Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7480

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-08-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
19-1178 en 19-1179 EA
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen derde aanzegging tot ontruiming.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummers]

uitspraakdatum: 29 augustus 2019

[verzoeker]

[adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 9 augustus 2019, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 9 augustus 2019 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 22 augustus 2019.

Ter zitting van 22 augustus 2019 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    mevrouw [naam 1] , bewindvoerder bij Obin B.V.;

  • -

    mevrouw. [naam 2] , werkzaam bij PLANgroep Lansingerland (hierna SHV);

  • -

    mevrouw. [naam 3] , werkzaam bij GGN Mastering Credit N.V. te Rotterdam; namens de stichting Stichting 3B Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster);

  • -

    mevrouw. [naam 4] , werkzaam bij de stichting Stichting 3B Wonen, gevestigd te Rotterdam.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 28 september 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Op 29 oktober 2018 heeft verzoeker de rechtbank eerder om een moratorium verzocht om verweerster te verbieden het vonnis van 28 september 2018 ten uitvoer te leggen. Bij vonnis van 6 december 2018 heeft de rechtbank het moratorium toegewezen en is de tenuitvoerlegging van de ontruiming van de woning van verzoeker voor de duur van zes maanden opgeschort. Op die manier is verzoeker in de gelegenheid gesteld het minnelijk schuldhulpverleningstraject te doorlopen.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij sinds het vorige moratorium, dat in december 2018 is uitgesproken, de lopende huurtermijnen betaalt. Ook is hij, omdat hij minimaal 36 uur moest werken, sindsdien twee keer van baan gewisseld. Verzoeker heeft verklaard dat hij zich in juni bij de KvK had ingeschreven om als ZZP’er in de brandpreventie te werken, juist om de extra schuld af te kunnen lossen. Echter toen dit door SHV nadrukkelijk werd afgeraden, heeft hij zich weer uitgeschreven. Verder heeft verzoeker verklaard dat hij inmiddels een Participatiewet uitkering heeft aangevraagd en contact heeft gehad met zijn vorige opdrachtgever om daar eventueel in loondienst te werken. Tot slot heeft verzoeker verklaard dat de schuldeisers zijn aangeschreven.

SHV heeft ter zitting verklaard dat verzoeker na toewijzing van het moratorium in december 2018 een tijd lang buiten beeld is geweest. In die periode heeft verzoeker zelf de huur betaald. In die tijd heeft verzoeker ook nieuwe boetes gekregen, welke inmiddels zijn betaald.

SHV heeft verklaard dat er nog geen budgetbeheer is aangevraagd. Wel is er een recent schuldenoverzicht opgemaakt zodat, afgezien van de dreigende ontruiming, met het schuldhulpverleningstraject kan worden gestart.

3 Het verweer

Verweerster heeft ter zitting verklaard dat verzoeker reeds enige jaren een (doorlopende) huurachterstand heeft. De openstaande huurschuld bedraagt inmiddels € 6.000,- (zonder extra kosten). Verweerster benadrukt dat dit de derde keer is dat ontruiming is aangezegd. Directe aanleiding voor deze ontruiming is het niet tijdig betalen van de huur van januari 2019. Met toewijzing van het moratorium in december 2018 is verzoeker al in de gelegenheid gesteld om tot een oplossing te komen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Weliswaar betaalt verzoeker sindsdien de lopende huurtermijnen, maar verzoeker deed dat vaak te laat. Bovendien heeft verzoeker nog niets van de bestaande huurachterstand afgelost en is hij ook niet met een betalingsvoorstel gekomen. Tot slot heeft verweerster verklaard dat de financiële situatie van verzoeker nog steeds niet stabiel is. Verweerster heeft dan ook geen vertrouwen in een concreet betalingsvoorstel op korte termijn en verzoekt het moratorium af te wijzen.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 28 september 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 26 juli 2018 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 13 augustus 2019 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 28 september 2018 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de ontstane huurachterstand en de lopende termijnen tijdig kunnen en zullen worden voldaan.

Gebleken is dat er in de maanden na het vorige moratorium onvoldoende stappen zijn genomen in de schuldhulpverlening. Er is geen budgetbeheer opgestart. Daarnaast heeft het minnelijk traject tijdelijk stilgelegen omdat verzoeker bij SHV buiten beeld is geweest. Daarom is het minnelijk traject nog niet afgerond. De rechtbank merkt op dat het de verantwoordelijkheid is van verzoeker om ervoor te zorgen dat het minnelijk traject door SHV voortvarend kan worden opgepakt. Het zijn immers zijn schulden. Bovendien heeft verzoeker, in de periode dat hij buiten beeld was, nieuwe schulden gemaakt. Voorts heeft verzoeker de lopende huur niet tijdig betaald. Door het te laat betalen van de huur van januari 2019 is voor de derde keer ontruiming aangezegd.

Tot slot is gebleken dat verzoeker niet over een stabiel inkomen beschikt. Verzoeker is in afwachting van een Participatiewet uitkering, dan wel een eventuele baan in loondienst. Er is derhalve geen sprake van een stabiele financiële situatie. De rechtbank acht een sluitend budgetplan op korte termijn dan ook niet aannemelijk.


Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerder zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van mr. R.S.S. Huizinga, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2019.