Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7652

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
C/10/577220 / FA RK 19-5698
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek verhuizing afgewezen. Moeder wil gaan samenwonen in België. Het kan niet zo zijn dat de man, als betrokken vader, als gevolg van die keuze het contact met de minderjarige grotendeels gaat verliezen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de vader er alles aan heeft gedaan om in lijn met de afspraken die recent zijn gemaakt, zijn leven zo in te richten dat hij een betrokken ouder voor de minderjarige kan zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/577220 / FA RK 19-5698

Beschikking van 26 september 2019 betreffende vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

advocaat mr. C.H.C. Houben te Amsterdam,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

advocaat mr. J.A. Smits te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 3 juli 2019;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 27 augustus 2019;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de man van 28 augustus 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 augustus 2019.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Houben;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Smits;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2015 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.2.

Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.3.

Partijen zijn op 2 augustus 2018 een ouderschapsplan overeengekomen. Dit luidt –

voor zover hier van belang – als volgt:

  • -

    de minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw;

  • -

    de minderjarige verblijft de ene week van dinsdag uit school tot woensdag voor school bij de man, alsmede van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur en de andere week van woensdag uit school tot vrijdag voor school;

  • -

    de vakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld;

  • -

    ouders spreken af dat ze niet verder dan 30 kilometer of een maximale reisafstand van 30 minuten van elkaar gaan wonen totdat de minderjarige van de basisschool af is en op eigen gelegenheid naar de andere ouder kan gaan vanuit de middelbare en/of hogeschool;

  • -

    de ouder die door persoonlijke of zakelijke omstandigheden wenst te verhuizen waarbij er sprake is van een afstand langer dan 30 kilometer of 30 minuten reisafstand van de ouder die niet verhuist, zal dit eerst aan de andere ouder voorleggen. Mocht er geen overeenstemming tussen de ouders worden bereikt, dan zal de ouder die verhuizen wil hiervoor vervangende toestemming van de rechter vragen.

3 De beoordeling

3.1.

Verzoeken

3.1.1.

De vrouw verzoekt vervangende toestemming te verlenen om per 30 augustus 2019 met de minderjarige naar Oud-Turnhout (België) te verhuizen en de minderjarige in te schrijven op basisschool [naam school] aldaar. Verder verzoekt de vrouw wijziging van de zorgregeling.

3.1.2.

De man voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van de verzoeken. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt hij voorwaardelijk de verblijfplaats van de minderjarige te wijzigen en bij hem te bepalen, indien de vrouw naar Oud-Turnhout verhuist met vaststelling van een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige.

3.1.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.2.

Vervangende toestemming verhuizing

3.2.1.

Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige(n) wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder toestemming moet krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige(n) weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen.

3.2.2.

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige(n) hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid moet krijgen om met de minderjarige(n) elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen. Daar tegenover staan andere belangen waarbij te denken valt aan (niet uitputtend opgesomd):

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    een goede voorbereiding van de verhuizing;

  • -

    het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;

  • -

    de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg;

  • -

    de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

  • -

    de leeftijd van de minderjarige en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

  • -

    de extra kosten van omgang na de verhuizing;

  • -

    de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder.

3.2.3.

De raad heeft geadviseerd om het verzoek van de vrouw af te wijzen. De raad geeft aan dat partijen bewust voor de huidige zorgregeling waarin de minderjarige ook doordeweeks bij de man verblijft hebben gekozen. Deze regeling is in het belang van de minderjarige. Hij heeft zijn beide ouders nodig en daar voorziet de huidige zorgregeling in. De man is een belangrijk rolmodel voor de minderjarige en hij moet daarvan kunnen blijven profiteren. De huidige invulling van zijn vaderrol door de man komt in het gedrang als de vrouw met de minderjarige naar Oud-Turnhout verhuist. In het geval dat de vrouw bij afwijzing van haar verzoek besluit te verhuizen, adviseert de raad om de verblijfplaats van de minderjarige te bepalen bij de man.

3.2.4.

Na het uiteengaan van partijen in 2017 hebben zij afspraken gemaakt over de verdeling van de zorgtaken voor de minderjarige. De man zorgt in die verdeling wekelijks en ook doordeweeks voor de minderjarige. In augustus 2018 hebben partijen het gezamenlijk gezag laten aantekenen in het gezagsregister en zijn zij in dat kader een ouderschapsplan overeengekomen. De zorgtaken van de man werden hierin verder uitgebreid. Uit het ouderschapsplan blijkt dat partijen bewust hebben gekozen voor gelijkwaardig ouderschap, waarbij de man ruim vijf dagen in de veertien dagen de zorg voor de minderjarige voor zijn rekening neemt. De man is op deze wijze betrokken bij de school en de dagelijkse routine van de minderjarige. Bij de totstandkoming van het ouderschapsplan had de vrouw reeds een relatie met haar huidige partner. Deze relatie heeft niet in de weg gestaan aan het maken van voormelde afspraken. Hieruit volgt dat de vrouw het belang ziet van de vaderrol die de man vervult in het leven van de minderjarige, wat zij ter zitting ook bevestigt. Ook hebben partijen afspraken gemaakt over een eventuele verhuizing. Uit die afspraak blijkt dat partijen belang hechten aan de continuïteit van de overeengekomen zorgverdeling. De zorgregeling verloopt naar tevredenheid van alle betrokkenen en beide ouders zijn goed in staat om voor de minderjarige te zorgen. De man heeft vanwege de zorg voor de minderjarige, en de afspraken die daarover zijn gemaakt, recent een huis gekocht in Vlaardingen. Daar heeft de minderjarige een eigen kamer, een speelkamer en een tuin. De minderjarige gaat in Schiedam naar school en 4 dagen naar de buitenschoolse opvang. Hij heeft het daar naar zijn zin, maar zou eventueel ook dichtbij de woning van de man naar school kunnen gaan.

3.2.5.

Bij een verhuizing van de vrouw met de minderjarige naar Oud-Turnhout zal de zorgregeling, zoals deze is overeengekomen in het ouderschapsplan, niet langer kunnen worden uitgevoerd. In die situatie zal voor de man enkel nog sprake zijn van een weekend- en vakantieregeling. De invulling en de kwaliteit van de zorg door de man wordt hierdoor wezenlijk anders en sluit niet aan bij de bedoeling die partijen hadden bij de totstandkoming van het ouderschapsplan. De rechtbank acht de door de vrouw aangeboden compensatie hiervoor, te weten drie van de vier weekenden per maand en extra weken in de vakantie, onvoldoende om het verlies aan contact tussen de man en de minderjarige te compenseren. Het aanbod van de vrouw biedt namelijk geen, althans onvoldoende, mogelijkheden voor de man om in de door hem gewenste mate betrokken te zijn bij het dagelijks leven van de minderjarige. Daarnaast acht de rechtbank de vrees van de man voor verdere inperking van de zorgregeling naarmate de minderjarige ouder wordt gegrond. Na een verhuizing zal de minderjarige zijn leven immers steeds meer vormgeven in de nieuwe woonplaats. Een verhuizing van de vrouw met de minderjarige is naar het oordeel van de rechtbank dan ook strijdig met het belang van de minderjarige en dat van de man op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving.

3.2.6.

Het verzoek van de vrouw is ingegeven door de wens om met haar partner te gaan samenwonen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor deze wens en de vrouw ook recht en belang heeft om haar leven opnieuw in te richten met haar partner, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat een verhuizing met de minderjarige naar België onvermijdelijk is.

De vrouw heeft een woning en een baan in Rotterdam. Zij heeft haar leven goed op orde en is blijkbaar is staat om ander werk te vinden, indien nodig. Haar nieuwe partner heeft een bedrijf aan huis in Oud-Turnhout, met een showroom die zes dagen per week open is, waardoor verhuizen voor hem erg bezwaarlijk is. Ter zitting is besproken dat een verhuizing van de vrouw sowieso meebrengt dat de minderjarige in een minder goede situatie komt te verkeren, omdat hij één van beide ouders dan minder gaat zien. Om dit te voorkomen zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan een co-ouderschapsregeling, waarbij de minderjarige om de week bij de man in Vlaardingen en bij de vrouw in Rotterdam verblijft. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij geen LAT-relatie wil met haar partner, ook niet een deel van de tijd. Die keuze is aan de vrouw, maar de rechtbank is van oordeel dat het niet zo kan zijn dat de man, als betrokken vader, als gevolg van die keuze het contact met de minderjarige grotendeels gaat verliezen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de vader er alles aan heeft gedaan om in lijn met de afspraken die zijn gemaakt, zijn leven zo in te richten dat hij een betrokken ouder voor de minderjarige kan zijn.

3.2.7.

Het voorgaande overziend, weegt het belang van de vrouw bij een verhuizing met de minderjarige naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende op tegen het belang van de minderjarige en dat van de man op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving. Daarom wordt het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing afgewezen. Omdat de vrouw geen vervangende toestemming tot verhuizing krijgt, behoeft het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor inschrijving van de minderjarige op basisschool [naam school] geen verdere bespreking.

3.3.

Hoofdverblijfplaats

3.3.1.

Met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek van de man overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat zij in het geval zij geen toestemming verkrijgt voor een verhuizing met de minderjarige nog niet weet of zij zal verhuizen naar Oud-Turnhout. De rechtbank zal bepalen dat in het geval de vrouw verhuist naar Oud-Turnhout de minderjarige zijn gewone verblijfplaats krijgt bij de man, zodat de minderjarige in zijn vertrouwde leef- en schoolomgeving kan blijven. De man heeft onweersproken gesteld dat hij de dagelijkse zorg voor de minderjarige kan combineren met zijn werk.

3.4.

Zorgregeling

3.4.1.

In het geval dat de vrouw verhuist en de minderjarige zijn gewone verblijfplaats krijgt bij de man, beslist de rechtbank ten aanzien van de zorgregeling conform het verzoek van de man, omdat dit verzoek niet is weersproken en niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich tegen de verzochte regeling verzet.

3.5.

Proceskosten

3.5.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt - onder wijziging van het ouderschapsplan van 2 augustus 2018 - dat indien de moeder naar Oud-Turnhout zal verhuizen, de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft en dat in dat geval een zorgregeling geldt, waarbij de minderjarige om het weekend bij de vrouw zal zijn, waarbij de vrouw de minderjarige op vrijdag uit school haalt en de man de minderjarige op zondag om 18.00 bij de vrouw ophaalt en om de maand drie weekenden bij de vrouw verblijft en in de andere maand een weekenddag met de vrouw in Vlaardingen en omgeving doorbrengt, alsmede de helft van de schoolvakanties in onderling overleg te verdelen bij het begin van het schooljaar en tenslotte de helft van de feestdagen in onderling overleg te verdelen.

4.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Lablans, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. L.M. Coenraad en mr. L. Berghuis-Knijff, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.J.I. Mullenders op 26 september 2019.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.