Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7638

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
10/742068-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6 WVW-zaak. Verdachte heeft door rood gereden en heeft vervolgens fietser aangereden, met aanzienlijk letsel tot gevolg. Alternatief scenario (verdachte en de fietser kunnen allebei door groen licht gereden zijn) wordt verworpen. Aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. 40 uur taakstraf en 6 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid, waarvan 3 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/742068-18

Datum uitspraak: 25 september 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Bulgarije) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. H.C.M. Kortman, advocaat te Den Haag.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Het kan niet worden uitgesloten dat zowel de verdachte als het slachtoffer door een groen stoplicht zijn gereden. De verdachte reed langzaam voorbij het stoplicht, met 20-30 km/h in plaats van 50 km/h. Met deze snelheid is de ontruimingstijd van vijf seconden om de kruising vrij te maken wellicht niet genoeg als de fietser op een e-bike zit en snel optrekt. Ook het feit dat de verdachte de fietser niet heeft gezien toen hij nog op de kruising reed waar de fietser door hem is aangereden, levert geen schuld op in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet. Er is dan ook geen sprake geweest van onoplettend, onachtzaam, of roekeloos gedrag.

4.1.2.

Beoordeling

Op 26 augustus 2017 is er op het grote kruispunt van de ’s-Gravendijkwal en de Rochussenstraat een ongeluk gebeurd. De verdachte is op die dag met zijn auto gebotst tegen de heer [naam slachtoffer] , die op zijn e-bike reed. [naam slachtoffer] heeft ten gevolge van deze botsing fors letsel opgelopen in de vorm van een gebroken heup, gebroken ruggenwervels en een gat in zijn achterhoofd. De verkeerssituatie op de desbetreffende kruising was op die dag overzichtelijk en er waren geen bijzondere weersomstandigheden.

In het dossier zitten de verklaringen van de verdachte, van de heer [naam slachtoffer] en van twee getuigen. De verdachte heeft verklaard dat hij op de ’s-Gravendijkwal rechtdoor wilde gaan en dat zijn stoplicht op groen stond op het moment dat hij het desbetreffende stoplicht passeerde en de kruising opreed. Hij zou daarbij ongeveer 50 km/h hebben gereden, zo verklaarde hij bij de politie. [naam slachtoffer] en de twee getuigen verklaren op hun beurt dat het stoplicht voor hen op groen stond op het moment dat zij gingen fietsen. Ter terechtzitting verklaart de verdachte conform zijn eerdere verklaring dat het stoplicht al op groen stond toen hij aan kwam rijden, maar hij zegt daarbij dat hij niet de eerder genoemde 50 km/h, maar ongeveer 20-30 km/h heeft gereden.

Onderzoek van de politie wijst uit dat het niet mogelijk is dat het stoplicht van de rijstrook waar de verdachte zegt te hebben gereden (de rechtdoorgaande baan) en het stoplicht voor de fietsers vanuit de Rochussenstraat tegelijk op groen staan. Als het stoplicht op de rechtdoorgaande baan op rood springt, duurt het nog vijf seconden voordat het stoplicht voor de fietsers op groen springt. De ontruimingstijd voor het desbetreffende kruispunt is dus vijf seconden.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte door rood moet zijn gereden. Zowel het slachtoffer als de twee getuigen, die net als het slachtoffer stonden te wachten voor het rode stoplicht, verklaren dat het stoplicht voor hen op enig moment groen werd en dat zij toen pas fietsend de ‘s-Gravendijkwal zijn overgestoken. De alternatieve theorie van de verdediging, dat zowel de verdachte als het slachtoffer door groen zijn gereden, maar in botsing zijn gekomen doordat de verdachte slechts 20-30 km/h per uur heeft gereden, waardoor het langer dan vijf seconden duurde voordat de verdachte bij de fietsoversteekplaats was, is niet aannemelijk. De rechtbank gaat er, gelet op de verklaring van de verdachte dat het stoplicht al op groen stond toen hij aan kwam rijden, namelijk van uit dat de verdachte inderdaad (zoals hij direct na het ongeval verklaarde) met 50 km/h – de toegestane snelheid op de ’s-Gravendijkwal – het stoplicht is gepasseerd en het kruispunt is opgereden. Voor de stelling van de verdediging dat het slachtoffer mogelijk een ‘opgevoerde’ e-bike had en daardoor sneller dan normaal optrok, is in het dossier geen enkele steun te vinden.

De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte niet goed heeft opgelet en dat hij daardoor door een rood stoplicht is gereden. Na het passeren van het stoplicht heeft de verdachte (wederom) niet goed opgelet op eventuele overstekende fietsers, een vergeleken met een automobilist kwetsbare groep verkeersdeelnemers. Als de verdachte tijdens het oversteken van de grote kruising goed had opgelet, had hij het slachtoffer kunnen en moeten waarnemen. Het slachtoffer reed namelijk al enige tijd op de grote en overzichtelijke kruising voordat hij door de verdachte werd aangereden.

De feiten en omstandigheden in onderling verband bezien maken dat het rijgedrag van de verdachte kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval is dan ook aan zijn schuld te wijten als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeersweg 1994.

Het letsel van het slachtoffer is zodanig dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het slachtoffer – dat meerdere breuken had – heeft twee weken in het ziekenhuis moeten verblijven, en is daarna naar een zorghotel overgebracht voor verdere revalidatie.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 26 augustus 2017 te Rotterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de 's-Gravendijkwal en de Rochussenstraat , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij verdachte, toen daar, in strijd met met voor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht genoemde kruising is opgereden en aldaar een overstekende fietser niet heeft laten voorgaan en in botsing is gekomen met die fietser, waardoor die fietser, genaamd [naam slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Hij heeft allereerst niet gezien dat het stoplicht voor zijn rijbaan op rood stond en daarna heeft hij niet gezien dat een fietser al aan het oversteken was. De verdachte was, gelet op zijn eigen verklaring, goed bekend met de verkeerssituatie aldaar en wist dat deze stoplichten er waren. Van de verdachte mocht dan ook worden verwacht dat hij dit kruispunt met de nodige alertheid benaderde. Omdat de verdachte dit niet heeft gedaan, is een ernstig ongeval veroorzaakt waarbij het slachtoffer fors letsel heeft opgelopen, namelijk een gebroken heup, gebroken rugwervels en een gat in zijn achterhoofd.

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niets verkeerd heeft gedaan en dat hij zelf slachtoffer is van de situatie. Uit dit standpunt, dat de verdachte tot aan het eind van de zitting handhaafde, blijkt dat de verdachte nog steeds niet inziet dat hij fout heeft gehandeld. Het getuigt ook van weinig medeleven met het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 augustus 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van het feit vindt de rechtbank in beginsel een taakstraf van 50 uur op zijn plaats, in combinatie met een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Met de officier van jusitie is de rechtbank van oordeel dat, omdat tussen het ongeval en de datum van het vonnis meer dan twee jaar is verstreken, sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de behandeling van een zaak moet zijn afgerond met een eindvonnis. Deze termijn is met één maand overschreden. Dit is niet toe te rekenen aan de verdachte, zodat dit gecompenseerd moet worden door vermindering van de op te leggen taakstraf met 10 uur.

De rechtbank komt daarom tot een taakstraf van 40 uur, in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 uur, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden, waarvan 3 (drie) maanden voorwaardelijk;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en F. van Buchem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. van der Putte, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2019.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Rotterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de 's-Gravendijkwal en de Rochussenstraat , althans

op één van deze wegen, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij verdachte, toen daar, in strijd met met voor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht genoemde kruising is opgereden en/of aldaar een overstekende fietser niet heeft laten voorgaan en/of in botsing of aanrijding is gekomen met die fietser, waardoor die fietser, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Rotterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen de 's-Gravendijkwal en de Rochussenstraat , althans op één van deze wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg/wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, in strijd met een voor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht genoemde kruising is opgereden en/of aldaar overstekende fietser niet heeft laten voorgaan en/of in botsing of aanrijding is gekomen met die fietser.