Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7470

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
ROT 18/6299
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het bestreden besluit heeft verweerder er op gewezen dat de overwegingen in het advies van de bezwaarschriftencommissie de motivering zijn van het besluit. De rechtbank constateert dat de commissie heeft aangenomen dat het opnieuw ontstaan van achterstanden bij de zorgverzekeraar de enige dragende reden is voor de beëindiging van eisers schuldhulpverleningstraject. Ter zitting heeft verweerder echter aangegeven dat ook de overige overwegingen in het primaire besluit ten grondslag hadden moeten liggen aan het bestreden besluit, waaronder de op eisers bankrekening aangetroffen betalingen aan een deurwaarder voor een dossier dat niet is opgenomen in de schuldregeling, een niet betaalde boete aan het CJIB als gevolg waarvan er beslag is gelegd op eisers vakantiegeld over 2018 en het door eiser niet tijdig en niet volledig voldoen aan verzoeken om gegevens te overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/6299

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. G.H. Amstelveen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel, verweerder,

gemachtigden: mr. N.D. Frits en [naam gemachtigde] .

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de schuldhulpverlening aan eiser op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) beëindigd en bepaald dat eiser drie jaar van verdere schuldhulp is uitgesloten.

Bij besluit van 1 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft eerder deelgenomen aan een schuldhulpverleningstraject van verweerder. Omdat een minnelijke regeling destijds niet mogelijk bleek, is eiser toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). In 2012 is de Wsnp voortijdig beëindigd zonder schone lei. Eiser is door verweerder bij besluit van 9 februari 2015 opnieuw toegelaten tot de schuldhulpverlening en heeft in dit verband op 2 februari 2015 en 9 februari 2015 een afsprakenformulier ondertekend. Op 9 februari 2015 heeft eiser tevens een (voorlopig) schuldhulpverleningscontract ondertekend, waarna hij in september 2015 is gestart met reserveringen voor de schuldeisers. Eiser heeft op 3 maart 2016 een schuldbemiddelingsovereenkomst ondertekend, waarin diverse verplichtingen voor hem zijn opgenomen en hem is medegedeeld dat alle schuldeisers hebben ingestemd met de minnelijke schuldregeling. Hierna hebben verschillende voortgangsgesprekken en heronderzoeken plaatsgevonden. Bij het primaire besluit heeft verweerder de schuldhulpverlening aan eiser beëindigd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt tijdens het schuldhulpverleningstraject, omdat hij afspraken niet is nagekomen en er diverse nieuwe achterstanden zijn ontstaan.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat het advies van de bezwaarschriftencommissie (de commissie) van 18 oktober 2018 de motivering is van het besluit. Aan het advies om eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond te verklaren heeft de commissie ten grondslag gelegd dat er opnieuw achterstanden zijn ontstaan bij zorgverzekeraar CZ en dat CZ heeft aangegeven niet verder te willen met het schuldhulpverleningstraject. Volgens de commissie is dit de reden om het traject te beëindigen. Een hersteltermijn is volgens de commissie niet meer aan de orde, omdat in een eerder stadium is aangegeven dat er geen hersteltermijn meer zal worden verleend. De commissie overweegt dat eiser weliswaar een moeilijke periode achter de rug heeft vanwege een woningbrand en dat de nodige coulance is betracht omdat eiser niet in de Wsnp kan, maar ziet hierin geen reden om opnieuw coulant te zijn.

3. Eiser voert aan dat hij er alles aan heeft gedaan om het traject succesvol af te ronden en dat hij nog maar twee maanden had te gaan alvorens hij het traject succesvol zou hebben afgerond. Volgens eiser is het traject mede door onzorgvuldig handelen van verweerder beëindigd. Eiser stelt dat hij bij verweerder heeft aangeven dat hij de nieuwe achterstand bij CZ zou kunnen inlopen met het schadebedrag dat hij zou ontvangen van Stedin voor de geleden (brand)schade in zijn woning en dat hij de achterstand op 22 juni 2018 ook heeft voldaan. Als verweerder hem een paar dagen respijt had gegeven, had CZ volgens eiser niet besloten om niet langer mee te werken. Verder voert eiser aan dat hij zelf niet bewust het risico heeft genomen om in de problemen te komen na de woningbrand door het niet afsluiten van een verzekering. Hij is hier weliswaar schriftelijk op gewezen door verweerder, maar verder is hier niet over gesproken. Het afsluiten van een verzekering zou bovendien zorgen voor extra schulden. Eiser stelt dat hij zelf heeft moeten voorzien in de kosten die als gevolg van de brand gemoeid waren met de verhuizing, waardoor hij niet genoeg heeft overgehouden om de maandelijkse kosten voor CZ te betalen. Eiser is van mening dat door de brand en de gevolgen daarvan een bijzondere situatie is ontstaan. Eiser neemt het verweerder kwalijk dat hij geen rekening heeft gehouden met zijn benarde situatie en hem geen opschorting van twee maanden heeft gegund. Volgens eiser is het onjuist dat hij de opschorting zelf zou hebben geweigerd. De achterstand in de betalingen van de zorgpremie had volgens eiser hoogstwaarschijnlijk kunnen worden voorkomen. Verder voert eiser aan dat hij weliswaar in een auto van de zaak reed, maar dat hij daar geen bijtelling over betaalde. Zijn werkgever bekostigde de auto, zodat geen sprake was van een leaseauto en deze niet van invloed was op zijn netto salaris. Eiser stelt dat hij zijn vakantiegeld als gevolg van een boete van het CJIB inderdaad niet heeft kunnen inzetten om zijn achterstanden in te lopen. Doordat de correspondentie via de leasemaatschappij ging en door de commotie rondom de brand, is de boete blijven liggen en is het hem ontschoten dit door te geven aan verweerder. Eiser stelt zich bereid om alsnog de maandelijkse boedelbijdrage te voldoen voor de resterende termijn die het traject nog geduurd zou hebben, zodat het traject alsnog succesvol afgerond kan worden.

4.1.

Op grond van artikel 6 van de Wgs doet de verzoeker aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de op hem van toepassing zijnde schuldhulpverlening of voor de uitvoering van deze wet.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wgs is de verzoeker verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.2.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregels Schuldhulpverlening (de Beleidsregels) doet verzoeker aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de op hem van toepassing zijnde schuldhulpverlening, zowel bij de aanvraag als gedurende de looptijd van het schuldhulpverleningstraject.

Op grond van het tweede lid is verzoeker verplicht om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens het schuldhulpverleningstraject. De medewerking bestaat onder andere uit:

a. het nakomen van afspraken;

b. geen nieuwe schulden aangaan;

c. op tijd betalen van de vaste lasten;

d. het zich houden aan de bepalingen van de schuldregelingsovereenkomst.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels besluit het college om schuldhulpverlening te weigeren dan wel te beëindigen indien verzoeker niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt zoals bepaald in artikel 4.

Op grond van het tweede lid wordt alvorens te besluiten tot weigering dan wel beëindiging ingevolge het eerste lid, verzoeker een redelijke hersteltermijn geboden om alsnog, binnen de gestelde termijn, de gevraagde medewerking te verlenen en/of informatie te verstrekken.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregels kan het college in zeer bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid.

5. Ter beoordeling ligt voor het bestreden besluit. In het bestreden besluit heeft verweerder er op gewezen dat de overwegingen in het advies van de commissie de motivering zijn van het besluit. De rechtbank constateert dat de commissie heeft aangenomen dat het opnieuw ontstaan van achterstanden bij zorgverzekeraar CZ de enige dragende reden is voor de beëindiging van eisers schuldhulpverleningstraject. Ter zitting heeft verweerder echter aangegeven dat ook de overige overwegingen in het primaire besluit ten grondslag hadden moeten liggen aan het bestreden besluit, waaronder de op eisers bankrekening aangetroffen betalingen aan deurwaarder [naam deurwaarder] voor een dossier dat niet is opgenomen in de schuldregeling, een niet betaalde boete aan het CJIB als gevolg waarvan er beslag is gelegd op eisers vakantiegeld over 2018 en het door eiser niet tijdig en niet volledig voldoen aan verzoeken om gegevens te overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.

6. De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten of een zogeheten bestuurlijke lus toe te passen, omdat zij daarvoor over onvoldoende gegevens beschikt. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen binnen acht weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij moeten uitgaan van alle nu bekende gegevens. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiser op 22 juni 2018, een dag na het primaire besluit, zijn betalingsachterstanden bij CZ heeft ingelost.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.B. Thiemann, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 september 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.