Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:766

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
10/700169-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft twee verdachten veroordeeld tot gevangenisstraffen van 14 respectievelijk 10 jaar voor doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700169-18

Datum uitspraak: 1 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:
Penitentiaire Inrichting Rijnmond, locatie Hoogvliet, te Rotterdam,

raadsman mr. N. Hendriksen, advocaat te Hoorn.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort gezegd wordt de verdachte beschuldigd van moord dan wel doodslag op

[naam slachtoffer] (feit 1), een diefstal met geweld dan wel mishandeling (feit 2) en wapenbezit (feit 3).

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. E. van Veen, heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de moord (feit 1) en de diefstal met geweld (feit 2);

  • -

    bewezenverklaring van de doodslag (feit 1), de mishandeling (feit 2) en het wapenbezit (feit 3);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1

4.1.1.

Inleiding

Op 2 juni 2018 heeft [naam medeverdachte] (de medeverdachte) [naam slachtoffer] van het leven beroofd. In een slijterij aan de [plaats delict] te Rotterdam heeft de medeverdachte [naam slachtoffer] meerdere keren met een vuurwapen in zijn bovenlichaam geschoten. [naam slachtoffer] is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden. Wat in de strafzaak tegen deze verdachte moet worden vastgesteld, is of dit handelen van de medeverdachte een moord of een doodslag oplevert en of de verdachte daaraan een zodanige bijdrage geleverd dat hij medepleger of medeplichtige is.

4.1.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de medeverdachte [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door hem meermalen in het bovenlichaam te schieten met een vuurwapen, waarbij de grens van voorbedachte raad – gelet op de huidige jurisprudentie – net niet wordt gehaald. Dit levert een bewezenverklaring voor doodslag op. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte als medepleger bij deze doodslag dient te worden aangemerkt. Uit de camerabeelden blijkt van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. De medeverdachte heeft niet alleen een materiële bijdrage, maar ook een significante bijdrage aan het geweld geleverd: hij vraagt het wapen, laadt het door, geeft [naam slachtoffer] klappen en geeft ten slotte het doorgeladen wapen aan de medeverdachte die [naam slachtoffer] achterna gaat en dood schiet.

4.1.3.

Standpunt verdediging

De raadsman bepleit vrijspraak van feit 1. De medeverdachte handelde in een opwelling en besloot, gelet op hetgeen hij heeft verklaard, pas in de slijterij te schieten in reactie op wat [naam slachtoffer] daar deed. Er is dus geen sprake van een moord, maar van een doodslag. Die doodslag is gepleegd door de medeverdachte alleen en niet door de medeverdachte en de verdachte gezamenlijk. De verdachte heeft het wapen niet aan de medeverdachte gegeven, maar de medeverdachte heeft het wapen van hem afgepakt. Zelfs als zou de verdachte het wapen hebben gegeven, dan levert dit nog geen wezenlijke bijdrage aan de dood van [naam slachtoffer] op. Evenmin levert dit medeplichtigheid van de verdachte op. De verdachte beoogde niet, en hoefde er ook geen rekening mee te houden, dat de medeverdachte zou schieten op [naam slachtoffer] . Uit de door de verdachte afgelegde verklaringen volgt niet dat hij de bedoeling had dat [naam slachtoffer] zou komen te overlijden en het blijkt verder ook nergens uit. De confrontatie met [naam slachtoffer] was tot een einde gekomen, nadat aan [naam slachtoffer] duidelijk was gemaakt dat hij moest stoppen met het bedreigen van de medeverdachte. Op de camerabeelden is ook te zien dat de verdachte daarna wegliep. Bij de daarop volgende gebeurtenissen, heeft hij geen enkele betrokkenheid gehad. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte alleen wat spullen opgeraapt heeft van de grond die de medeverdachte had laten vallen, dat hij de medeverdachte volgde tot de ingang van de slijterij en dat hij zich dan distantieert van de gebeurtenissen door weg te lopen. De verdachte wist ook niet dat het wapen van de medeverdachte een werkend vuurwapen betrof en kon daarom niet weten dat het vuurwapen geschikt was om geweld tegen [naam slachtoffer] mee te plegen.

4.1.4.

Beoordeling

Moord of doodslag?

De rechtbank zal eerst beoordelen of er sprake is van een moord dan wel een doodslag op [naam slachtoffer] door de medeverdachte. Zowel bij moord als doodslag gaat het om het opzettelijk doden van [naam slachtoffer] . Het verschil is dat het bij moord om ‘voorbedachte rade’ gaat. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad vast komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of al genomen besluit is weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar evenzeer moet gewicht worden toegekend aan bestaande contra-indicaties voor het bestaan van voorbedachte raad. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het derhalve bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de ter zitting getoonde en van goede kwaliteit zijnde camerabeelden, heeft de rechtbank het volgende vastgesteld.

Op 2 juni 2018 was de medeverdachte ’s middags in een café aan de Beijerlandselaan. De medeverdachte had die dag een geladen vuurwapen bij zich dat hij had verborgen in zijn broeksband. In het café waren ook de broer van de medeverdachte, [naam] , en de verdachte aanwezig. Op enig moment was ook [naam slachtoffer] kort in het café aanwezig. Tussen de medeverdachte en [naam slachtoffer] bestond al enige tijd een voor de rechtbank onduidelijk gebleven conflict. Dat er (ook) een conflict tussen de verdachte en [naam slachtoffer] zou bestaan, is de rechtbank niet van gebleken.

Omstreeks 17.40 uur heeft [naam slachtoffer] het café verlaten. [naam] , en even later ook de verdachte en diens medeverdachte, zijn achter [naam slachtoffer] aangelopen. Voor Slijterij 010 hebben [naam] en [naam slachtoffer] enkele woorden gewisseld. Op enig moment heeft de medeverdachte zijn vuurwapen op diens verzoek aan de verdachte gegeven, die – zo is te zien op de camerabeelden – met het wapen direct een beweging maakt welke beweging door de rechtbank wordt waargenomen als het doorladen van het wapen. De verdediging heeft in dit verband nog aangevoerd dat niet nader is onderzocht of dit wapen wel aan de bovenzijde wordt doorgeladen. Gelet echter op het type wapen, een Walther PPK, had het op de weg van de verdediging gelegen om dit standpunt nader te onderbouwen hetgeen zij heeft nagelaten, zodat aan dit verweer voorbijgegaan wordt.

Onder bedreiging van dit doorgeladen vuurwapen, dat door de verdachte werd vastgehouden, heeft de medeverdachte [naam slachtoffer] gefouilleerd. Beide verdachten deelden hierbij nog een aantal klappen uit aan [naam slachtoffer] . Na deze fouillering is [naam slachtoffer] de slijterij in gerend. De verdachte is daarna - met nog steeds het vuurwapen in de hand - begonnen met weglopen, zijn medeverdachte kwam achter hem aan en nam vervolgens het wapen over. De medeverdachte is [naam slachtoffer] daarna achterna gerend de slijterij in en heeft zijn wapen van dichtbij leeggeschoten op [naam slachtoffer] . [naam slachtoffer] is meerdere keren in zijn bovenlichaam geraakt en overleed ter plaatse.

De rechtbank kan onder deze omstandigheden niet vaststellen dat de medeverdachte het wapen op 2 juni 2018 heeft meegenomen vanwege een vooropgezet plan om [naam slachtoffer] te doden en/of dat dit het plan was toen het café werd verlaten. Het dossier biedt daar onvoldoende aanknopingspunten voor, zodat wordt uitgegaan van een toevallige ontmoeting in het café tussen de verdachte, de medeverdachte en [naam slachtoffer] , gevolgd door een (wel opgezochte) confrontatie bij de slijterij, een confrontatie die vervolgens op een vreselijke wijze geëscaleerd is. Het feit dat de verdachte in eerste instantie al wegliep na de fouillering en mishandeling van [naam slachtoffer] , is een contra-indicatie voor een vooropgezet plan, gericht op de dood van [naam slachtoffer] .

De rechtbank is net als de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat, gelet op de camerabeelden, de momenten waarop de medeverdachte zich had kunnen beraden dusdanig kort zijn geweest dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van kalm beraad en rustig overleg. Daarom kan niet worden bewezen dat de medeverdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De doodslag kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.

Medeplegen of medeplichtigheid aan doodslag?

De volgende vraag is of de verdachte medepleger of medeplichtige is aan het doodschieten van [naam slachtoffer] . Daarvoor is allereerst van belang of de verdachte het vuurwapen heeft overgegeven aan de medeverdachte voordat deze [naam slachtoffer] ermee doodschoot, of dat - zoals de verdachte stelt - het wapen door de medeverdachte van hem is afgepakt. De rechtbank heeft de beelden bekeken en is van oordeel dat daarop te zien is dat de verdachte het wapen heeft overgegeven aan de medeverdachte en dat uitgesloten kan worden dat het om afpakken gaat. Op de beelden is immers te zien dat de verdachte omkijkt in de richting van de medeverdachte en zich daarbij deels omdraait, zijn rechterarm - en daarmee het wapen - uitstrekt naar achteren en dat de medeverdachte dan het wapen in een vloeiende beweging overneemt. Dit maakt dat de rechtbank hierin niet ziet dat de medeverdachte het wapen (onverhoeds) afpakt, terwijl de rechtbank in de recht naar achter uitgestrekte arm ook geen zwaaiende beweging naar de medeverdachte waarneemt van de strekking ‘kom, we gaan’, zoals de verdachte heeft verklaard.

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat dit overgeven van het wapen zich kwalificeert als het medeplegen van de doodslag. De verdachte en de medeverdachte zochten, na het vertrek uit het café, samen de confrontatie op met [naam slachtoffer] . Zij zijn achter hem aangelopen om, zoals zij zeggen, hem aan te spreken op zijn bedreigingen van de medeverdachte. De verdachte heeft de medeverdachte bij de slijterij vervolgens actief gevraagd om het vuurwapen. Volgens zijn verklaring zou de verdachte dit hebben gedaan, omdat hij niet wilde dat de medeverdachte er domme dingen mee zou doen. Het daarop volgende handelen van de verdachte valt, afgezet tegen deze verklaring, daarmee niet te rijmen. Immers, nadat de medeverdachte het wapen had overhandigd, heeft de verdachte het wapen doorgeladen en vervolgens gebruikt om [naam slachtoffer] ermee te bedreigen. Ook heeft hij [naam slachtoffer] een klap in het gezicht gegeven met het wapen. Hierna lijkt de verdachte weliswaar weg te lopen, maar toen heeft hij het wapen aan de medeverdachte teruggegeven. De verdachte heeft vervolgens nog wat spullen opgeraapt die de medeverdachte in alle haast heeft laten vallen en is daarna bij de ingang van de slijterij nog gaan kijken wat er gebeurde. Pas daarna is de verdachte weggelopen.

Door zijn handelen heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan de gebeurtenissen in de slijterij. Door een doorgeladen wapen mee te geven aan de medeverdachte over wie hij zelf heeft verklaard dat hij bang was dat hij domme dingen zou gaan doen, een medeverdachte die op dat moment boos was op [naam slachtoffer] en in een situatie waarin overduidelijk sprake was van een conflict, ontstond de reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de medeverdachte het vuurwapen zou gebruiken. Hiermee is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [naam slachtoffer] . Het verweer dat de handelingen in de slijterij als een afzonderlijke situatie gezien moeten worden, los van de voorgaande gebeurtenissen op straat en dat het conflict beëindigd was toen de verdachte wegliep, slaagt niet. Dat is een artificieel onderscheid tussen handelingen die elkaar razendsnel hebben opgevolgd.

Het verweer dat de verdachte niet wist dat het wapen geladen was, slaagt niet, nu er geen enkele aanleiding is gebleken waarom hij zou kunnen denken dat het ongeladen was.

4.1.5.

Conclusie

De rechtbank acht op grond van vorenstaande en in samenhang met de overige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de doodslag op [naam slachtoffer] .

4.1.6.

Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van getuigen. Dat verzoek gold voor het geval de rechtbank – kort gezegd – zou oordelen dat een conflict tussen de verdachte en [naam slachtoffer] (en niet een conflict tussen de medeverdachte en [naam slachtoffer] ) de oorzaak was van het treffen met [naam slachtoffer] . Aan deze voorwaarde is niet voldaan, dus aan een beoordeling van dit verzoek wordt niet toegekomen.

De verdediging heeft verder gevraagd om het inschakelen van een deskundige over de wijze waarop het vuurwapen in de handen van de medeverdachte is gekomen. Op grond van het voorgaande is de noodzakelijkheid van een dergelijk onderzoek onvoldoende gebleken. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af.

4.2.

Feit 2

De verdachte zal worden vrijgesproken van de onder feit 2 primair ten laste gelegde diefstal met geweld. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het vereiste opzet hiervoor ontbreekt. Uit het dossier is in voldoende mate komen vast te staan dat het handelen van de verdachte, waarbij spullen van [naam slachtoffer] uit zijn zakken zijn gehaald, gericht was op het fouilleren van [naam slachtoffer] en niet op het wederrechtelijk toe-eigenen van eigendommen van [naam slachtoffer] .

Ten aanzien van de onder feit 2, subsidiair ten laste gelegde mishandeling, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht dit feit, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de camerabeelden, wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Feit 3

Uit hetgeen hiervoor is overwogen over feit 1 volgt dat de verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan feit 3 (het bezit van het wapen).

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

feit 1

primair

hij op 2 juni 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk meermalen met een vuurwapen op het lichaam van die [naam slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

feit 2

subsidiair

hij op 2 juni 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander [naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] eenmaal met een vuurwapen tegen het gezicht en hoofd te slaan;

feit 3

hij op 02 juni 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een pistool van het merk Walther PPK, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 1, impliciet subsidiair:

medeplegen van doodslag;

feit 2, subsidiair;

medeplegen van mishandeling;

feit 3:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het doodschieten van het slachtoffer. Nadat de verdachte en de medeverdachte het slachtoffer in een café hadden gezien, zijn zij het slachtoffer achterna gelopen. Hiermee heeft de verdachte zelf de confrontatie opgezocht met het slachtoffer. De verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer daar eerst onder dreiging van een doorgeladen vuurwapen gefouilleerd en geslagen. Nadat het slachtoffer de slijterij in was gerend en zich tegen de medeverdachte - die met het vuurwapen achter hem aan naar binnen was gerend - probeerde te verdedigen met een fles drank en een bureaustoel, is hij meerdere keren vanaf zeer korte afstand beschoten door de medeverdachte. De verdachte heeft nog een kijkje genomen bij de ingang van de slijterij om te zien wat er gebeurde. Het slachtoffer is ter plekke aan zijn schotwonden overleden.

De verdachte heeft het slachtoffer weliswaar niet zelf doodgeschoten, maar hij heeft wel het vuurwapen dat hij kort daarvoor had doorgeladen aan zijn medeverdachte gegeven. Het slachtoffer is vervolgens door meerdere kogels getroffen in zijn bovenlichaam en ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.

Deze schietpartij heeft aan het einde van de middag plaatsgevonden in een slijterij. Op camerabeelden is te zien dat er vlak voor en tijdens het incident onschuldige mensen langs deze winkel lopen, onder wie ook kinderen. De medewerker van de slijterij is getuige geweest van deze dodelijke schietpartij. Dit is voor hem vanzelfsprekend een angstaanjagende gebeurtenis geweest.

Dit is een zeer ernstig en schokkend feit. Door zijn handelen heeft de verdachte veel verdriet en onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer. De ter terechtzitting voorgelezen verklaring van de vriendin van het slachtoffer heeft de gevolgen van verdachtes handelen duidelijk naar voren gebracht. Zij moet de diep ingrijpende gevolgen van dit verlies voor altijd met zich dragen.

De verdachte heeft zich met zijn handelen ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen en munitie brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. De vreselijke afloop van deze schietpartij illustreert maar weer eens op trieste wijze tot welke gevolgen het dragen van een vuurwapen, zeker in conflictsituaties, kan leiden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op twee uittreksels uit de justitiële documentatie van

18 december 2018 van de Nederlandse Antillen en Nederland, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- en vuurwapenfeiten. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een vroeghulprapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 8 juni 2018. Dit rapport houdt onder andere het volgende in.

De verdachte heeft jaren lang dagelijks cannabis gebruikt. De verdachte is hier zelfstandig mee gestopt. Er is een toezicht in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voortvloeiend uit een veroordeling in 2011 positief afgerond. De verdachte heeft gewerkt, maar dit betrof werk van tijdelijke aard. De verdachte leeft nu van een bijstandsuitkering.

Gezien de houding van de verdachte en zijn lage ontvankelijkheid voor reclasseringscontact ziet de reclassering op dit moment geen aanknopingspunten voor verder onderzoek.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. De heftigheid van het feit maakt dat het voor zich spreekt dat een langdurige gevangenisstraf opgelegd moet worden. Bij de bepaling van de duur van die gevangenisstraf neemt de rechtbank tot uitgangspunt de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging onderscheid te maken tussen de rollen van de medeverdachte en de verdachte. De rechtbank ziet hier, anders dan de officier van justitie, aanleiding voor. De rechtbank stelt vast dat hier weliswaar sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, maar niet van uitwisselbare rollen. Hoewel de bijdrage van de verdachte significant is geweest bij dit delict, is deze rol kleiner dan die van zijn medeverdachte die het slachtoffer daadwerkelijk heeft doodgeschoten.

Alles afwegend, ook het bestaande strafblad van de verdachte, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 10 jaar passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd mevrouw [naam benadeelde]. Zij heeft een vordering ingediend ter hoogte van € 7.897,- voor de begrafeniskosten en deze ter terechtzitting vermeerderd met een bedrag van € 900,- voor een grafsteen. De benadeelde partij vordert derhalve een vergoeding van € 8.797,- aan materiële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering dient te worden toegewezen met verhoging met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 8.797,- vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 57, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair impliciet primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair impliciet subsidiair, 2 subsidiair en

3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaar;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde] te betalen een bedrag van € 8.797,- (zegge: achtduizend zevenhonderdzevenennegentig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 8.797,- (hoofdsom, zegge: achtduizend zevenhonderdzevenennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 8.797,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 78 dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. A. Hello en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

primair

hij op of omstreeks 02 juni 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op het lichaam van die [naam slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

subsidiair

[naam medeverdachte] op of omstreeks 02 juni 2018 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft die [naam medeverdachte] opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in het lichaam van die [naam slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 02 juni 2018 te Rotterdam opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door aan die [naam medeverdachte] een vuurwapen te verstrekken;

2.

primair

hij op of omstreeks 02 juni 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)

van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit het

- tonen en/of richten van een vuurwapen aan en/of op die [naam slachtoffer] en/of

- zichtbaar doorladen van dat vuurwapen in de nabijheid van die [naam slachtoffer] en/of

- fouilleren van die [naam slachtoffer] en/of

- meermalen, althans eenmaal slaan met een vuurwapen en/of een vuist, althans een hand in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd van die [naam slachtoffer] ;

subsidiair

hij op of omstreeks 02 juni 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen en/of een vuist, althans een hand in/op/tegen het gezicht en/of hoofd te slaan.

3.

hij op of omstreeks 02 juni 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een pistool van het merk Walther PPK, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad.