Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7592

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
10/102059-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is conform de eis van de officier van justitie vrijgesproken voor feit 1 primair (poging brandstichting) en feit 1 subsidiair (voorbereiden van brandstichting).

De verdachte is veroordeeld voor feit 2, te weten: bedreiging met brandstichting. De verdachte is in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Taakstraf 60 uren, met aftrek en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met aangever, een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling.

Gehele toewijzing vordering benadeelde partij voor 1200 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/102059-19

Datum uitspraak: 18 september 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M.M. Zonneveld heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, alsmede dat de verdachte zich ambulant laat behandeling door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, waarbij het innemen van medicijnen onderdeel van de behandeling kan zijn en dat de verdachte zich zal onthouden van het gebruik van drugs;

  • -

    het opleggen van een contactverbod met aangever [naam aangever] en een locatieverbod binnen een straal van 5 km van de woning van aangever [naam aangever] aan de [adres ] , met politietoezicht.

Ten aanzien van het reclasseringstoezicht en het contact- en locatieverbod vordert de officier van justitie dadelijke uitvoerbaarheid.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring feit 2 zonder nadere motivering

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 27 april 2019 te Rotterdam [naam aangever] heeft bedreigd met brandstichting,
immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:
- in een woning, gelegen aan [adres ] en over de benen en het shirt van die [naam aangever] benzine, gegoten en
- daarbij de woorden toegevoegd 'Ik ga je woning in de brand zetten!'.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

bedreiging met brandstichting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is op 27 april 2019 onder invloed van drugs met een jerrycan gevuld met benzine naar de woning van het slachtoffer [naam slachtoffer] aan de [adres ] te Rotterdam gegaan en heeft daar gedreigd de woning in de brand te steken. Om zijn woorden kracht bij te zetten heeft hij benzine over de vloer en over het slachtoffer heen gegooid. Volgens de verdachte heeft hij dit gedaan om een statement te maken. Dat het voor het slachtoffer een zeer angstaanjagende gebeurtenis is geweest, blijkt uit de aangifte en de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 juli 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.2.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 augustus 2019. Uit het rapport blijkt dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit onder invloed was van speed en kampte met identiteitsproblemen. De verdachte heeft inmiddels een behandeling bij Antes voltooid en is bereid om bij Fivoor aan de slag te gaan. De kans op recidive wordt als laag ingeschat. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling bij Fivoor of soortgelijke zorgverlener, een drugsverbod en een contact- en locatieverbod.

Psycholoog drs. T. ‘t Hoen heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 juli 2019. De psycholoog komt in zijn rapport tot de conclusie dat de verdachte lijdt aan een depressieve stoornis met angstige stemming, waarbij ook sterke identiteitsproblemen en (rand)psychotische verschijnselen aanwezig zijn. Tevens is er sprake van een stoornis in het gebruik van amfetamine en ketamine (in remissie). De verdachte was vanwege zijn

ziekelijke stoornissen ten tijde van het tenlastegelegde onvoldoende in staat weloverwogen en adequate beslissingen en gedragskeuzes te maken. Zijn drugsgebruik heeft dit versterkt. Op grond hiervan adviseert de psycholoog de verdachte bij een bewezenverklaring in verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten.

De psycholoog schat de kans op herhaling in als matig als de verdachte geen adequate behandeling en begeleiding krijgt en adviseert dat de reeds geïnitieerde ambulante behandeling bij Fivoor (of bij een vergelijkbare instelling) zo snel mogelijk dient te worden opgestart. Hierbij is het van belang dat de verdachte zijn emotieregulatie en copingvaardigheden versterkt en werkt aan zijn identiteitsproblematiek, werk zoekt en een sociaal netwerk opbouwt. De psycholoog adviseert om deze behandeling als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een verplicht reclasseringstoezicht.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu voornoemde conclusies van de psycholoog gedragen worden door zijn bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De rechtbank beschouwt de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde in verminderde mate toerekeningsvatbaar.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter, anders dan door de officier van justitie is geëist, afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf, zodat de geadviseerde behandeling als bijzondere voorwaarde kan worden opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank houdt voorts rekening met de houding van de verdachte. Hij heeft het feit bekend, neemt de volle verantwoordelijkheid voor zijn daad (ook in financiele zin), en heeft aangegeven dat hij is geschrokken van zijn gedrag en er spijt van heeft.

De rechtbank zal daarnaast aan de verdachte een contactverbod als bijzondere voorwaarde opleggen, nu dit door de aangever [naam aangever] is verzocht en de verdachte zich daar niet tegen verzet.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.200,00 aan immateriële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, en niet door de verdachte is betwist, zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 27 april 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 54 (vierenvijftig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 27 dagen;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal op geen enkele wijze contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met aangever [naam aangever] , gedurende de proeftijd, of zoveel korter als het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

2. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

3. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van Fivoor of soortgelijke zorgverlener, en zal zich houden aan de huisregels en aanwijzingen die door of namens de zorgverlener worden gegeven, waarbij het innemen van medicijnen onderdeel van de behandeling kan zijn, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de zorgverlener verantwoord vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.200,00 (zegge: twaalfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 1.200,00 (hoofdsom, zegge: twaalfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.200,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. L. Daum en F. van Buchem, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Spanner, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 27 april 2019 te Rotterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een woning, gelegen aan [adres ] en/of aan [naam aangever] , met dat opzet
- in die woning en/of over (de benen en/of het shirt van) die [naam aangever] benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft gegoten en/of
- (daarbij) de woorden heeft toegevoegd 'Ik ga je woning in de brand zetten!' en/of 'Waar is het vuur?', althans woorden van gelijke aard of strekking
en daarvan
- gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of de inboedel van die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [naam aangever] , in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2019 te Rotterdam
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijke brandstichting,terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (art. 157 Sr.),
opzettelijk een jerrycan met benzine, althans een brandbare vloeistof, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

2
hij op of omstreeks 27 april 2019 te Rotterdam [naam aangever] heeft bedreigd met brandstichting en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:
- in een woning, gelegen aan [adres ] en/of over (de benen en/of het shirt van) die [naam aangever] benzine, althans een brandbare vloeistof, gegoten en/of
- (daarbij) de woorden toegevoegd 'Ik ga je woning in de brand zetten!',
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;