Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7589

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
10/810359-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor zedenfeiten met drie minderjarige jongens. Bewijsoverweging met betrekking tot bewijsminimum en betrouwbaarheid van de verklaringen. Gevangenisstraf van drie jaar en vrijheidsbeperkende maatregel. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen en oplegging schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/810359-18

Datum uitspraak: 25 september 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Libië) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,
raadsman mr. A.W.J. van Galen, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort gezegd houdt de tenlastelegging in dat de verdachte tussen 2006 en 2016 in Vlaardingen:

  1. Met [naam slachtoffer 1] (hierna: [naam slachtoffer 1] ), die toen nog geen 12 jaar oud was, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van zijn lichaam;

  2. Met [naam slachtoffer 1] , die toen nog geen 16 jaar oud was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd;

  3. Met [naam slachtoffer 2] (hierna: [naam slachtoffer 2] ), die toen nog geen 16 jaar oud was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd;

  4. Met [naam slachtoffer 3] (hierna: [naam slachtoffer 3] ), die toen nog geen 16 jaar oud was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Loppé heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van alle vier de ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde niet kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Hiertoe is primair aangevoerd dat het wettig bewijs ontbreekt, omdat er geen steunbewijs is voor de afzonderlijke verklaringen van de aangevers en omdat hun verklaringen (om die reden) ook niet onderling als schakelbewijs kunnen worden gebruikt. Subsidiair is aangevoerd dat de verklaringen van de aangevers onbetrouwbaar zijn en daarom niet aan het bewijs kunnen bijdragen. De verklaringen zijn namelijk (onderling) beïnvloed, inconsistent, innerlijk tegenstrijdig, onduidelijk en/of onaannemelijk. Meer subsidiair geldt voor enkele handelingen die de verdachte met [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] zou hebben verricht, dat zij op dat moment mogelijk al 16 jaar oud waren.

4.1.2.

Beoordeling

4.1.2.1 Inhoud van de relevante verklaringen

Begin augustus 2018 heeft de dan 12-jarige [naam slachtoffer 1] zijn moeder verteld dat hij tussen zijn achtste en elfde jaar seksueel misbruikt is door de verdachte, die destijds een vriend van de familie was. [naam slachtoffer 1] heeft hierover bij de politie en later bij de rechter-commissaris, het volgende verklaard. Op verschillende momenten wanneer hij bij de verdachte thuis op bezoek was, nam de verdachte hem apart. [naam slachtoffer 1] moest dan bij de verdachte op schoot zitten en hem een kusje op zijn mond geven. De verdachte trok zich daarnaast af op [naam slachtoffer 1] , liet [naam slachtoffer 1] een aantal keren zijn penis betasten en likken, heeft een keer zijn vinger in de anus van [naam slachtoffer 1] gedaan en heeft ook een keer geprobeerd om zijn piemel in de anus van [naam slachtoffer 1] te steken. De verdachte gaf [naam slachtoffer 1] af en toe geld om hem stil te houden.

Ook [naam slachtoffer 3] , de oudere broer van [naam slachtoffer 1] , heeft verklaard dat de verdachte ‘dingen’ bij hem heeft gedaan toen hij jong was. Hij verklaart onder meer dat hij, wanneer hij bij de verdachte thuis was nadat hij Arabische lessen van hem had gekregen, bij hem op schoot moest zitten en dat hij de verdachte dan een kusje op zijn mond moest geven. Daarnaast heeft de verdachte, toen [naam slachtoffer 3] ouder was, tijdens het geven van een rugmassage zijn billen, anus, ballen en penis betast.

Ook [naam slachtoffer 2] verklaart vervolgens in zijn jeugd seksueel te zijn misbruikt door de verdachte. [naam slachtoffer 2] verklaart dat hij regelmatig bij de verdachte op bezoek kwam en andersom. Hij moest dan bij de verdachte op schoot komen zitten. De verdachte betastte en masseerde ook vaak zijn blote billen en sloeg op of kneep in zijn penis. Eens wilde de verdachte hem ‘de grote wassing’ leren. De verdachte stond toen naakt in de douche en ging zich masturberen waar [naam slachtoffer 2] bij was. De verdachte heeft hem eens getroost en omgekocht met twintig euro.

De verdachte heeft verklaard dat zowel [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 2] vroeger (regelmatig) bij hem thuis op bezoek kwamen en dat hij [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 2] Arabische/Koranlessen heeft gegeven. Ook heeft hij verklaard dat hij [naam slachtoffer 2] eens ‘de grote wassing’ heeft uitgelegd en dat hij [naam slachtoffer 3] eens door middel van hijama (‘cupping’) aan zijn rug heeft behandeld.

4.1.2.2. Beoordeling van hun betrouwbaarheid en ondersteuning in andere bewijsmiddelen

De verklaringen van de aangevers komen voor wat betreft specifieke handelingen van de verdachte en de wijze waarop hij de slachtoffers benaderde en tot zwijgen bewoog, in belangrijke mate met elkaar overeen. Meermalen wordt immers verklaard over het door verdachte bij hem thuis op schoot worden getrokken, het moeten geven van kusjes op zijn mond, het betasten/masseren van de billen en het (na het ondergaan van handelingen) ontvangen van geld van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen hiermee op essentiële punten dermate grote overeenkomsten vertonen dat deze verklaringen elkaar onderling ondersteunen en betrouwbaar maken. De verklaringen van de aangevers zijn op zichzelf bovendien voldoende consistent, concreet en gedetailleerd.

Dat de verklaringen op sommige punten enige niet essentiele innerlijke tegenstrijdigheden en abstracties bevatten is inherent aan het feit dat het herinneringen betreft van meerdere jaren geleden en doet op zichzelf niet af aan hun betrouwbaarheid.

Uit het dossier volgt daarnaast dat de aangevers voorafgaand aan hun aangiftes onderling contact hebben gehad over hun ervaringen. Uit de verklaringen van [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 2] volgt dat door het feit dat [naam slachtoffer 1] is gaan verklaren over de seksuele handelingen door verdachte, zij de drempel hebben kunnen nemen om te vertellen over de ontuchtige handelingen die verdachte ook bij hen heeft verricht. Voorts blijkt uit die verklaringen dat zij zich daarvoor enorm schamen en om die reden daarover niet eerder met iemand hadden gesproken. De rechtbank ziet gelet hierop geen reden om aan te nemen dat de betreffende verklaringen niet betrouwbaar zijn. Temeer omdat de aangevers bij de politie aanvankelijk terughoudend hebben verklaard.

Op grond van het voorgaande merkt de rechtbank de verklaringen van de aangevers als authentiek en betrouwbaar aan, zowel wat hun totstandkoming als hun inhoud betreft. Zij zijn daarom bruikbaar voor het bewijs.

Dit leidt ertoe dat er drie belastende verklaringen zijn die, gelet op hun onderlinge overeenkomsten op essentiële punten, elkaar ondersteunen en die bovendien op zowel algemene punten (de aangevers kwamen ook volgens verdachte inderdaad vaak bij hem thuis) als specifieke punten (hij heeft [naam slachtoffer 2] eens ‘de grote wassing’ uitgelegd en hij heeft [naam slachtoffer 3] inderdaad eens aan zijn rug behandeld) steun vinden in de door de verdachte afgelegde verklaring. Op grond hiervan zijn de ten laste gelegde feiten – op enkele (technische) punten na – wettig en overtuigend bewezen.

4.1.2.3 Voorwaardelijk verzoek om een schouw

De verdediging heeft een verzoek gedaan om een schouw te laten plaatsvinden in de woning van de verdachte in het geval het betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot de verklaring van [naam slachtoffer 1] gepassseerd zou worden. Hiertoe is aangevoerd dat het in de rede had gelegen dat iemand iets gemerkt zou moeten hebben van de handelingen van de verdachte, gelet op het feit dat zijn huis klein en gehorig is.

Hiervoor is overwogen waarom de rechtbank de verklaring van [naam slachtoffer 1] (wel) betrouwbaar acht. De rechtbank heeft bovendien kennis genomen van de beelden van de woning van de verdachte die zich in het dossier bevinden. In het licht hiervan ziet de rechtbank geen noodzaak voor een schouw en zal het verzoek dan ook worden afgewezen.

4.1.2.4. Partiële vrijspraak

Onder feit 4 zijn onder het 2e t/m 4e gedachtenstreepje gedragingen aan de verdachte ten laste gelegd die in verband staan met de rugmassage die de verdachte aan [naam slachtoffer 3] heeft gegeven. De rechtbank gaat ervanuit dat de verdachte deze gedragingen heeft verricht. Onderdeel van de tenlastelegging is echter ook dat [naam slachtoffer 3] destijds nog geen 16 jaar oud was. [naam slachtoffer 3] heeft hierover bij de politie verklaard dat hij toen 15 of 16 jaar oud was. Bij de rechter-commissaris heeft hij vervolgens verklaard dat hij toentertijd 11, 12, 13 of 14 was. Op basis van het dossier kan in onvoldoende mate worden vastgesteld wanneer de massage heeft plaatsgevonden, en dus of [naam slachtoffer 3] destijds jonger was dan 16 jaar. Om die – technische – reden zal de verdachte op dit onderdeel worden vrijgesproken. Dit gedeelte van de verklaring van [naam slachtoffer 3] is desondanks opgenomen als bewijsmiddel, nu deze verklaring gelet op de eerder genoemde overeenkomsten met de verklaringen van de andere aangevers ondersteunend is voor het bewijs van de (wel) bewezenverklaarde seksuele handelingen bij die andere aangevers.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de minderjarigen [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 2] en tevens dat hij met [naam slachtoffer 1] handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van zijn lichaam.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 25 maart 2013 tot en met 25 maart 2016 te Vlaardingen met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2006), handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- brengen en houden van een vinger in de anus van die [naam slachtoffer 1] ;

2.

hij in de periode van 25 maart 2013 tot en met 25 maart 2016 te Vlaardingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2006), meermalen,

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het

- zich op de mond laten kussen door die [naam slachtoffer 1] en

- die [naam slachtoffer 1] bij hem, verdachte, op schoot laten zitten en

- tonen van zijn, verdachtes, penis aan die [naam slachtoffer 1] en

- laten betasten en likken van zijn, verdachtes, penis door die [naam slachtoffer 1] en

- masturberen en (vervolgens) klaarkomen en/of ejaculeren in aanwezigheid van die [naam slachtoffer 1] en

- ( gedeeltelijk) ontkleden van die [naam slachtoffer 1] en

- duwen/brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis tussen de billen van die [naam slachtoffer 1] ;

3.

hij in de periode van 6 december 2008 tot en met 5 december 2013 te Vlaardingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten met [naam slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1997), meermalen,

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het

- die [naam slachtoffer 2] bij hem, verdachte, op schoot laten zitten en

- ( onder de kleding) masseren en/of betasten en/of aanraken van de billen van die [naam slachtoffer 2] en

- ( over de kleding) betasten en/of aanraken van de penis van die [naam slachtoffer 2] en

- tonen van zijn, verdachtes, penis aan die [naam slachtoffer 2] en masturberen in aanwezigheid van die [naam slachtoffer 2] ;

4.

hij in de periode van 23 juni 2006 tot en met 22 juni 2015 te Vlaardingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten met [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1999), meermalen, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het

- zich op de mond laten kussen door die [naam slachtoffer 3] en/ die [naam slachtoffer 3] bij hem, verdachte, op schoot laten zitten .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

Feiten 2, 3 en 4 (telkens):

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich gedurende een langere periode meermalen schuldig gemaakt aan zedenfeiten met drie jonge jongens. De gedragingen van de verdachte variëerden van het op zijn schoot laten zitten en op zijn mond laten kussen door de jongens, tot het masturberen in hun aanwezigheid, het laten betasten en likken van zijn penis door één van hen en het brengen van zijn vinger in de anus en van zijn penis tussen de billen van één van hen. De jongste van de drie jongens, bij wie de verdachte de meest vergaande handelingen heeft gepleegd, was nog geen 12 jaar oud.

De verdachte heeft met zijn handelen een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat door seksueel misbruik de psychische gezondheid van de slachtoffers ernstig kan worden geschaad. Dat blijkt ook uit de ter terechtzitting namens [naam slachtoffer 1] en zijn ouders voorgelezen slachtofferverklaringen. De verdachte heeft zich niet om deze gevolgen bekommerd, maar zich enkel door zijn eigen (lust)gevoelens laten leiden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 juli 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de verschillende rapportages die zijn opgesteld omtrent de persoon van de verdachte.

De verdachte is in eerste instantie ambulant onderzocht door GZ-psycholoog drs. P.E. Geurkink en psychiater dr. J. van der Meer (respectievelijke rapportages d.d. 31 oktober en 6 november 2018). Omdat hij deels niet mee heeft gewerkt aan het onderzoek en omdat hij de ten laste gelegde feiten ontkende, onthielden beiden zich van conclusies en/of (behandel)adviezen.

Vervolgens is de verdachte klinisch onderzocht in het Pieter Baan Centrum. In dit kader hebben GZ-psycholoog T.W. van de Kant en psychiater A.E. Grochowska een rapport opgesteld, gedateerd 17 juni 2019. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Wegens betrokkenes weigerende onderzoekshouding is het niet mogelijk geweest om zijn

seksuele belevingen, fantasieën en gedragingen te bespreken. Een seksuele stoornis

kan derhalve niet worden aangetoond of uitgesloten. Ook is het niet mogelijk de vraag te beantwoorden of er bij betrokkene, in het bijzonder ten tijde van het ten laste gelegde, sprake was van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Ook deze onderzoekers onthouden zich daarom van een (behandel)advies.

Reclassering Nederland heeft twee rapportages over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 november 2018 en 4 juli 2019. De reclassering geeft in overweging om een ambulante behandelverplichting op te leggen om alsnog zicht te krijgen op het gedrag en eventuele daaraan ten grondslag liggende problematiek van de verdachte, maar zet tevens haar vraagtekens bij de haalbaarheid hiervan, gelet op verdachtes weigerachtige houding ten aanzien van meewerking aan onderzoek en het bespreekbaar maken van seksualiteit.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer soortgelijke zaken worden opgelegd.

De verdachte is door meerdere psychologen en psychiaters uitgebreid onderzocht, maar geen van hen heeft zicht kunnen krijgen op eventuele aan de gepleegde feiten ten grondslag liggende problematiek. De rechtbank ziet daarom geen heil in het opleggen van een medewerkingsverplichting aan nader onderzoek en/of behandeling en zal daarom ook geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar passend en geboden. Deze straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie van vier jaar gevangenisstraf. Dit komt ten dele voort uit het feit dat de verdachte op enkele onderdelen wordt vrijgesproken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie geëist, is weggelegd voor nog ernstigere delicten.

Om te voorkomen dat de slachtoffers met de verdachte worden geconfronteerd, zal aan de verdachte daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de slachtoffers, zulks voor de duur van vijf jaren. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen jegens voornoemde personen, zal worden bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet wordt vervangende hechtenis toegepast voor de duur van één week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.

8 Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Vorderingen benadeelde partijen

8.1.1.

[naam slachtoffer 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] , als wettelijk vertegenwoordiger van [naam slachtoffer 1] , ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 17.500,00 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering slechts gedeeltelijk toe te wijzen, met verwijzing naar uitspraken in gelijksoortige zaken.

Beoordeling

Gezien de aard en de ernst van het seksueel misbruik ligt het voor de hand dat dit voor [naam slachtoffer 1] leidt tot psychische schade. Dit volgt bovendien uit de met stukken onderbouwde verklaring die is overgelegd, waaruit blijkt dat [naam slachtoffer 1] is behandeld vanwege psychische klachten naar aanleiding van het seksueel misbruik. Daarmee is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 25 maart 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

8.1.2.

[naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] , ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 10.000,00 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering slechts gedeeltelijk toe te wijzen, met verwijzing naar uitspraken in gelijksoortige zaken en bovendien omdat de vordering niet is onderbouwd met rapportages.

Beoordeling

Gezien de aard en de ernst van het seksueel misbruik ligt het voor de hand dat dit voor [naam benadeelde 2] leidt tot psychische schade. Daarom is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 5 december 2013.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

8.1.3.

[naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3] , ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 10.000,00 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering slechts gedeeltelijk toe te wijzen, met verwijzing naar uitspraken in gelijksoortige zaken en bovendien omdat de vordering niet is onderbouwd met rapportages.

Beoordeling

Gezien de aard en de ernst van het seksueel misbruik ligt het voor de hand dat dit voor [naam benadeelde 3] leidt tot psychische schade. Daarom is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 22 juni 2015.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

8.2.

Schadevergoedingsmaatregelen

Standpunt officier van jusititie

De officier van jusitite heeft voor elk van de vorderingen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen dan wel te beslissen dat aan de betalingsverplichting een in tijd beperkte vervangende hechtenis wordt verbonden. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte onvoldoende in staat is om verhaal te bieden, waardoor oplegging van de maatregel slechts zal leiden tot tenuitvoerlegging van de daaraan verbonden vervangende hechtenis.

Beoordeling

Aan het doel en de strekking van de schadevergoedingsmaatregel ligt de gedachte ten grondslag het slachtoffer de inning van het aan hem verschuldigde uit handen te nemen. Bovendien leidt oplegging van deze maatregel voor de slachtoffers tot meer zekerheid over de daadwerkelijke ontvangst van de toegekende schadevergoeding. Met het oog op deze belangen van de slachtoffers acht de rechtbank het opportuun om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het door de verdediging aangehaalde mogelijke gebrek aan draagkracht van de verdachte biedt, mede gelet op de hoogte van de toe te wijzen vergoedingen, geen aanleiding om van het opleggen van de maatregel af te zien.

Conclusie

Oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt voor elk van de toegewezen vorderingen passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 5 (vijf) jaar, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden van direct of indirect contact met de drie slachtoffers, te weten:

[naam slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2006;

[naam slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1997;

[naam slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1999;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 (één) week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , als wettelijk vertegenwoordiger van [naam slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van
€ 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.000,00 (hoofdsom, zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 5.000,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 2.500,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 5 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.500,00 (hoofdsom, zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.500,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 35 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.000,00 (hoofdsom, zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.000,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. J.C. Tijink en A.M.T.A. Verhagen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2019.

Mrs. J.C. Tijink en A.M.T.A. Verhagen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 25 maart 2013 tot en met 25 maart 2016 te Vlaardingen met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2006), meermalen, althans éénmaal, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het (telkens)

- brengen en/of houden van (een) vinger(s) in de anus van die [naam slachtoffer 1] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [naam slachtoffer 1] ;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 25 maart 2013 tot en met 25 maart 2016 te Vlaardingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2006), meermalen, althans éénmaal,

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het (telkens)

- zich op de mond laten kussen door die [naam slachtoffer 1] en/of

- die [naam slachtoffer 1] bij hem, verdachte, op schoot laten zitten en/of

- tonen van zijn, verdachtes, penis aan die [naam slachtoffer 1] en/of

- laten betasten en/of likken van zijn, verdachtes, penis door die [naam slachtoffer 1] en/of

- masturberen en/of (vervolgens) klaarkomen en/of ejaculeren in aanwezigheid van die [naam slachtoffer 1] en/of

- ( gedeeltelijk) ontkleden van die [naam slachtoffer 1] en/of

- duwen/brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis tussen de billen van die [naam slachtoffer 1] ;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 06 december 2008 tot en met 5 december 2013 te Vlaardingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten met [naam slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1997), meermalen, althans éénmaal,

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het (telkens)

- die [naam slachtoffer 2] bij hem, verdachte, op schoot laten zitten en/of

- ( onder de kleding) masseren en/of betasten en/of aanraken van de billen van die [naam slachtoffer 2] en/of

- ( over de kleding) betasten en/of aanraken van de penis van die [naam slachtoffer 2] en/of

- tonen van zijn, verdachtes, penis aan die [naam slachtoffer 2] en/of masturberen in aanwezigheid van die [naam slachtoffer 2] ;

4.

hij op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 23 juni 2006 tot en met 22 juni 2015 te Vlaardingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten met [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 1999), meermalen, althans éénmaal, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het (telkens)

- zich op de mond laten kussen door die [naam slachtoffer 3] en/of die [naam slachtoffer 3] bij hem, verdachte, op schoot laten zitten en/of

- masseren en/of betasten en/of aanraken van de rug en/of de billen van die [naam slachtoffer 3] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, hand(en)/vinger(s) in/tussen de bilspleet van die [naam slachtoffer 3] en/of betasten/aanraken van de anus en/of de ballen van die [naam slachtoffer 3] en/of

- vastpakken van de penis van die [naam slachtoffer 3] .