Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7467

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
20-09-2019
Zaaknummer
10/228432-18 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering wederrechtelijk verkregen voordeel, niet aannemelijk dat er voordeel is verkregen uit hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/228432-18

Datum uitspraak: 20 september 2019

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

verblijvende op het adres [verblijfadres veroordeelde] te [verblijfplaats veroordeelde] ,

raadsman mr. F. van Schaik, advocaat te Berkel en Rodenrijs.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2019.

GELIJKTIJDIGE VEROORDELING

Bij vonnis van deze rechtbank van 20 september 2019 is de veroordeelde wegens na te noemen strafbare feiten veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren (met vervangende hechtenis in het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet goed uitvoert) en één maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Van dat vonnis is een kopie, aangeduid als A, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

VORDERING

De vordering van de officier van justitie, mr. L. Visser, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 157.055,44.

Op het onderzoek ter terechtzitting van 6 september 2019 heeft de officier van justitie gevorderd de vordering af te wijzen, omdat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

STANDPUNT VERDEDIGING

De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

STRAFBARE FEIT WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD

Bij het eerdergenoemde vonnis is de veroordeelde veroordeeld ter zake van medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd omstreeks de periode van 1 april 2017 tot en met 1 april 2018. In deze procedure wordt daarom als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde is begaan.

AFWIJZING VORDERING WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het hiervoor vermelde strafbare feit. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst de vordering af.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en F.A. Hut, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. in ’t Veld, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 september 2019.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.