Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7712

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
8009217 vv expl 19-376
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had eiser ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst geen vooruitzicht op een dienstverband of een positie elders. Gedaagde is gehouden tot betaling van de overeengekomen vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1033
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8009217 VV EXPL 19-376

uitspraak: 25 september 2019

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. G.S. de Haas,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.W. de Pater.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 5 september 2019, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 september 2019.

[eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd.

Namens [gedaagde] is mr. W.G.M. Vos, kantoorgenoot van mr. R.W. de Pater, verschenen.

Partijen hebben hun standpunt mondeling toegelicht, de gemachtigde van [eiser] onder overlegging van een zittingsnotitie. Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

[eiser] is met ingang van 18 januari 2010 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij (de rechtsvoorgangster) van [gedaagde] in dienst getreden in de functie van zorgcoördinator .

2.2.

Sinds 1 september 2016 staat [eiser] ingeschreven als vennoot van de vennootschap onder firma [naam V.O.F.] (hierna: [naam V.O.F.] ).

2.3.

Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel houdt [naam V.O.F.] zich bezig met:

“SBI-code: 7490 – Overige specialistische zakelijke dienstverlening

SBI-code 45112 - Handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s (geen import van nieuwe)

Bemiddeling bij import, in- en verkoop van gebruikte auto’s;

Handel in gebruikte auto’s.”

2.4.

In oktober 2016 hebben partijen werkafspraken gemaakt in het kader van het functioneren van [eiser] als coördinator. Op het door partijen ondertekende blad zijn, voor zover van belang, de volgende afspraken opgenomen:

“(…)

Datum ingang 5 oktober 2016

(…)

2. Met betrekking tot functioneren als coördinator:

Aantoonbaar 36 uur per week op kantoor, 4 maal 9 uur, werktijden 08.00 tot 17.30 uur

Maandag tot en met donderdag (…)

(…)

Hij niet geacht wordt vanuit huis te werken en dit dus ook niet opgedragen krijgt.

(…)

Hij wordt geacht om tijdens werktijd geen werkzaamheden te verrichten die niets met [gedaagde] te maken hebben (waaronder expliciet zaken die te maken hebben met zijn internetshop of andere handelsactiviteiten).

(…)”

2.5.

[eiser] is met een outplacement traject gestart. Bij brief van 7 maart 2019 is in het kader van het outplacement traject aan [gedaagde] onder meer bericht dat [eiser] zelfstandig solliciteert dat hij daarnaast deels voor zichzelf wil gaan werken en dat hij in redelijkheid en vaststellingsovereenkomst wil voorstellen.

2.6.

Partijen hebben op 17 april 2019 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

Artikel 1. Beëindiging arbeidsovereenkomst

a. De arbeidsovereenkomst eindigt – op initiatief van werkgever – met wederzijds goedvinden per

01 juli 2019 (“einddatum”).

Artikel 2 Beëindigingsvergoeding

a. Als vergoeding naar billijkheid zal werkgever werknemer een bedrag van € 15.000,- bruto betalen (“de vergoeding”). De vergoeding dient ter aanvulling van een elders te verdienen lager loon of enige uitkering krachtens de sociale zekerheidswetten.

b. De vergoeding zal werkgever uiterlijk vier (4) weken na de einddatum voldoen, (…).

c. Bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst verklaart werknemer geen vooruitzicht op een dienstverband of een positie elders te hebben. Indien deze uitdrukkelijke bevestiging van werknemer onjuist blijkt te zijn, is werknemer verplicht de vergoeding van € 15.000,- bruto als genoemd in artikel 2.a zonder korting en / of verrekening aan werkgever terug te betalen.

(…)”

2.7.

Bij brief van 16 juli 2019 heeft [gedaagde] aan [eiser] , voor zover van belang, het volgende bericht:

“(…)

Conform artikel 2c van de vaststellingsovereenkomst heeft u door ondertekening van de vaststellingsovereenkomst, verklaart dat u geen vooruitzicht op een dienstverband of positie elders heeft.

Wij hebben inmiddels voldoende informatie waaruit blijkt dat deze informatie onjuist is en u wel degelijk een positie had en heeft bij het bedrijf [naam V.O.F.] .

U bent sinds 2016 mede eigenaar van dit bedrijf een VOF en uit referenties blijkt dat u daar actief bent.

Dit betekend dat wij de bruto vergoeding van 15.000 euro conform artikel 2c niet aan u zullen uitbetalen.

(…)”

3 De stellingen van partijen

3.1.

[eiser] heeft, verkort weergegeven, gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 15.000,00 bruto, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente en voorts [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling van deze kosten niet binnen 14 dagen plaatsvindt.

3.2.

Aan de vordering heeft [eiser] naast de vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

[gedaagde] is gehouden tot betaling van de overeengekomen vergoeding van € 15.000,- bruto. De door [gedaagde] genoemde (ontbindende) voorwaarde doet zich niet voor. [eiser] had geen vooruitzicht op een nieuw dienstverband c.q. nieuwe positie elders. [gedaagde] was ten tijde van het tekenen van de vaststellingsovereenkomst reeds bekend met de activiteiten van [eiser] bij [naam V.O.F.] en kan dit niet aan [eiser] tegenwerpen.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij de vordering. Voorts maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van € 925,- te vermeerderen met btw aan buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. De tot de dag van dagvaarding vervallen wettelijke rente bedraagt € 23,01.

3.3.

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vordering althans tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en de nakosten.

3.4.

Bij de beoordeling van de vordering zal, voor zover van belang, worden ingegaan op het verweer van [gedaagde] .

4 De beoordeling van de vordering

4.1.

Gelet op de aard van de vordering, betaling van een vergoeding die is bedoeld als aanvulling op een elders te verdienen lager loon of enige uitkering krachtens de sociale zekerheidswetten, heeft [eiser] een spoedeisend belang bij de door hem gevorderde voorziening, zodat [eiser] in zoverre ontvankelijk is in zijn vordering.

4.2.

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.3.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] gehouden is tot betaling van de in artikel 2a van de vaststellingsovereenkomst overeengekomen vergoeding van € 15.000,- bruto.

Daartoe dient te worden beoordeeld of [eiser] bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst vooruitzicht had op een dienstverband of een positie elders.

4.4.

In het licht van de werkafspraken die [gedaagde] en [eiser] per 5 oktober 2016, kort nadat [eiser] vennoot van [naam V.O.F.] was geworden, hebben gemaakt en mede gelet op de verklaring ter zitting van de gemachtigde van [gedaagde] dat [gedaagde] wist van de handel in auto’s maar dacht dat het puur een hobby was en gelet op de mededeling in de brief van 7 maart 2019 van het bedrijf dat het outplacement traject heeft begeleid aan [gedaagde] dat [eiser] zelfstandig solliciteert en deels voor zichzelf wil gaan werken, is voldoende aannemelijk dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst bekend was met de activiteiten van [eiser] bij [naam V.O.F.] . Daarbij komt dat [eiser] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat tijdens het outplacement traject juist gesproken is over het uitbreiden van de activiteiten van [naam V.O.F.] en dat hem ook cursussen zijn aangeboden voor uitbreiding van die activiteiten. De positie die [eiser] ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst bij [naam V.O.F.] had en thans nog heeft, kan daarom naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet aan [eiser] worden tegengeworpen als zijnde een vooruitzicht op een dienstverband of positie elders. Dat [eiser] besloten heeft om de activiteiten uit te breiden, heeft evenmin tot gevolg dat moet worden geoordeeld dat sprake was van een vooruitzicht op een dienstverband of een dienstbetrekking elders, zeker niet nu niet gesteld of gebleken is dat [eiser] daarmee veel geld verdient en bovendien aan [eiser] per 1 juli 2019 een WW-uitkering is toegekend. Bij het opstellen van een vaststellingsovereenkomst als de onderhavige, is het vanzelfsprekend dat de werknemer op zoek gaat naar een nieuwe dienstbetrekking. Het kan echter niet zo zijn dat naast het vinden van een nieuwe dienstbetrekking een werknemer niets zou mogen ondernemen om in zijn inkomen te voorzien naast een WW-uitkering en ter vervanging van die uitkering.

4.5.

Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat [eiser] bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst geen vooruitzicht had op een dienstbetrekking of positie elders en is het voldoende aannemelijk dat [gedaagde] in een bodemprocedure zal worden veroordeeld tot betaling van de overeengekomen vergoeding van € 15.000,- bruto.

4.6.

Omdat de vergoeding is bedoeld ter aanvulling van een elders te verdienen lager loon of enige uitkering krachtens de sociale zekerheidswetten, betreft de vergoeding een vorm van inkomen. Gelet hierop is geen sprake van een normale geldvordering waarvoor in kortgeding strengere eisen gelden om tot toewijzing te komen. Voldoende gebleken is dat [eiser] een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening heeft, zeker nu hem bij brief van 19 augustus 2019 per terugwerkende kracht met ingang van 1 juli 2019 een WW-uitkering is toegekend en het [eiser] voorts is toegestaan daarnaast 20 uur te werken. Daarbij komt dat tegenover de betwisting van [eiser] dat hij flink verdient met de activiteiten bij [naam V.O.F.] onvoldoende gebleken is dat [eiser] beschikt over andere middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Bovendien is het verweer van [gedaagde] dat de WW-uitkering de eerste maanden gelijk is aan het laatst verdiende loon onjuist. In de regel bedraagt de WW-uitkering de eerste twee maanden 75% van het laatst verdiende loon en daarna 70% van het laatste verdiende loon. [eiser] wordt aldus geconfronteerd met een inkomensdaling. De vordering tot betaling van de overeengekomen vergoeding zal daarom worden toegewezen.

4.7.

De gevorderde wettelijke rente komt als op de wet gegrond en overigens niet weersproken voor toewijzing in aanmerking.

4.8.

Nu geen stukken in het geding zijn gebracht waaruit kan worden afgeleid dat daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, zullen de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.

4.9.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan deze uitspraak worden deze kosten vastgesteld op € 104,54 aan dagvaardingskosten, € 486,00 aan griffierecht en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde.

4.10.

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de overeengekomen vergoeding van € 15.000,00 bruto en € 23,01 aan vervallen wettelijke rente een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 15.000,00 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 590,54 aan verschotten en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde, voornoemde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 120,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [gedaagde] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

754