Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7715

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
07-10-2019
Zaaknummer
ROT 18/6101, ROT 18/6154, ROT 18/6521 en ROT 19/913
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitnodigingen voor gesprek en uitkeringsspecificatie zijn geen Awb-besluiten. Ontheffing

van re-integratieverplichtingen is niet mogelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: ROT 18/6101, ROT 18/6154, ROT 18/6521 en ROT 19/913

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2019 in de zaken tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. I. Plaisier.

Procesverloop

ROT 18/6101

Bij brief van 1 mei 2018 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een gesprek op

8 mei 2018 over de voortgang bij ExIT.

Bij besluit van 19 oktober 2018 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 1 mei 2018 niet-ontvankelijk verklaard.

ROT 18/6154

Bij mail van 6 september 2018 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een gesprek op

14 september 2018.

Bij besluit van 23 oktober 2018 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de mail van 6 september 2018 niet-ontvankelijk verklaard.

ROT 18/6521

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een “Uitkeringsspecificatie Bijzondere Bijstand juni 2018” van 27 september 2018 met daarop vermeld een bedrag van € 193,99 ter zake van “WKT huurwoning/koopwoning”

Bij besluit van 13 november 2018 (bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de uitkeringsspecificatie niet-ontvankelijk verklaard.

ROT 19/913

Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft verweerder eiseres over de periode van

22 oktober 2018 tot en met 21 oktober 2020 ontheffing verleend van arbeidsverplichtingen en de tegenprestatie in het kader van de Participatiewet (Pw). Verweerder heeft tevens besloten dat eiseres zich tijdens de ontheffingsperiode wel moet houden aan re-integratieverplichtingen.

Bij besluit van 14 januari 2019 (bestreden besluit 4) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 oktober 2018 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich in de zaken ROT 18/6101, ROT 18/6521 en ROT 19/913 laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. In ROT 18/6154 is verweerder met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres heeft met haar mail van 26 september 2019 de beroepsgronden ingetrokken met betrekking tot het betwisten van diverse plannen van aanpak en de daarmee samenhangende verzoeken om schadevergoeding in de zaken ROT 18/6101, ROT 18/6154 en ROT 19/913.

ROT 18/6101 en ROT 18/6154

2. Verweerder heeft de bezwaren van eiseres tegen de brief van 1 mei 2018 en de mail van 6 september 2018 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat dit geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).Op grond van deze bepaling wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt gedoeld op een handeling gericht op rechtsgevolg.

2.1.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de uitnodigingen van 1 mei 2018 en van 6 september 2018, wegens het ontbreken van een zelfstandig rechtsgevolg, niet als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb kunnen worden aangemerkt.

2.2.

De beroepen zijn ongegrond.

ROT 18/6521

3. Bij besluit van 2 mei 2018 heeft verweerder aan eiseres bijzondere bijstand voor woonlasten (woonkostentoeslag) verleend. Eiseres krijgt van 4 april 2018 tot en met

3 april 2019 elke maand € 193,99 op haar rekening gestort en krijgt maandelijks een uitkeringsspecificatie.

3.1.

De rechtbank stelt voorop dat aan elke betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag ligt. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan echter niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld. Voor zover over een element van de salaris- of uitkeringsvaststelling al eerder een besluit is genomen en daarin bij een periodieke betaling geen wijziging optreedt, is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL3614).

3.2.

De uitkeringsspecificatie over de maand september 2018 is een herhaling van een eerder genomen beslissing en daarom niet op rechtsgevolg gericht.

De uitkeringsspecificatie kan dus niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het daartegen gerichte bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.3.

Het beroep is ongegrond.

ROT 19/913

4. Verweerder heeft aan de Parnassia Groep een advies gevraagd welke ondersteuning er passend zou zich voor eiseres teneinde haar naar betaald werk te begeleiden. De arts arbeidshulpverlening bij de Parnassia Groep, M.S. Oey, heeft na onderzoek bij rapport van

19 september 2018 geadviseerd om eiseres geen trajecten en trainingen meer aan te bieden en geen tegenprestatie te vragen omdat eiseres belemmeringen ervaart in de interactie met de gemeente.

4.1.

In zijn besluit van 22 oktober 2018 geeft verweerder aan dat eiseres tijdelijk wordt ontheven van arbeidsverplichtingen en de tegenprestatie. Daarbij geeft verweerder aan dat eiseres zich ook tijden de ontheffingsperiode moet houden aan haar re-integratieverplichtingen zoals:

- deelnemen aan activiteiten die haar worden aangeboden om haar kans op betaald werk te vergroten. Bijvoorbeeld een re-integratietraject, een banenmarkt of training op het Werkplein;

- meewerken aan onderzoeken naar de mogelijkheden om aan het werk te gaan;

- sociale activering.

Dit besluit is bij het bestreden besluit gehandhaafd.

4.2.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onrechtmatig is en voert aan dat zij op eigen kracht solliciteert maar, zo heeft de rechtbank op zitting begrepen, ook ontheven wil worden van re-integratieverplichtingen.

4.3.

In artikel 9, eerste lid, van de Pw is het volgende bepaald - voor zover van belang -:

De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;

c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

In het tweede lid is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c.

In het vijfde lid is bepaald dat de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, niet van toepassing zijn op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

4.4.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van artikel 9, tweede lid, van de Pw, ontheffing heeft verleend van arbeidsverplichtingen en van het verrichten van een tegenprestatie. Ontheffing van de re-integratieverplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen b van de Pw is echter slechts mogelijk, indien sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4 van de WIA. Weliswaar blijkt uit het advies van 19 september 2018 dat eiseres te kampen heeft met psychische problemen in de interactie met de gemeente maar gesteld noch gebleken is dat op grond hiervan sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Gelet hierop is er dus geen wettelijke grondslag om eiseres vrijstelling te verlenen van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Pw. Bij de invulling van deze verplichting moet door verweerder rekening worden gehouden met de ontheffing van het verrichten van sollicitaties en van een tegenprestatie. Verweerder mag naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de uit de wet voortvloeiende re-integratieverplichtingen contact houden met eiseres om haar in beeld te houden en acht dit niet strijdig met het advies van 19 september 2018.

4.5.

Hetgeen eiseres overigens naar voren heeft gebracht, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit rechtens niet houdbaar zou zijn.

4.6.

Het beroep is ongegrond.

5. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Nieuwstraten, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan op 3 oktober 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.