Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7591

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
10/157912-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft het slachtoffer bedreigd door een gaspistool op hem te richten en een schot te lossen in zijn richting. Onvoorwaardelijk gedeelte gevangenisstraf gelijk aan voorarrest. Schadevergoeding en contactverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/157912-18

Datum uitspraak: 25 september 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Kaapverdië) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. M. Jansen, advocaat te Spijkenisse.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.B.J. ten Have heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 42 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met betrekking tot het slachtoffer;

  • -

    gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4 Waardering van het bewijs

Standpunt verdediging

Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat de verdachte weliswaar een wapen in zijn hand heeft gehad, maar dat er ongewild een schot is gelost toen de verdachte en het slachtoffer tegenover elkaar stonden. De verdachte wilde het slachtoffer op afstand houden en was niet van plan op hem te schieten. Van opzet is daarom geen sprake. Een wapen kan zomaar afgaan, bijvoorbeeld als de trekkerspanning te strak is afgesteld.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden zijn uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de bewijsmiddelen naar voren gekomen.

Tijdens de woordenwisseling met het slachtoffer hield de verdachte zijn hand in zijn tas. Hij hoopte dat het slachtoffer daardoor dusdanig onder de indruk zou zijn dat hij niet op de verdachte zou aflopen. Kennelijk werkte dit niet, want het slachtoffer bleef op de verdachte aflopen. De verdachte stapte naar achteren en trok op een gegeven moment het wapen. De verdachte zwaaide met het wapen en er is een schot gelost.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er een schot zou worden gelost, zodat er in elk geval sprake is van voorwaardelijk opzet.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het slachtoffer heeft bedreigd door een vuurwapen op hem te richten en een schot te lossen in de richting van het slachtoffer.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

hij op 07 augustus 2018 te Rotterdam,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend een vuurwapen op die [naam slachtoffer] gericht en een schot gelost in de

richting van (het lichaam van) die [naam slachtoffer] ;

2

hij op 7 augustus 2018 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet

wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in

de vorm van een gaspistool voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is door het latere slachtoffer op straat aangesproken. Tijdens een woordenwisseling die hierop volgde heeft de verdachte het slachtoffer bedreigd door een vuurwapen op hem te richten en een schot te lossen in zijn richting. De loop van het wapen was dusdanig aangepast dat er geen kogels mee verschoten konden worden, maar dat wist het slachtoffer niet. Het slachtoffer heeft weliswaar geen letsel opgelopen, maar hij is wel enorm geschrokken en was even bang voor zijn leven.

Vuurwapens worden steeds meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en kunnen tot zeer gevaarlijke situaties leiden. Dit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid in de openbare ruimte met zich. Hoe meer wapens er onder de mensen circuleren, hoe groter de kans dat deze worden gebruikt, zoals ook in het onderhavige geval is gebleken. Tegen het bezit en gebruik van wapens moet dan ook fors worden opgetreden.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

10 augustus 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze veroordelingen dateren echter van langere tijd geleden en zullen daarom niet van invloed zijn op het bepalen van de strafmaat.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 29 maart 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

“Betrokkene lijkt een stabiel leven te leiden. Hij heeft een zinvolle dagbesteding, inkomsten, een stabiele partnerrelatie en stabiele huisvesting. Er is wel sprake van schulden, maar hiervoor zijn goed lopende betalingsregelingen getroffen. Al deze zaken kunnen mogelijke beschermde factoren zijn.

Het is niet duidelijk dat begeleiding en behandeling nodig is om het risico op recidive betreffende soortgelijke delicten terug te dringen. Betrokkene komt namelijk niet structureel in aanraking met justitie wegens geweldsdelicten en tot op heden zijn er geen nieuwe confrontaties met het slachtoffer geweest.”

Geadviseerd wordt een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een contactverbod.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarde die hierna wordt genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet, in navolging van het advies van de reclassering, geen reden om een gedragsinterventie en reclasseringsbegeleiding op te leggen. Het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen straf zal gelijk zijn aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Hij hoeft dus niet terug naar de gevangenis.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Het slachtoffer [naam benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.910,02 aan materiële schade en een vergoeding van € 6.000,00 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering, te weten de post ‘reis- en parkeerkosten’. Dit is een bedrag van € 25,02. Daarnaast dient de post ‘telefoon-, porto-, print- en kopieerkosten’ te worden gematigd tot een bedrag van € 25,00 . In totaal is dit een bedrag van € 50,02 als vergoeding van materiële schade.

Ten aanzien van de overige posten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is, omdat die posten in de visie van de officier van justitie niet of onvoldoende zijn onderbouwd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit het standpunt van de officier van justitie grotendeels te volgen, met dien verstande dat hij heeft betoogd dat slechts een gedeelte van de post ‘reiskosten’ voor toewijzing in aanmerking komt.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat in voldoende mate kan worden vastgesteld dat het slachtoffer de hierna te noemen gevorderde kosten heeft gemaakt:

- reis- en parkeerkosten € 25,02

- telefoon-, porto-, print- en kopieerkosten (geschat) € 25,00 +

- totaal € 50,02.

De vordering zal dan ook ten aanzien van de materiële schade voor dit bedrag, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

De benadeelde partij zal in de vordering ter vergoeding van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de gestelde verhuiskosten nog niet zijn gemaakt. Nog daargelaten dat niet bekend is welke kosten gepaard zullen gaan met de verhuizing van de benadeelde partij. Ten aanzien van de post ‘urgentieverklaring’ ontbreekt een bewijsstuk ter onderbouwing van het gevorderde bedrag.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op vergoeding van de immateriële schade, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Een goede beoordeling van dit deel van de vordering vergt immers nader onderzoek naar onder meer de vraag in hoeverre sprake is van een aandeel van de benadeelde partij voorafgaand aan het onder 1 bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 7 augustus 2018.

Nu een deel van de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 50,02 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdtwintig (120) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot tweeënveertig (42) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] ;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarde is verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

ten aanzien van feit 1:

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 50,02 (zegge: vijftig euro en twee cent), aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 50,02 (hoofdsom, zegge: vijftig euro en twee cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 50,02 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (een) dag; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

en mrs. J. Bergen en T. van den Akker, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 07 augustus 2018 te Rotterdam,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, op die [naam slachtoffer] gericht en/of een schot gelost op, althans in de

richting van, (het lichaam van) die [naam slachtoffer] ;

2

Dat hij op of omstreeks 7 augustus 2018 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet

wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in

de vorm van een gaspistool

voorhanden heeft gehad.