Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7706

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2388
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de door eiseres geïncasseerde dwangsommen wegens niet tijdig beslissen terecht als vermogen aangemerkt. Dit had niet moeten leiden tot een herziening en daarop gebaseerde terugvordering van bijstand, maar tot terugvordering wegens middelen achteraf. Eiseres is door dit verzuim niet benadeeld, zodat het verzuim wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/2388

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2019 in de zaak tussen

[Naam], te [plaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis, verweerder,

gemachtigde: mr. L.J. Bel.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2018 (het primaire besluit), verzonden op 28 oktober 2018, heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de periode van 21 maart 2018 tot en met 30 maart 2018 en € 340,- van eiseres teruggevorderd. Verweerder zal met ingang van 1 november maandelijks 10% inhouden op de bijstandsuitkering ter aflossing van de terugvordering. Verweerder heeft het vrij te laten vermogen per 31 maart 2018 vastgesteld op € 6.020,-.

Bij brief van 6 december 2018 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij brief van 22 januari 2019 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar tegen het primaire besluit.

Verweerder heeft bij besluit van 1 februari 2019 (dwangsombesluit) heeft verweerder het verzoek om een dwangsom afgewezen.

Op 15 maart 2019 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit.

Bij besluit van 1 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Bij besluit van 2 mei 2019 heeft verweerder het bezwaar tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiseres heeft op 13 juni 2019 gronden tegen de ongegrondverklaring van het dwangsombesluit ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2019. Eiseres is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Op grond van artikel 4:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),

heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag, mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voorzover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Op grond van artikel 6:22 van de Awb, kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

1.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij het bestreden besluit ook had moeten beslissen op het bezwaar tegen de dwangsom. De rechtbank ziet dan ook aanleiding het besluit van 2 mei 2019 als nadere motivering van het bestreden besluit aan te merken.

1.3

De rechtbank ziet aanleiding het gebrek dat verweerder niet bij het bestreden besluit ook heeft beslist op het bezwaar tegen de dwangsom, te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, nu aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld.

2.1

Op grond van artikel 4:17 van de Awb verbeurt het bestuursorgaan indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Op grond van het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Op grond van het tweede lid wordt de termijn opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

2.2

Gelet op artikel 7:10, tweede lid, van de Awb kan verweerder alleen met toepassing van deze bepaling de beslistermijn opschorten als sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijk verzuim in het bezwaarschrift van 6 december 2018 geen sprake was. Dit bezwaarschrift bevat immers bezwaargronden en voldoet ook aan de overige vereisten. Dit brengt met zich dat verweerder de beslistermijn op dit bezwaarschrift ten onrechte met drie weken heeft opgeschort.

2.3

Onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 30 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1470 is de rechtbank van oordeel dat nu een commissie is ingesteld, de twaalfwekentermijn direct voortvloeit uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb en dat dit niet afhankelijk is van een mededeling aan eiseres daarover. Aan een beoordeling van de gronden van eiseres of sprake is geweest van een mededeling in de zin van artikel 7:13 van de Awb en de gestelde onduidelijkheid over het mandaatbesluit, komt de rechtbank dan ook niet toe.

2.4

Op het bezwaarschrift van 6 december 2018 had verweerder dan ook binnen twaalf weken na 7 december 2018 (zijnde de laatste dag voor het indienen van het bezwaarschrift) moeten beslissen. De ingebrekestelling van 22 januari 2019 was prematuur nu die nog binnen de 12 weken na 7 december 2018 is gelegen.

2.5

Uit het voorgaande volgt dat geen dwangsom is verschuldigd.

3.1

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten aanzien van de herziening en terugvordering ten grondslag gelegd dat de op 21 maart 2018 door eiseres ontvangen dwangsommen van € 2.320,- als vermogen in de zin van artikel 34 van de Pw dienen te worden aangemerkt. Hierdoor wordt de vermogensgrens met € 340,- overschreden. Het vermogen wordt toegerekend vanaf de datum waarop eiseres erover kon beschikken. Verweerder heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om dit bedrag terug te vorderen.

3.2

Op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Pw, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw bepaalt dat onder vermogen wordt verstaan middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de Pw.

3.3

Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld van
18 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1015, is de rechtbank van oordeel dat dwangsommen tot de middelen behoren die in mindering worden gebracht op de bijstand. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd is de door eiseres op 21 maart 2018 ontvangen dwangsommen, nu deze zijn toe te rekenen aan een periode waarin bijstand is verleend, terug te vorderen. Anders dan eiseres meent, kan het bijstandverlenend orgaan tot terugvordering overgaan, zodra eiseres over de middelen kan beschikken (vergelijk een uitspraak van de Raad van
16 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2607). Dit hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Dat de invordering van deze terugvordering door inhouding met ingang van 1 november 2018 plaatsvindt, staat hier los van. De stelling van eiseres dat zij de bevoegdheid van verweerder tot verrekening betwist omdat een berekening van de beslagvrije voet ontbreekt, volgt de rechtbank niet. Verweerder is tot verrekening bevoegd en heeft daarbij rekening te houden met het feit dat eiseres over een inkomen moet kunnen beschikken dat gelijk is aan de voor haar geldende beslagvrije voet. Eiseres heeft niet met stukken onderbouwd dat zij door de inhouding onder de beslagvrije voet komt.

Onder verwijzing naar eveneens vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld van
20 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:792, is de rechtbank van oordeel dat tijdens een ononderbroken bijstandsperiode maar éénmaal een bedrag ter hoogte van de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Pw kan worden vrijgelaten. Niet in geschil is dat verweerder het restant vrij te laten vermogen bij besluit van 23 oktober 2017 heeft bepaald op € 1.980,- en dat dit besluit inmiddels in rechte vaststaat. De stelling van eiseres dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 19 van de Pw, slaagt gelet op het voorgaande dan ook niet.

4.1

Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen voor zover die bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen de situatie dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

4.2

Voor zover verweerder het bestreden besluit niet reeds op artikel 58, tweede lid aanhef en onder f, ten eerste heeft gebaseerd, maar deze grondslag pas in het verweerschrift aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit evenmin tot een gegrondverklaring van het beroep leidt. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiseres hierdoor niet is benadeeld, zodat de rechtbank aanleiding ziet het eventuele gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

5. Van strijd met het door eiseres aangehaalde motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.

6. Verweerder heeft in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik kunnen maken. De beroepsgronden van eiseres wijzigen dit oordeel niet.

7. Het beroep van eiseres is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op
4 oktober 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.