Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7449

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
20-09-2019
Zaaknummer
10/996654-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fraude kinderopvangtoeslag en 2) witwassen. Niet-ontvankelijkheidsverweren (onvoldoende onderzoek naar verklaringen verdachte, nadeelsberekening onjuist, ten onrechte geen transactie aangeboden) verworpen. Feiten bewezen; witwasfeit niet te kwalificeren (feit uit januari 2013 – mei 2017; geld afkomstig uit eigen misdrijf en geen verhulling of omzetting).

4 maanden voorwaardelijk en taakstraf van 100 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996654-17

Datum uitspraak: 12 september 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] raadsman H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R. Boswijk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uur.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie de belangen van de verdachte heeft geschonden. Het openbaar ministerie heeft volgens de verdediging ten eerste onvoldoende onderzoek gedaan naar de verklaring die de verdachte heeft afgelegd. Ten tweede is de nadeelsberekening in het dossier onjuist, ondanks het feit dat de verdediging daar al in een vroeg stadium op heeft gewezen. Ten derde heeft het openbaar ministerie de verdachte ten onrechte geen transactie aangeboden, terwijl de verdachte al is gestart met terugbetaling van de te veel ontvangen kinderopvangtoeslag.

4.2.

Beoordeling

Uit de door de verdediging aangehaalde omstandigheden (voor zover die al terecht zijn voorgesteld) kan geen grond voor niet-ontvankelijkheid worden afgeleid. Het verweer wordt verworpen.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

5.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft onder verwijzing naar de op schrift gestelde pleitnota vrijspraak bepleit. Daartoe is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap of een vermoeden had van de valsheid van de tenlastegegelegde documenten. De verdachte kende de inhoud van de documenten niet omdat deze zijn opgemaakt door een ander. Deze persoon heeft zorggedragen voor het opsturen van de documenten naar de Belastingdienst. De verdachte was in die periode psychisch niet in orde en kon daarom niet controleren of desbetreffende documenten onjuistheden bevatten.

5.1.2.

Beoordeling

Ten aanzien van feit 1, primair: valsheid in geschrift

De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst) heeft documenten van de verdachte ontvangen naar aanleiding van in 2015 aan de verdachte verzonden informatieverzoeken betreffende de door de verdachte voor haar drie kinderen in de periode 2013-2015 afgenomen kinderopvang. Het betreft bankafschriften en op naam van de verdachte gestelde facturen van twee kinderopvangorganisaties, [naam kinderopvang 1] en [naam kinderopvang 2] , zoals die zijn weergegeven in de tenlastelegging.

De rechtbank acht bewezen dat de tenlastegelegde documenten vals en/of vervalst zijn, en dat de verdachte deze documenten opzettelijk voorhanden heeft gehad, heeft afgeleverd en heeft gebruikt.

Op basis van informatie die is ontvangen van de ING bank en de desbetreffende kinderopvangorganisaties, en zoals die is weergegeven in de bewijsmiddelen, kan worden vastgesteld dat de documenten vals zijn. Uit de verklaringen van de medewerkers van de kinderopvangorganisaties kan daarnaast worden afgeleid dat de verdachte in de jaren 2013 t/m 2016 ruimschoots méér kinderopvangtoeslag heeft ontvangen dan waar zij recht op had. Onder andere heeft de verdachte voor twee van haar kinderen gedurende deze jaren kinderopvangtoeslag ontvangen, terwijl zij voor deze kinderen geen kinderopvang heeft afgenomen.

De verdachte zou volgens de verdediging de tenlastegelegde valsheid in geschrift echter niet hebben gepleegd, omdat een ander, te weten [naam] , de informatieverzoeken voor de verdachte heeft afgehandeld. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk.

Aan de verdachte is gevraagd om (contact)informatie te verschaffen over deze [naam] , maar dat bleek voor de verdachte niet mogelijk, terwijl deze persoon volgens haar verklaring bij haar thuis kwam en haar administratie deed. De verdachte weet daarnaast niet hoe [naam] aan haar bankafschriften – toch bij uitstek persoonlijke documenten – is gekomen. Ondanks het gebrek aan informatie van de kant van de verdachte is haar verklaring onderzocht. In een brief die [naam] namens de verdachte aan de Belastingdienst heeft gestuurd, is vermeld dat [naam] bij het bedrijf “ [naam bedrijf] ” werkt. Uit onderzoek is echter gebleken dat men bij [naam bedrijf] geen [naam] kent. Ten slotte is in diezelfde brief een telefoonnummer vermeld dat in verband kan worden gebracht met een (voormalig) bedrijf van de huidige partner van de verdachte.

De rechtbank gaat er – bij verwerping van het verweer van de verdediging dat iemand anders de de informatieverzoeken heeft afgehandeld – van uit dat de verdachte dat zelf heeft gedaan en daardoor bekend is geweest met de inhoud van de tenlastegelegde documenten. Zij moet op grond daarvan, en op grond van het feit dat deze documenten niet overeenstemden met haar feitelijke situatie, wetenschap hebben gehad van de valsheid daarvan. Zij heeft opzettelijk gebruik gemaakt van deze documenten om de door haar ten onrechte ontvangen kindertoeslag valselijk te onderbouwen.

De rechtbank acht het onder 1, primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2, primair: witwassen

De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde geldbedrag voorhanden heeft gehad en heeft verworven, terwijl zij wist dat dit geldbedrag middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig was. Op grond van het dossier kan immers worden vastgesteld dat zij – voorafgaand aan het ontvangen van deze geldbedragen van de Belastingdienst – valsheid in geschrift heeft gepleegd (art. 225 Sr.) en/of opzettelijk heeft nagelaten gegevens te verstrekken aan de Belastingdienst/Toeslagen (art. 227b Sr.) en daardoor in de periode 2012 t/m 2016 Kinderopvangtoeslag heeft ontvangen terwijl zij daar geen recht op had.

De rechtbank acht het onder 2, primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

5.2.

Vrijspraak ten aanzien van de onder 2, subsidiair tenlastegelegde verduistering

Uit hetgeen hierna onder 6.1.2. wordt overwogen volgt dat de ten laste gelegde verduistering niet kan worden bewezen. Hiervoor is immers vastgesteld dat de verdachte het geld door misdrijf onder zich heeft. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de tenlastegelegde verduistering.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij

in de periode van 20 mei 2015 tot en met 9 april 2016, te Rotterdam en Heerlen meermalen,

telkens opzettelijk de onder A. en B. en C. genoemde valse of vervalste geschriften voorhanden heeft gehad en heeft afgeleverd bij de Belastingdienst Toeslagen, terwijl zij, verdachte, wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst

en

telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de onder A. en B. en C. genoemde valselijk opgemaakte en/of vervalste geschriften

A.

bankrekeningafschriften van de ING Bank (overzicht af- en bijschrijvingen [naam kinderopvang 1] ) (overzicht af- en bijschrijvingen [naam kinderopvang 2] ) betreffende het bankrekening nummer [bankrekeningnummer] ten name van Mw [naam verdachte] ( DOC-002, DOC-004, DOC-010, DOC-014, DOC-0015) en

B.

facturen op naam van [naam kinderopvang 1] gericht aan Mevr. [naam verdachte]

DOC-003 5/8-8/8, DOC-008 1/12-12/12) en

C.

facturen op naam van [naam kinderopvang 2] ( [naam kinderopvang 3] ) gericht aan Mevrouw [naam verdachte] betreffende Buitenschoolse Opvang [naam kind 1] en [naam kind 2] DOC-005 1/11-11/11, DOC-007 1/7-7/7, DOC-012 1/15-15/15)

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

als ware die geschriften telkens echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat verdachte die onder A. en B. en C. genoemde geschriften heeft overgelegd aan de Belastingdienst Toeslagen voor de beoordeling van haar, verdachtes gegevens en/of de bij de Belastingdienst Toeslagen bekende gegevens betreffende de verstrekte Kinderopvangtoeslag betreffende de kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] en [naam kind 3]

en

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven – opdie onder A. bedoelde overzichten af- en bijschrijvingen (bankafrekeningafschriften) betalingen ten gunste van [naam kinderopvang 1] en/of [naam kinderopvang 2] waren vermeld, welke - in werkelijkheid - niet hadden plaatsgevonden

en

opdie onder B. bedoelde factuuren te hoge aantallen aan uren en/of dagen opvang en/of te hoge bedragen aan te betalen opvangwaren vermeld ,

en

opdie onder C. bedoelde facturenuren en bedragen voor opvang (Buitenschoolse opvang) ten behoeve van [naam kind 1] en [naam kind 2]

waren vermeld ,

terwijl - in werkelijkheid – die buitenschoolse opvang voor die kinderen niet had plaatsgevonden

2.

Zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 11 mei 2017 te Rotterdam , tmeermalen, (telkens) een voorwerpen, te weten

totaal euro 87.899, althans euro 84.508, of daaromtrent, in elk geval meer geldbedragen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl zij, verdachtewistdat bovenomschreven geldbedragen geheel of gedeeltelijk

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enige misdrijf/Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

6.1.

Kwalificatie ten aanzien van het onder 2, primair tenlastegelegde

6.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat – als het onder 1 ten laste gelegde feit al te bewijzen valt – het onder 2 tenlastegelegde geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf.

6.1.2.

Beoordeling

Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet uit de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn of haar gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Daarvan is hier niet gebleken, zodat de rechtbank het onder 2, primair bewezenverklaarde niet kan kwalificeren als witwassen. Ten aanzien van het onder 2, primair bewezen verklaarde feit zal de rechtbank de verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het onder 1, primair bewezen feit levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

en

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende een lange periode onterecht kinderopvangtoeslag ontvangen. Op het moment dat de Belastingdienst dat dreigde te ontdekken, heeft zij een substantieel aantal documenten verstrekt met het doel te verhullen dat zij op onjuiste gronden toeslag heeft ontvangen. Door zo te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat in de juistheid van geschriften moet kunnen worden gesteld schade toegebracht. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het systeem van de Belastingdienst dat erop is ingesteld om grote aantallen aanvragen en wijzigingen kinderopvangtoeslag zo snel mogelijk te kunnen verwerken. De Belastingdienst moet daarbij kunnen uitgaan van de juistheid van de informatie die zij van de gebruikers van toeslagen ontvangt. De verdachte heeft het vertrouwen dat de basis vormt van het door de Belastingdienst gehanteerde systeem ondergraven. Door het plegen van het feit heeft zij een aanzienlijk voordeel genoten. Zij heeft zich volledig laten leiden door persoonlijk gewin.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 juni 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter conform de eis van de officier van justitie afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient ertoe te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank heeft daarnaast rekening gehouden straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank ziet in de tijd die is verstreken tussen de dag waarop de verdachte voor het eerst is verhoord (11 mei 2017) en de dag waarop de zaak uiteindelijk op zitting is behandeld en in het feit dat de verdachte inmiddels een betalingsregeling met de Belastingdienst heeft getroffen wel aanleiding om een lagere taakstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

De stelling van de verdediging dat de verdachte vanwege haar psychische gesteldheid niet in staat zou zijn tot het uitvoeren van een taakstraf, is onvoldoende onderbouwd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het onder 2 bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het onder 1 bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit ;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F. van Buchem, voorzitter,

en mrs. I.M.A. Hinfelaar en E.M. Havik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.J. van der Putte, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 mei 2015 tot en met 9 april 2016, te Rotterdam en/of Utrecht en/of Heerlen en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk de onder A. en/of B. en/of C. genoemde valse of vervalste geschrift(en) voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben doen afleveren bij de Belastingdienst Toeslagen, terwijl zij, verdachte, en/of haar, verdachtes, mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst

en/of

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of ((een) medewerk(st)er(s) van) de Belastingdienst Toeslagen gebruik heeft doen maken van de onder A. en/of B. en/of C. genoemde valselijk opgemaakte en/of vervalste geschriften

A.

(een) bankrekeningafschrift(en) van de ING Bank (overzicht af- en bijschrijvingen [naam kinderopvang 1] ) (overzicht af- en bijschrijvingen [naam kinderopvang 2] ) betreffende de bankrekening nummer [bankrekeningnummer] ten name van Mw [naam verdachte] (bijlage(n) DOC-002. DOC-004, DOC-010, DOC-014, DOC-0015) en/of

B.

(een) factu(u)r(en) op naam van [naam kinderopvang 1] gericht aan Mevr. [naam verdachte]

(bijlage(n) DOC-003 5/8-8/8, DOC-008 1/12-12/12) en/of

C.

(een) factu(u)r(en) op naam van [naam kinderopvang 2] ( [naam kinderopvang 3] ) gericht aan Mevrouw [naam verdachte] betreffende Buitenschoolse Opvang [naam kind 1] en/of [naam kind 2] (bijlage(n) DOC-005 1/11-11/11, DOC-007 1/7-7/7, DOC-012 1/15-15/15)

zijnde (een) geschrlft(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat (doen) gebruikmaken (telkens) hierin dat verdachte en/of haar mededader(s) dat/die onder A. en/of B. en/of C. genoemde geschrift(en) heeft/hebben overgelegd en/of doen overleggen en/of doen toekomen aan ((een) medewerk(st)er(s) van) de Belastingdienst Toeslagen voor de beoordeling en/of het doen beoordelen van haar verdachten gegevens

en/of de bij de Belastingdienst Toeslagen bekende gegevens betreffende de verstrekte en/of te verstrekken en/of de aanspraak op Kinderopvangtoeslag betreffende de kinderen [naam kind 1] en/of [naam kind 2] en/of [naam kind 3]

en/of

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in dat/die onder A. bedoelde overzicht(en) af- en bijschrijvingen (bankafrekeningafschrift(en)) mutaties en/of bedrag(en) aan betalingen en/of overschrijvingen ten gunste van [naam kinderopvang 1] en/of [naam kinderopvang 2] was/waren geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, welke - in werkelijkheid - niet had(den) plaatsgevonden

en/of

op/in dat/die onder B. bedoelde factu(u)r(en) (een) te ho(o)ge aantal(len) aan uren en/of dagen opvang en/of te ho(o)g(e) bedrag(en) aan in rekening gebrachte en/of te betalen opvang was/waren geschreven en/of opgegeven en/of vermeld en/of opgenomen,

en/of

op/in dat/die onder C. bedoelde factu(u)r(en) uren en/of bedrag(en) voor opvang (Buitenschoolse opvang) ten behoeve van [naam kind 1] en/of [naam kind 2]

was/waren geschreven en/of opgegeven en/of vermeld en/of opgenomen, terwijl - in werkelijkheid – die buitenschoolse opvang voor dat/die kind(eren) niet plaatsvond en/of niet

had plaatsgevonden, in elk geval geen kinderopvang voor dat/die kind(eren) plaatsvond en/of had plaatsgevonden zoals vermeld op dat/die factu(u)r(en)

en/of

die factu(u)r(en) niet was/waren opgemaakt en/of afkomstig was/waren van [naam kinderopvang 2] en/of de [naam kinderopvang 4] en/of [naam kinderopvang 1] ;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2016, te Rotterdam en/of Utrecht en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) in strijd met artikel 17 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en/of artikel 5

Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en/of artikel 18 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, in elk geval een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit/die feit(en) (telkens) kon(den) strekken tot bevoordeling van zichzelf en/of van (een) ander(en), terwijl zij, verdachte, en/of haar, verdachtes, mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat die gegevens (telkens) van belang waren voor de vaststelling van verdachtes haar

recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming, te weten (telkens) (een) (kinderopvang)toeslag op grond van de Wet kinderopvang en/of Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, dan wel (telkens) voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking en/of tegemoetkoming, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk (telkens) niet opgegeven aan, althans verzwegen voor, de Belastingdienst/Toeslagen en/of de Minister van Financiën en/of Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en/of Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

dat er wijziging(en) had(den) voorgedaan met betrekking tot het aantal uren genoten kinderopvang betreffende haar, verdachtes, kind [naam kind 3] (geboren op [geboortedatum kind 3] ) en/of

dat zij, verdachte, in ((een) gedeelte(n) van) bovengenoemde periode geen aanspraak had op kinderopvangtoeslag in de te betalen kosten voor kinderopvang betreffende haar, verdachtes, kind [naam kind 3] (geboren op [geboortedatum kind 3] ) en/of

dat haar, verdachtes, kind, te weten [naam kind 3] (geboren op [geboortedatum kind 3] ) in ((een) gedeelte(n) van) bovengenoemde periode geen kinderopvang genoot dat zij, verdachte, (telkens) ten onrechte geldbedrag(en) kinderopvangtoeslag ontving en/of uitbetaald kreeg op de bankrekening [bankrekeningnummer] (totaal euro 87.899, althans euro 84.508, of daaromtrent);

art 227b Wetboek van Strafrecht

2.

Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 11 mei 2017 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten

(totaal) euro 87.899, althans euro 84.508, of daaromtrent, in elk geval een of meer geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/althans van (een) voorwerp(en), te weten (totaal) euro 87.899, althans euro 84.508, of daaromtrent, in elk geval een of meer geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

art 420quater lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks 1 januari 2013 tot en met 11 mei 2017 te Rotterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk euro 84.508 of daaromtrent, in elk geval een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Staat der Nederlanden en/of de Belastingdienst, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) door overboeking/storting door de Belastingdienst (Toeslagen) op haar, verdachte bankrekening [bankrekeningnummer] (in het kader van Kinderopvangtoeslag met betrekking tot haar verdachtes kind(eren) [naam kind 1] en/of [naam kind 2] en/of [naam kind 3] )

en/of door overboeking en/of opname van dat/die geldbedrag(en) van haar, verdachte,

bankrekening [bankrekeningnummer] , in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf,

onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht