advocaat van de vrouw;

  • -

    de man met zijn advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 1] ;

  • -

    de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west (hierna: de GI), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 2] .

De vrouw is, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De vrouw en de man hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[naam kind] (hierna ook: [naam kind] ), geboren op [geboortedatum kind] 2008 te [geboorteplaats kind] .

2.3.

[naam kind] woont bij de vrouw, die van rechtswege het ouderlijk gezag over haar uitoefent. De man heeft [naam kind] erkend.

2.4.

Bij (tussen)beschikking van deze rechtbank van 8 april 2016 in de zaak met nummer C/10/452350 / FA RK 14-4406 is – voor zover hier van belang – een omgangsregeling vastgesteld die inhoudt dat de man [naam kind] één keer per twee weken vanaf vrijdagmiddag na school tot zondagmiddag 17.00 uur bij zich zal hebben, waarbij hij [naam kind] bij de vrouw ophaalt en weer bij haar terugbrengt. Ook is bij deze (tussen)beschikking bepaald dat de man [naam kind] voorlopig in de zomervakantie van 2016 één week aaneengesloten bij zich mag hebben en dat hij haar tijdens de overige schoolvakanties (naast de omgangsregeling) een extra dag bij zich mag hebben, waarbij de extra dag zal aansluiten bij de weekendregeling die tijdens de vakanties wordt uitgevoerd.

2.5.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van 11 oktober 2018 (zaaknummer C/10/557511 / KG ZA 18-954) zijn de stukken in handen van de raad gesteld, met het verzoek om onderzoek of andere bemoeienis met betrekking tot de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht en het rapport dienaangaande tegen de datum van de zitting waarop het gezag en de omgangsregeling dan wel de zorgregeling in de bodemprocedures met de zaaknummers C/10/452350 / FA RK 14-4406 en C/10/552820 FA RK 18-4769 worden behandeld aan de rechtbank te doen toekomen.

2.6.

De vrouw en de man hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.

3 De beoordeling

3.1.

Belanghebbende

3.1.1.

De vrouw noemt in haar verzoekschrift haar echtgenoot als belanghebbende.

3.1.2.

Ondanks het feit dat de echtgenoot van de vrouw ook de stiefvader van [naam kind] is, heeft deze zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten of verplichtingen. De echtgenoot van de vrouw is daarom door de rechtbank niet als belanghebbende aangemerkt.

3.2.

Omgangsregeling (zorgregeling)

3.2.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de bij (tussen)beschikking van deze rechtbank van 8 april 2016 vastgestelde omgangsregeling wordt stopgezet dan wel tijdelijk wordt stopgezet, althans dat een zodanige regeling wordt vastgesteld als de rechtbank in goede justitie geraden acht.

3.2.2.

De man heeft ter zitting mondeling gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.3.

Partijen zijn bij beschikking van 22 februari 2019 (in de zaak met nummer C/10/452350 / FA RK 14-4406) met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [naam kind] belast.

Het wettelijk uitgangspunt is dan dat de man, als mede met het gezag belaste ouder, en [naam kind] recht hebben op contact met elkaar en blijkens de wetsgeschiedenis dient altijd een regeling te worden bepaald.

Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, alleen een tijdelijk verbod aan een ouder worden opgelegd om met een kind contact te hebben als:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling

van het kind, of

de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.2.4.

Gelet op het bovenstaande leest de rechtbank het verzoek van de vrouw als een verzoek om een tijdelijk verbod aan de man op te leggen om contact te hebben met [naam kind] .

3.2.5.

Bij beschikking van 25 januari 2019 in de zaak met nummer C/10/563994 / JE RK 18-3832 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd. In die beschikking is overwogen dat het voor [naam kind] belastend is dat zij moet opgroeien in een situatie waarin de mensen die voor haar het belangrijkst zouden moeten zijn (haar ouders en haar stiefvader) geen contact meer met elkaar hebben en elkaar niet vertrouwen. Verder is in die beschikking overwogen dat ook uit het door de vrouw overgelegde eindverslag van Enver naar voren komt dat in het daar in gang gezette hulpverleningstraject al snel duidelijk werd dat [naam kind] veel spanningen ervaart door de strijd tussen de volwassenen om haar heen en dat het voor haar moeilijk is om zich staande te houden.

3.2.6.

De rechtbank betreurt de situatie waarin [naam kind] terecht is gekomen.

Het is zorgwekkend dat er, doordat de vrouw de eerder vastgestelde omgangsregeling heeft stopgezet en [naam kind] in de loop van de tijd de man meer en meer is gaan afwijzen, al meer dan een half jaar geen ruimte is voor een rol van de man in het leven van [naam kind] . Een uitsluiting van één van de ouders betekent bijna altijd een stagnering in de verdere ontwikkeling van een kind, met name als het gaat om de identiteitsontwikkeling.

3.2.7.

In de huidige situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van gronden die een tijdelijk contactverbod zouden rechtvaardigen.

Onder verwijzing naar wat daarover in de beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2019 in de zaak met nummer C/10/452350 / FA RK 14-4406 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het juist in het belang van [naam kind] is dat het contact tussen de man en [naam kind] zo snel mogelijk zal worden hersteld.

3.2.8.

Op grond van het bovenstaande zal het verzoek van de vrouw om de man tijdelijk te verbieden contact te hebben met [naam kind] worden afgewezen, en zal een beslissing over dit contact worden genomen gelijk als in de zaak met nummer C/10/452350 / FA RK 14-4406.

Zoals ook in de beschikking in die zaak is overwogen, gaat het hierbij om een eindbeslissing en zal de behandeling niet worden aangehouden.

3.3.

Proceskosten

3.3.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat het aan de jeugdbeschermer wordt overgelaten om, met oog voor wat de minderjarige [naam kind] , geboren op [geboortedatum kind] 2008 te [geboorteplaats kind] , aankan, zo snel mogelijk toe te werken naar contactherstel tussen de man en [naam kind] en om de vervolgstappen te zetten om na verloop van tijd weer te komen tot het in praktijk brengen van de eerder bij (tussen)beschikking van deze rechtbank van 8 april 2016 vastgestelde omgangsregeling;

4.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter, tevens kinderrechter, en

in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.J. van den Boogaard op

8 maart 2019.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.