Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7690

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
ROT 19/295
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boetes voor vervoer van drachtig rund met een draagtijd van tenminste 90 procent. De toezichthouders hebben in de rapporten hun conclusie genoegzaam gemotiveerd. Zij hebben daartoe het nummer van het betreffende rund genoemd en aangegeven op basis van welke kenmerken zij tot de conclusie komen dat sprake was van een dracht van 90 procent of meer, namelijk de beharing, de lengte, en het aantal snijtanden van de kalfjes.

Eiser heeft de conclusies van de toezichthouders evenwel gemotiveerd betwist. Daartoe heeft eiser stukken overgelegd waaruit volgt dat de betreffende runderen in een periode voorafgaande aan de transporten zijn onderzocht door dierenartsen op dracht en dat gelet op de uitkomsten van die onderzoeken geen sprake zou kunnen zijn van een dracht van tenminste 90 procent ten tijde van het transport. Daarnaast heeft eiser twee stukken overgelegd van twee verschillende dierenartsen die de bevindingen van de toezichthouders betwisten. Gelet op al hetgeen door eiser naar voren is gebracht kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat in voldoende mate vast staat dat eiser de overtredingen heeft begaan. De door eiser ingebrachte stukken en verklaringen van dierenartsen bieden twijfel aan de conclusie dat eiser runderen met een dracht van tenminste 90 procent heeft laten vervoeren. Weliswaar heeft een van de toezichthoudend dierenartsen schriftelijk en ter zitting gereageerd op hetgeen namens eiser naar voren is gebracht, maar daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de gerezen twijfel onvoldoende weggenomen. Ook is geen wetenschappelijke onderbouwing geleverd voor de visie van de toezichthoudend dierenartsen over de kenmerken van de kalfjes die tot de conclusie leiden dat sprake is van tenminste 90 procent dracht, terwijl dit wel gemotiveerd door dierenartsen namens eiser is betwist. De boetes zijn ten onrechte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/295

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [vestigingsplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. W.P.N. Remie,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M. Kleijs.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van in totaal € 6.000,- vanwege twee overtredingen van de Wet dieren.

Bij besluit van 12 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door getuige-deskundige [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser twee maal een boete van € 3.000,- opgelegd omdat eiser op 2 september 2017 en op 29 november 2017 als houder van dieren op de plaats van vertrek een drachtig rund liet vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport omdat de draagtijd reeds voor 90 % of meer gevorderd was. Volgens verweerder heeft eiser daarmee een overtreding begaan van artikel 2.5 en artikel 6.2 van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren en met artikel 3, aanhef en onder b, artikel 8, eerste lid, en bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, aanhef en onder c, van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004

inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (de Transportverordening).

2. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op twee rapporten van bevindingen die op respectievelijk 2 september 2017 en 29 november 2017 zijn opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA.

2.1.

In het rapport van bevindingen van 2 september 2017 (02092017/35437) schrijft de toezichthouder onder meer het volgende:

Op 02-09-2017 was ondergetekende, dierenarts en tevens toezichthouder 1, belast met het toezicht op de post-mortem keuring bij [naam] , in [vestigingsplaats] . Volgens afspraak met het bedrijf worden baarmoeders met een kalf erin, waarbij een dracht van meer dan 90% wordt vermoed, apart gehouden en wordt het kalf geïdentificeerd, ter beoordeling aan de officiële dierenarts aangeboden. Bij de beoordeling van het kalf behorende bij het karkas van rund [rund 1] zag ik dat het kalf volledig behaard was. De afstand vanaf het achterhoofd tot de staartbasis bedroeg meer dan 84 cm. In de onderkaak van het kalf waren 8 snijtanden aanwezig (doorgebroken). Ik kon geen plukjes haar van het kalf makkelijk eruit trekken. Op basis van mijn deskundigheid weet ik dat het om een kalf gaat in de laatste 10% van de dracht en dat het nog niet was afgestorven in de baarmoeder in de 48 uren voorafgaand aan de slacht. De houder op de plaats van vertrek liet dieren vervoeren die niet geschikt waren voor het voorgenomen transport omdat het drachtige dieren betrof, waarvan de draagtijd reeds voor 90% of meer gevorderd was, of dieren die in de week ervoor geworpen hadden.

2.2.

In het rapport van bevindingen van 29 november 2017 (29112017/36593) schrijft de toezichthouder onder meer het volgende:

Op 29-11-2017 was ondergetekende, dierenarts en tevens toezichthouder 1, belast met het toezicht op de post-mortem keuring bij [naam] in [vestigingsplaats] . Volgens afspraak met het bedrijf worden baarmoeders met een kalf erin, waarbij een dracht van meer dan 90% wordt vermoed, apart gehouden en wordt het kalf geïdentificeerd, ter beoordeling aan de officiële dierenarts aangeboden. Bij de beoordeling van het kalf behorende bij het karkas van rund [rund 2] zag ik dat het kalf volledig behaard was. De afstand vanaf het achterhoofd tot de staartbasis bedroeg meer dan 83 cm. In de onderkaak van het kalf waren 8 snijtanden aanwezig (doorgebroken). Ik kon geen plukjes haar van het kalf makkelijk eruit trekken. Op basis van mijn deskundigheid weet ik dat het om een kalf gaat in de laatste 10% van de dracht en dat het nog niet was afgestorven in de baarmoeder in de 48 uren voorafgaand aan de slacht. De houder op de plaats van vertrek liet dieren vervoeren die niet geschikt waren voor het voorgenomen transport omdat het drachtige dieren betrof, waarvan de draagtijd reeds voor 90% of meer gevorderd was, of dieren die in de week ervoor geworpen hadden.

3. Eiser betwist dat hij de overtredingen heeft begaan. De twee runderen waren geschikt voor transport, althans van het tegendeel is onvoldoende bewijs en de bevindingen van de toezichthouders betreffen slechts een vermoeden. Eiser controleert de dieren zelf op drachtigheid en laat dit ook door een dierenarts controleren. Op 1 februari 2017 en op

28 april 2017 heeft een dierenarts vastgesteld dat het rund met kenmerk [rund 1] niet drachtig was en op 27 oktober 2017 constateert een dierenarts dat het rund met kenmerk

[rund 2] maximaal vijf maanden drachtig is. Eiser verwijst naar vier door hem overgelegde stukken van dierenartsen. Gelet op de constateringen van deze dierenartsen kan de draagtijd van de runderen ten tijde van de controle door de toezichthouder niet voor meer dan 90 procent zijn gevorderd. Mogelijk is sprake geweest van een verwisseling aan de slachtlijn waardoor kalveren aan verkeerde moederdieren zijn gekoppeld. De toezichthouders zijn pas ter plaatse gekomen nadat de runderen waren geslacht en heeft enkel het kalf gezien en de identiteit dus niet kunnen controleren. Een beschrijving door verweerder van de algemene werkwijze sluit niet uit dat in deze gevallen een verkeerde koppeling is gemaakt. Daarnaast kan op basis van de in de rapporten beschreven bevindingen en daarbij gevoegde foto’s niet worden vastgesteld dat het kalveren in de laatste 10 procent van de dracht betrof. Eiser verwijst naar een schrijven van dierenarts [naam] waarin de conclusies van de toezichthouders in de rapporten gemotiveerd worden weerlegd. Ook wijst hij in dit verband op een diergeneeskundige verklaring van dierenarts [naam] en de daarbij gevoegde wetenschappelijke artikelen, waaruit kan worden geconcludeerd dat niet achteraf aan de hand van het kalf kan worden vastgesteld dat de dracht voor meer dan 90 procent voltooid was, aldus eiser.

3.1.

Uit vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 7 mei 2019, ECLI:NL:CBB:2019:191 en van 10 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:147) volgt dat, indien uit een deskundigenbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, er geen aanleiding bestaat om niet uit te gaan van dat deskundigenbericht tenzij eiser concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren heeft gebracht. Een bestuursorgaan mag dus in beginsel afgaan op de juistheid van de inhoud van een naar waarheid opgemaakt en ondertekend toezichtrapport, maar indien die bevindingen gemotiveerd worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.

3.2.

In de rapporten van bevindingen hebben de toezichthouders geconcludeerd dat eiser een drachtig rund heeft laten vervoeren met een draagtijd van tenminste 90 procent. De toezichthouders hebben deze conclusie in de rapporten genoegzaam gemotiveerd. Zij hebben daartoe het nummer van het betreffende rund genoemd en aangegeven op basis van welke kenmerken zij tot de conclusie komen dat sprake was van een dracht van 90 procent of meer, namelijk de beharing, de lengte, en het aantal snijtanden van de kalfjes.

3.3.

Eiser heeft de conclusies van de toezichthouders evenwel gemotiveerd betwist. Daartoe heeft eiser stukken overgelegd waaruit volgt dat de betreffende runderen in een periode voorafgaande aan de transporten zijn onderzocht door dierenartsen op dracht en dat gelet op de uitkomsten van die onderzoeken geen sprake zou kunnen zijn van een dracht van tenminste 90 procent ten tijde van het transport. Daarnaast heeft eiser twee stukken overgelegd van twee verschillende dierenartsen die de bevindingen van de toezichthouders betwisten. In een schrijven van 17 september 2018 reageert dierenarts [naam] op de rapporten van bevindingen en stelt daarin gemotiveerd dat op basis van hetgeen in de rapporten is geconstateerd niet vast staat dat de dracht voor meer dan 90 procent verstreken was. Een van de toezichthoudend dierenartsen heeft hierop bij schrijven van

15 oktober 2018 gereageerd. Daarnaast heeft eiser een diergeneeskundige verklaring van dierenarts [naam] overgelegd die daarin gemotiveerd en onder overlegging van twee wetenschappelijke artikelen stelt dat op basis van de door de toezichthouders genoemde kenmerken van de kalfjes niet mag worden geconcludeerd dat sprake was van een dracht van tenminste 90 procent. Ter zitting heeft een van de toezichthoudend dierenartsen op dit stuk gereageerd en ook was dierenarts [naam] op de zitting aanwezig en heeft daar zijn stelling dat de conclusie van tenminste 90 procent dracht niet mag worden getrokken gehandhaafd.

3.4.

Voor de oplegging van een bestuurlijke boete moet in voldoende mate vast staan dat de gestelde overtreding is begaan en het is aan verweerder om de onderbouwing hiervoor te leveren. Gelet op al hetgeen door eiser naar voren is gebracht kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat in voldoende mate vast staat dat eiser de overtredingen heeft begaan. De door eiser ingebrachte stukken en verklaringen van dierenartsen bieden twijfel aan de conclusie dat eiser runderen met een dracht van tenminste 90 procent heeft laten vervoeren. Weliswaar heeft een van de toezichthoudend dierenartsen schriftelijk en ter zitting gereageerd op hetgeen namens eiser naar voren is gebracht, maar daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de gerezen twijfel onvoldoende weggenomen. Ook is geen wetenschappelijke onderbouwing geleverd voor de visie van de toezichthoudend dierenartsen over de kenmerken van de kalfjes die tot de conclusie leiden dat sprake is van tenminste 90 procent dracht, terwijl dit wel gemotiveerd door dierenartsen namens eiser is betwist.

3.5.

Nu niet in voldoende mate vast staat dat eiser de overtredingen heeft begaan, moet worden geconcludeerd dat de boetes ten onrechte zijn opgelegd. Aan de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet meer toe.

4. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Voorts zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat de boetes vervallen.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. Daarnaast ziet de rechtbank in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.048,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op

25 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.