Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7485

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-09-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
13.525 RK en 14.592 RK
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schone lei ondanks nieuwe schuld en behoud overwerkvergoeding

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

verlening schone lei

insolventienummer: [nummers]

uitspraakdatum: 13 september 2019

Bij vonnis van deze rechtbank van 18 september 2014 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam 1] en [naam 2] ,

[adres]

[woonplaats] ,

schuldenaren,

bewindvoerder: mr. W.P. Groenendijk.

1 De procedure

De voordracht tot tussentijdse beëindiging van 28 mei 2015 is bij vonnis van 29 juli 2015 afgewezen en verlengd met één jaar.

Bij vonnis van 11 mei 2017 is de voordracht tot tussentijdse beëindiging van
12 januari 2017 eveneens afgewezen en verlengd met één jaar.

De bewindvoerder heeft op 4 juni 2019 schriftelijk verslag uitgebracht over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Op 22 augustus 2019 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht omtrent de laatste stand van zaken.

De advocaat heeft op 28 augustus 2019 zijn standpunt aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

De beëindiging is behandeld ter terechtzitting van 30 augustus 2019. De heer
mr. W.P. Groenendijk, bewindvoerder, en schuldenaren, bijgestaan door hun advocaat, de heer mr. P.A. Loeff, zijn verschenen.

De uitspraak is bij vervroeging bepaald op heden.

2 De feiten

Schuldenaren zijn op 18 september 2014 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De regeling van schuldenaren is tweemaal voorgedragen voor tussentijdse beëindiging. Op deze voordrachten is vonnis gewezen op 29 juli 2015 en 11 mei 2017, waarbij de voordrachten zijn afgewezen en de regelingen verlengd zijn telkens met een jaar. Schuldenaren zijn niet in hoger beroep gegaan, waardoor de vonnissen onherroepelijk zijn geworden. De boedelachterstand bedroeg ten tijde van de behandeling van 30 augustus 2019 € 7.262,13. Daarbij is uitgegaan van een vergoeding voor de afkoop van de levensverzekeringen ten bedrage van € 2.465,-. Uit de stand van zaken van de bewindvoerder van 22 augustus 2019 blijkt dat de nieuwe schulden aan de Belastingdienst inzake terugvordering toeslagen over de periode 2015-2018 in totaal € 6.427,- bedragen. De werkgever van schuldenaar heeft een bedrag van € 15.000,- beschikbaar gesteld om de nieuwe schulden en de boedelachterstand mee te voldoen. Dit bedrag betreft geen schenking. In de periode november 2016 tot en met juli 2017 heeft schuldenaar een bedrag van € 6.651,70 uit hoofde van overwerk verdiend. Bij de berekening van de boedelachterstand is geen rekening gehouden met behoud van 50 procent van de inkomsten uit overwerk over deze periode. De rechter-commissaris heeft op 30 augustus 2017 toestemming verleend om 50 procent van de inkomsten uit overwerk te mogen behouden.

3 De standpunten

Voor de standpunten van de rechter-commissaris, de bewindvoerder, de advocaat en schuldenaren verwijst de rechtbank naar de desbetreffende gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

4 De beoordeling

De vonnissen van 29 juli 2015 en 11 mei 2017 zijn onherroepelijk geworden. De benadeling van de schuldeisers door de afkoop van de levensverzekeringen is onderdeel geweest van beide zittingen waarbij de voordrachten tot tussentijdse beëindiging zijn behandeld. Ten tijde van de zitting in het kader van de tweede voordracht is uitgegaan van een bedrag van
€ 2.465,- ter zake van benadeling van schuldeisers. In deze procedure is door schuldenaren, bijgestaan door hun advocaat, een betalingsregeling aangeboden om de boedelachterstand, daaronder begrepen de vergoeding van de benadeling van crediteuren, alsmede de nieuwe schulden in de verlenging van andermaal één jaar, in te lopen. De rechtbank heeft schuldenaren het voordeel van de twijfel ten aanzien van de haalbaarheid gegeven, nu schuldenaren werden bijgestaan door een advocaat. De rechtbank heeft in haar vonnis van 11 mei 2017 uitdrukkelijk overwogen dat schuldenaren alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen stipt dienden na te komen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat gedurende beide verlengingen de reguliere afdrachtplicht van toepassing was.

De rechtbank is van oordeel dat schuldenaar recht heeft op behoud van 50 procent van de overwerkvergoeding over de periode november 2016 tot juli 2017. De rechtbank neemt hierin mee dat de rechter-commissaris op 30 augustus 2017 heeft beslist dat schuldenaar 50 procent van zijn overwerkvergoeding mocht behouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter-commissaris niet over de periode november 2016 tot juli 2017 beslist. De bewindvoerder had in zijn verzoek van 10 augustus 2017 vermeld dat hij er zonder tegenbericht vanuit zou gaan dat de toestemming voor behoud van 50 procent van het overwerk niet met terugwerkende kracht zou gelden. De bewindvoerder heeft hiermee niet expliciet toestemming gevraagd voor behoud van 50 procent van de overwerkvergoeding voor voornoemde periode. De rechtbank acht het redelijk om ten aanzien van deze overwerkvergoeding eveneens 50 procent te laten behouden en het daarmee gemoeide bedrag van € 3.325,85 in mindering te brengen op de boedelachterstand. De rechtbank volgt de bewindvoerder niet in zijn standpunt dat de volledige overwerkvergoeding van schuldenaar in de boedel moet vloeien nu schuldenares niet 36 uur per week werkzaam was. Schuldenaren hebben immers in beginsel los van elkaar een inspanningsverplichting.

De boedelachterstand beloopt, rekening houdend met de verrekening van de overwerkvergoeding, een bedrag van € 3.936,28.

De schuldenaren hebben nieuwe schulden aan de Belastingdienst laten ontstaan van in totaal € 6.427,- inzake terugvorderingen van toeslagen over de periode 2015-2018. De rechtbank is van oordeel dat deze schulden, anders dan namens schuldenaren is aangevoerd, (deels) verwijtbaar zijn nu de schulden zien op teruggevorderde toeslagen over vier opeenvolgende jaren. Schuldenaren hadden eerder moeten en kunnen beseffen dat zij te veel toeslagen ontvingen. Het had op de weg van schuldenaren gelegen de toeslagen stop te zetten dan wel te verlagen.

De werkgever van schuldenaar heeft een bedrag van € 15.000,00 beschikbaar gesteld om de boedelachterstand en de nieuwe schulden aan de Belastingdienst te voldoen. Schuldenaar zal het bedrag terugbetalen door een maandelijkse inhouding op zijn loon. Dit betekent dat er een nieuwe schuld ontstaat. Een nieuwe schuld kan de verlening van de schone lei in de weg staan.

De rechtbank is echter van oordeel dat schuldenaren, ondanks de nieuwe schuld aan de werkgever, in aanmerking komen voor de schone lei. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in haar overwegingen betrokken. Indien de regeling zonder schone lei beëindigd zou worden, zou dat ertoe leiden dat schuldenaren binnen 10 jaar niet de mogelijkheid hebben om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Gedurende deze 10 jaar zouden schuldenaren weer te maken hebben met een schuldenlast van
€ 258.385,21. Na deze 10 jaar zullen schuldenaren in beginsel opnieuw 3 jaar de schuldsaneringsregeling moeten doorlopen om schuldenvrij te raken. Schuldenaren hebben inmiddels een jaar faillissement en vijf jaar schuldsaneringsregeling achter de rug. Het niet toekennen van de schone lei zou leiden tot een te zware consequentie afgezet tegen de mogelijkheid van een schone lei met een nieuwe schuld aan de werkgever van schuldenaar. Dat een werkgever tot een dergelijke lening bereid is, betekent dat schuldenaar zich een goed werknemer heeft getoond. Tenslotte geldt dat de crediteuren geen nadeel zullen ondervinden; de boedelachterstand zal immers aangezuiverd worden.

Ter terechtzitting heeft schuldenaar toegezegd dat de lening van zijn werkgever gebruikt zal worden voor het inlopen van de boedelachterstand en het voldoen van de nieuwe schulden aan de Belastingdienst. Nu de advocaat van schuldenaren heeft verklaard dat het geld van de werkgever op zijn derdenrekening staat en hij zorg zal dragen voor de betaling, hebben schuldenaren voldoende aannemelijk gemaakt dat zij deze toezegging zullen nakomen.

De rechtbank zal aan schuldenaren daarom de zogenoemde “schone lei” verlenen.

Het andersluidende advies van de bewindvoerder leidt niet tot een ander oordeel.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

3 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt vast dat schuldenaren toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en bepaalt dat deze tekortkoming gezien de bijzondere omstandigheden buiten beschouwing blijft;

  • -

    bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenaren eindigen op 18 september 2019;

  • -

    verleent de zogenoemde “schone lei” waardoor de na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaande vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal
€ 6.925,83.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.