Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7418

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-07-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
C/10/550423 / FA RK 18-3706 en C/10/554581 / FA RK 18-5574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Wijze verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap gelast. Ontslagvergoeding in stamrecht BV. Geld uitgeleend aan vof van de echtgenoten. Indien en voor zover zou komen vast te staan dat de BV nog een opeisbare vordering op de vof heeft, heeft de BV die ook op de

beide vennoten (HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649). Waardering aandelen in vof. Gebruiksvergoeding gelijk aan (aandeel) eigenaarslasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2020/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/550423 / FA RK 18-3706 en C/10/554581 / FA RK 18-5574

Beschikking van 26 juli 2019 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. Chr. E. Pfeiffer te Hellevoetsluis,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat mr. K.T.J.M. Pijls-olde Scheper te Roosendaal.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 14 mei 2018;

  • -

    het F-formulier met bijlagen van de vrouw, gedateerd 31 mei 2018;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 11 juli 2018;

  • -

    het verweerschrift op zelfstandige verzoek, tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op

6 september 2018;

  • -

    het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 10 oktober 2018;

  • -

    het F-formulier met als bijlage het formulier verdelen en verrekenen van de man, gedateerd op 30 november 2018;

  • -

    het F-formulier met als bijlage het formulier verdelen en verrekenen van de vrouw, gedateerd op 27 december 2018;

  • -

    het F-formulier met bijlagen van de man, gedateerd 21 januari 2019;

  • -

    het F-formulier met bijlagen van de vrouw, gedateerd 21 januari 2019;

  • -

    het F-formulier met bijlagen van de man, gedateerd 22 januari 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van de meervoudige kamer van

1 februari 2019. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat mr. Pfeiffer;

  • -

    de man met zijn advocaat mr. Pijls-olde Scheper.

1.3.

Zoals blijkt uit het extractproces-verbaal van de zitting is de zaak op verzoek van partijen aangehouden in afwachting van schikkingsonderhandelingen en is een stappenplan afgesproken voor de situatie dat partijen niet tot overeenstemming zouden komen. Op verzoek van mr. Pfeiffer zijn de aantekeningen van de zitting aan partijen verstrekt.

1.4.

De schikkingsonderhandelingen hebben niet geleid tot overeenstemming tussen partijen. Daarop heeft de vrouw bij F-formulier van 28 maart 2019 een aanvullend verzoek, tevens aanvullend verweer ingediend en heeft de man bij F-formulier van 27 mei 2019 een verweerschrift op het aanvullend verzoek tevens reactie op aanvullend verweer, met bijlagen, ingediend.

1.5.

Bij faxbericht van 28 mei 2019 heeft de vrouw de rechtbank samengevat verzocht om het processtuk van de man van 27 mei 2019 geheel, althans gedeeltelijk buiten het dossier te laten. Bij faxbericht van 3 juni 2019 verzet de man zich hiertegen en verzoekt hij de rechtbank beschikking te geven.

1.6.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar in algehele gemeenschap van goederen gehuwd te Brielle op [datum] .

2.2.

Partijen wonen sinds 28 augustus 2017 gescheiden van elkaar.

2.3.

De man heeft in 2004 een ontslagvergoeding van € 265.000,- ontvangen van zijn toenmalige werkgever. De man heeft die ontslagvergoeding ondergebracht in een door hem opgerichte stamrecht-B.V., genaamd [naam bedrijf] . (hierna: de BV).

2.4.

Partijen zijn de (enige) vennoten van de vennootschap onder firma [naam VOF] (hierna: de VOF) en delen elk voor 50% in de winsten en de verliezen van deze vennootschap. De VOF heeft in 2004 van de BV een bedrag van € 255.000,- geleend. Op dit bedrag is niet afgelost. De man heeft de VOF op 22 juni 2018 schriftelijk opgezegd per 31 december 2018. Geen van partijen wil de VOF voortzetten.

2.5.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 De beoordeling

3.1.

Nadere processtukken

3.1.1.

De vrouw verzoekt in haar processtuk van 28 maart 2019 om het processtuk van de man van 22 januari 2019 buiten beschouwing te laten en in het faxbericht van 28 mei 2019 om het processtuk van de man van 27 mei 2019 buiten beschouwing te laten. De man verzet zich hiertegen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om het processtuk van de man van 22 januari 2019 buiten beschouwing te laten. De vrouw heeft immers gelegenheid gekregen om op dat processtuk te reageren en heeft hiervan ook bij

F-formulier van 28 maart 2019 gebruik gemaakt. Van strijd met de goede procesorde is daarom geen sprake, en evenmin is de vrouw in haar verdediging geschaad. Dit is anders ten aanzien van het processtuk van de man van 27 mei 2019. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de randnummers 1 tot en met 40 geen reactie op het processtuk van de vrouw zijn, maar een nadere uitwerking van de stellingen van de man. Omdat de vrouw niet op deze randnummers en evenmin op de bij het processtuk gevoegde bijlagen heeft kunnen reageren, zal de rechtbank deze stellingen en bijlagen niet aan haar beslissing ten grondslag leggen.

3.2.

Scheiding

3.2.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.2.2.

De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en verzoekt zelfstandig de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

3.2.3.

Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv).

3.2.4.

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Omdat de vrouw de reden daarvoor voldoende gemotiveerd heeft, namelijk omdat de dochter van partijen gedurende deze procedure meerderjarig is geworden, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

3.2.5.

Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

3.3.

Overige verzoeken

3.3.1.

De vrouw verzoekt aanvankelijk partijen te veroordelen om met elkaar over te gaan tot de verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap, ten overstaan van een notaris en met benoeming van onzijdige personen. Na verweer door de man verzoekt de vrouw de rechtbank om te bepalen dat:

a. de schuld van de VOF aan de BV, voor welke schuld de vrouw formeel naast de VOF hoofdelijk is verbonden, verknocht is aan de man, althans intern voor rekening van de man komt, waarbij de man gehouden zal zijn die schuld als eigen schuld te voldoen met vrijwaring van de vrouw ter zake;

b. de bedragen, die de man wegens belastingaanslag en/of revisierente aan de belastingdienst dient of zal dienen te betalen wegens het fiscaal afkopen van het stamrecht, verknochte schulden van de man zijn, althans intern voor rekening van de man komen waarbij de man gehouden zal zijn deze bedragen als eigen schuld te voldoen met vrijwaring van de vrouw ter zake;

c. de rekening-courantschuld van de man aan de BV een verknochte schuld van de man is, althans intern voor rekening van de man komt waarbij de man gehouden zal zijn dit bedrag als eigen schuld te voldoen met vrijwaring van de vrouw ter zake, althans waarvoor de omvang en waardering 28 augustus 2017 geldt;

d. als peildatum van de omvang en waardering van de rechten en plichten van de vennoten uit hoofde van de VOF-akte tussen partijen 28 augustus 2017 dient te gelden, met dien verstande dat vorderingen en/of verplichtingen ontstaan of opgekomen op of na die datum intern voor rekening van de man komen waarbij de man gehouden zal zijn die schulden als eigen schuld te voldoen met vrijwaring van de vrouw ter zake;

e. de peildatum van de omvang en waardering van de bankrekeningen van partijen zal zijn 28 augustus 2017;

f. de man gehouden is om, binnen zeven dagen na dagtekening van de te geven beschikking, zijn medewerking te verlenen aan de opheffing (of wijziging tenaamstelling naar de man) van de en/of rekeningen van partijen genoemd in het processtuk van de man d.d. 11 juli 2017 in randnummer 9, met bepaling dat de te geven beschikking in de plaats treedt van de betreffende akte(s) of een deel daarvan;

g. de man binnen zeven dagen na de te geven beschikking gehouden is zijn medewerking te verlenen aan het verlenen van opdracht aan een lokale makelaar tot het te koop zetten van de echtelijke woning voor een vraagprijs waarbij de betreffende woning naar de mening van die makelaar redelijkerwijs binnen zes maanden is verkocht, alsmede te bepalen dat de man binnen één week na een verzoek daartoe van de makelaar zijn medewerking dient te verlenen aan een bezichtiging van de echtelijke woning door die makelaar in afwezigheid van de man en deze makelaar en potentiele kopers toegang tot de woning dient te verlenen, met machtiging van de vrouw al het voorstaande zelf te bewerkstellingen bij weigering van de man;

h. de man gehouden is, om binnen zeven dagen nadat de makelaar positief adviseert over de bieding op de woning door een potentiele koper, de verkoopovereenkomst van de echtelijke woning ter zake te ondertekenen, alsmede dat de man gehouden is de leveringsakte ter uitvoering van voormelde koopovereenkomst op het moment van uitnodiging van de passerend notaris te ondertekenen, met de bepaling dat de te dezen te geven beschikking in plaats treedt van de betreffende akte(s) of deel daarvan;

i. de vrouw nader in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te laten over de (gevolgen van de) huidige concept jaarstukken 2017 van de VOF en de huidige concept aangiftes Inkomstenbelasting 2017 van partijen.

Bij F-formulier van 28 maart 2019 heeft de vrouw aanvullend verzocht:

j. toescheiding van de inboedel zich bevindende in de echtelijke woning aan de man, met veroordeling van de man wegens overbedeling ter zake om een bedrag van € 2.250,- aan de vrouw te betalen;

k. toescheiding van de en/of-bankrekeningen van partijen aan de man, met veroordeling van de man wegens overbedeling om aan de vrouw te betalen de helft van de saldi van die bankrekeningen per 28 augustus 2017 einde dag;

l. toescheiding van de rekening-courantvordering van de directie op de BV aan de man, met veroordeling van de man wegens overbedeling om de helft van vordering op de BV aan de vrouw te betalen;

m. de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen en te gehengen en gedogen, alles zowel middellijk als onmiddellijk alsmede in de ruimste zin van het woord, dat de notaris die de levering van de echtelijke woning bewerkstelligt, de helft van het aan partijen gezamenlijk toekomende netto bedrag uit de verkoop van de woning conform de alsdan bijhorende nota van afrekening, ook daadwerkelijk aan de vrouw betaalt, op straffe van een door de man aan de vrouw te verbeuren boete van € 25.000,- voor iedere keer en/of iedere dag of dagdeel dat de man hiermee in strijd handelt of nalaat;

n. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen wegens gebruiksvergoeding een bedrag van € 1.310,48 per maand vanaf 14 mei 2018, vanaf de te dezen te wijzen beschikking bij vooruitbetaling, tot de datum van levering van de echtelijke woning aan een derde, althans indien en voor zover de man afziet van vergoeding jegens de vrouw van de helft van de eigenaarslasten, een bedrag van € 593,75 per maand vanaf de te dezen te wijzen beschikking tot de datum van levering van de woning aan een derde;

o. de vrouw in de gelegenheid te stellen zich nader uit te laten over haar kosten van de huishouding in de periode 28 augustus 2017 tot 14 mei 2018, alsmede de man te veroordelen om de helft van die kosten aan de vrouw te betalen.

3.3.2.

De man verzoekt de rechtbank de verdeling tussen partijen vast te stellen op grond van artikel 3:185 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) alsmede de wijze van verdeling te gelasten op grond van artikel 3:185 lid 2 BW op de nader door de man te onderbouwen wijze. Aanvullend heeft de man de volgende verzoeken ingediend:

I. de vrouw te veroordelen aan de man te voldoen de eigenaarslasten van de echtelijke woning van 2017 tot en met 2018 ad € 7.747,07 alsmede met ingang van 1 januari 2019 een bedrag van € 472,08 per maand (zijnde de helft van de eigenaarslasten);

II. de vrouw te veroordelen aan de man te voldoen € 463,90 zijnde de helft van de door de man betaalde belastingaanslagen;

III. de vrouw te veroordelen tot voldoening van de helft van alle door de fiscus opgelegde belastingaanslagen vanaf 2017 tot de datum van verdeling van de VOF;

IV. a. te bepalen dat de echtelijke woning staande en gelegen te Brielle aan het [adres] wordt verkocht aan een derde;

b. de verkoopopbrengst van de woning na voldoening van de hypothecaire leningen wordt aangewend ter aflossing van de schulden van de VOF, waaronder de schuld van € 269.945,- aan de BV;

V. te bepalen dat de stamrechtaanspraken van de BV volledig aan de man verknocht zijn;

VI. voor recht te verklaren dat:

  1. de tussen partijen op 6 november 2004 gesloten vennootschapsovereenkomst (genaamd ‘maatschapsovereenkomst’) een rechtsgeldige overeenkomst is tot bindend advies op grond van artikel 16 van deze overeenkomst;

  2. de vrouw gehouden is haar volledige medewerking te verlenen op grond van artikel

16 van de vennootschapsovereenkomst d.d. 6 november 2004 op straffe van een dwangsom.

3.3.3.

De rechtbank constateert dat partijen naast het verzoek om de verdeling van hun huwelijksgemeenschap vast te stellen, althans de wijze van verdeling van die gemeenschap te gelasten, nog diverse specifieke verzoeken hebben ingesteld (hiervoor weergegeven onder 3.3.1. en 3.3.2.). Deze verzoeken hebben betrekking hebben op de financiële afwikkeling van hun huwelijk en op de afwikkeling van de VOF en worden hieronder zoveel mogelijk naar onderwerp besproken.

3.4.

Verdeling

3.4.1.

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen getrouwd. Zij stellen onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te kunnen stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid met zowel de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.

3.4.2.

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 14 mei 2018. Partijen zijn het hierover ook eens.

3.4.3.

Met betrekking tot de waarde van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.

3.4.4.

Volgens partijen dan wel één van hen bestaat de te verdelen huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:

  1. de woning aan de [adres] te Brielle, met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen bij de Rabobank;

  2. de inboedel;

  3. de bankrekeningen van partijen;

  4. de aandelen in de BV;

  5. de rekening-courantvordering van de man op de BV;

  6. de schuld van de VOF op de BV;

  7. de waarde van de (aandelen van partijen in) de VOF;

  8. de IB-aanslagen/teruggaven.

De woning en hypothecaire geldleningen (verzoeken g., h., m. en IV.)

3.4.5.

Partijen zijn het met elkaar eens dat de woning zal moeten worden verkocht aan een derde en dat uit de verkoopopbrengst de verkoopkosten en de twee hypothecaire geldleningen bij de Rabobank moeten worden voldaan. De man stelt onweersproken dat de verkoopopdrachtbevestiging aan Hoek Makelaardij door partijen is getekend, en ter zitting stelt de vrouw onweersproken dat de woning in de verkoop staat en dat de eerste bezichtigingen gepland staan. De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming tussen partijen beslissen. De rechtbank heeft geen aanwijzing dat de man zich niet zal houden aan de adviezen van de door partijen aangewezen makelaar, dat hij zijn medewerking niet zal verlenen aan de bezichtigingen, aan het ondertekenen van de verkoopovereenkomst of uiteindelijk aan de levering van de woning. Dit geldt overigens ook voor de vrouw. Beide partijen hebben immers belang bij een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst.

In het licht van het vorenstaande zullen de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de woning (3.3.1. onder g. en h.) worden afgewezen.

3.4.6.

Partijen gaan ervan uit dat er een aanzienlijke netto verkoopopbrengst zal resteren, gelet op de overeengekomen vraagprijs van € 629.000,- en de totale eigen woning schuld van € 341.000,-. Tussen partijen is de wijze van verdeling van die netto verkoopopbrengst in geschil. Het verzoek van de vrouw strekt ertoe de verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen te verdelen (3.3.1. onder m.), terwijl het verzoek van de man ertoe strekt om de verkoopopbrengst te gebruiken voor het voldoen van de schulden van de VOF (3.3.2. onder IV.b.). De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:100 lid 1 BW hebben partijen een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap. Dit betekent dat de verkoopopbrengst van de woning aan partijen, ieder voor de helft, toekomt. Er bestaat geen rechtsgrond om te bepalen dat de verkoopopbrengst van de echtelijke woning moet worden aangewend voor de voldoening van schulden die partijen als vennoten zijn aangegaan. Gelet op het vorenstaande zal de bij de levering van de woning betrokken notaris in beginsel de helft van de netto verkoopopbrengst aan elk van partijen dienen over te maken. Omdat dit een handeling door de notaris betreft, wordt daaraan geen dwangsom ten laste van de man verbonden, zoals door de vrouw verzocht.

Inboedel (verzoek j.)

3.4.7.

De vrouw verzoekt de inboedelgoederen die in de woning zijn achtergebleven aan de man toe te delen, onder de verplichting het bedrag van € 2.250,- (de helft van de waarde van € 4.500,-) aan de vrouw te betalen. De man verzoekt te bepalen dat de inboedelgoederen die partijen feitelijk onder zich hebben aan hem/haar worden toegedeeld, zonder verrekening van enige waarde.

3.4.8.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw de echtelijke woning in augustus 2017 heeft verlaten onder achterlating van de inboedel en dat zij vóór de peildatum 14 mei 2018 nieuwe inboedelgoederen heeft aangeschaft. Tot de te verdelen huwelijksgemeenschap behoren derhalve de inboedelgoederen in beide woningen. Gesteld noch gebleken is dat er een verschil is in waarde van de inboedelgoederen die elk van partijen feitelijk onder zich heeft. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om als wijze van verdeling te gelasten dat elke partij, zonder nadere verrekening, de inboedelgoederen toegedeeld krijgt die hij/zij feitelijk onder zich heeft.

Saldi op bankrekeningen (verzoeken e., f. en k.)

3.4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij op de peildatum 14 mei 2018 de volgende bankrekeningen hadden:

  1. [bankrekeningnummer 1]

  2. [bankrekeningnummer 2]

  3. [bankrekeningnummer 3]

  4. [bankrekeningnummer 4]

  5. [bankrekeningnummer 5] , geopend op 21 november 2017

  6. [bankrekeningnummer 6]

  7. [bankrekeningnummer 7] , geopend op 6 september 2017

Partijen zijn het er over eens dat de man de bankrekeningen a) tot en met e) en dat de vrouw de bankrekeningen f) en g) zal voortzetten of opheffen. Het is aan de betreffende echtgenoot om daarin een keuze te maken. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen, indien nodig, hun medewerking aan de wijziging tenaamstelling zullen verlenen en ziet geen aanleiding om hieraan nadere voorwaarden te verbinden, zoals door de vrouw verzocht (3.3.1. onder f.).

3.4.10.

In geschil is per welke datum de saldi van de hiervoor weergegeven bankrekeningen in aanmerking genomen moet worden. De vrouw gaat uit van 28 augustus 2017, de datum waarop zij de echtelijke woning heeft verlaten en stelt de en/of rekeningen niet meer te hebben gebruikt. De man gaat uit van de saldi per peildatum 14 mei 2018.

De hoofdregel bij de verdeling van bankrekeningen is dat uitgegaan moet worden van het saldo per datum indiening verzoekschrift. De rechtbank ziet in het door de vrouw gestelde geen aanleiding om af te wijken van deze hoofdregel, zodat uitgegaan moet worden van de saldi van de bankrekeningen per 14 mei 2018. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat vaststaat dat de man van de bankrekeningen die hij zal voortzetten steeds de eigendomslasten van de gezamenlijke woning heeft betaald. De rechtbank zal derhalve als wijze van verdeling gelasten dat de man de helft van de saldi van de hiervoor onder a) tot en met d) weergegeven bankrekeningen per 14 mei 2018 aan de vrouw dient te betalen, verminderd met de helft van het reeds aan de vrouw betaalde en ter zitting niet langer betwiste voorschot van € 20.000,- en dat de vrouw de helft van het saldo van de hiervoor onder f) weergegeven bankrekening per 14 mei 2018 aan de man dient te vergoeden.

De IB aanslagen of teruggaven (verzoek i.)

3.4.11.

De man verzoekt te bepalen dat de IB-aanslagen of -teruggaven over de jaren 2016 en 2017 tussen partijen moeten worden gedragen of gedeeld. Hiertegen voert de vrouw aan dat zij de aangiftes en aanslagen IB over het jaar 2017 nog nader moet bestuderen, omdat zij de onderliggende stukken pas recent heeft ontvangen.

3.4.12.

De rechtbank overweegt dat de IB-aanslagen of -teruggaven die betrekking hebben op de periode tot de peildatum 14 mei 2018 door partijen bij helfte dienen te worden gedragen of tussen hen bij helfte dienen te worden verdeeld. Dit geldt slechts voor zover de aanslagen of teruggaven op de peildatum nog niet zijn betaald of ontvangen. Omdat de op 14 mei 2018 aanwezige saldi op de bankrekeningen van partijen bij helfte worden verdeeld, worden de betalingen of ontvangsten geacht daarin te zijn verdisconteerd. De rechtbank zal overeenkomstig het vorenstaande beslissen en ziet geen aanleiding om de vrouw in deze procedure nog in de gelegenheid te stellen om de concept aangiftes te bestuderen.

De aandelen in en de stamrechtaanspraken op de BV (verzoeken b., c., l. en V.)

3.4.13.

Niet in geschil is dat de aandelen in de BV in de huwelijksgemeenschap vallen en in het kader van de verdeling aan de man moeten worden toegedeeld. In geschil is welke waarde daarbij in aanmerking moet worden genomen. Volgens de vrouw zijn voor de waarde van de aandelen in de BV naast de stamrechtaanspraken, bepalend de waarde van de (deels afgeboekte) lening aan de VOF en de latente belastingschulden wegens fiscale afkoop van de stamrechtaanspraken. De vrouw verzoekt een deskundigenbericht te gelasten voor het bepalen van de waarde van de aandelen. De man voert aan dat de waarde van de aandelen in de BV, gezien de aard van die vennootschap, nooit meer is dan € 1,-. Verder stelt de man dat de stamrechtaanspraken aan hem verknocht zijn en dat eventuele fiscale gevolgen vanwege de afkoop van de stamrechtaanspraken door beide partijen dienen te worden gedragen, omdat partijen als vennoten de schuld met de BV zijn aangegaan.

3.4.14.

Vast staat dat de man zijn in 2004 ontvangen ontslagvergoeding van € 265.000,- in de BV heeft ondergebracht en dat in deze BV geen andere activiteiten plaatsvinden dan het treffen van voorzieningen van die stamrechten. Verder staat vast dat de BV een bedrag van € 255.000,- aan de VOF heeft geleend en dat op die lening niet is afgelost. De rechtbank overweegt dat niet kan worden beoordeeld of en zo ja, in hoeverre, de schuld nog bestaat en inbaar is. De BV is immers geen partij in deze procedure. Niet uitgesloten kan worden dat de lening op de één of andere manier alsnog zal worden terugbetaald vanwege de potentieel grote fiscale gevolgen als dat niet gebeurt. De vrouw heeft echter in haar processtukken erkend dat de BV thans technisch failliet is en de rechtbank kan geen rekening houden met het wel of niet (kunnen) voldoen van de schuld en de toekomstige en onzekere fiscale gevolgen daarvan. In het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden acht de rechtbank het laten waarderen van de aandelen in de BV, gelet op de daaraan verbonden kosten, niet geboden. Er zal dus ter zake geen deskundigenbericht worden gelast. Tegen deze achtergrond beschouwd, stelt de rechtbank de waarde van de aandelen in de BV per de peildatum 14 mei 2018 vast op € 1,-.

3.4.15.

Dat de man een rekening-courantschuld aan de BV heeft, is door de vrouw onvoldoende onderbouwd. Het daarop betrekking hebbende verzoek (3.3.1. onder c.) wordt reeds hierom afgewezen.

3.4.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de verdeling betrokken moet worden de rekening-courantvordering van de man op de BV (door de vrouw bedoeld in het verzoek in 3.3.1. onder l. en in de jaarrekening van de BV vermeld als rekening-courant directie).

De rechtbank ziet aanleiding om in navolging van de vrouw als wijze van verdeling te gelasten dat de rekening-courantvordering op de BV aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting om de helft van de waarde daarvan per peildatum 14 mei 2018 aan de vrouw te vergoeden.

3.4.17.

Tussen partijen staat vast dat de man stamrechtaanspraken heeft op de BV. De man stelt dat deze aan hem verknocht zijn, behoudens die welke in de jaarrekening vermeld staan als rekening-courant directie. De vrouw betwist dat de stamrechtaanspraken aan de man verknocht zijn voor zover deze betrekking hebben op de huwelijkse periode.

3.4.18.

Dat tijdens het huwelijk stamrechtaanspraken zijn uitgekeerd, betwist de vrouw.

De rechtbank overweegt dat het op de weg van de man had gelegen om deze stelling op inzichtelijke wijze te onderbouwen. Omdat de man dit heeft nagelaten, wordt hieraan voorbij gegaan. Indien vast komt te staan dat de BV niet meer in staat zal zijn om aan haar stamrechtverplichtingen jegens de man te voldoen, omdat de lening door de VOF of haar vennoten niet zal (kunnen) worden voldaan, wordt aan een verdeling van de stamrecht-aanspraken al om die reden niet toegekomen. Indien de lening aan de VOF wel voldaan zal worden, wordt als volgt geoordeeld. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293) vallen de stamrechtaanspraken die betrekking hebben op gelden die dienen te worden toegerekend aan de huwelijkse periode in de huwelijks-gemeenschap van partijen en dienen derhalve bij helfte tussen partijen te worden gedeeld. Omdat gesteld noch gebleken is in hoeverre de stamrechtaanspraken betrekking hebben op de periode vóór en de periode ná de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, acht de rechtbank het redelijk om de stamrechtaanspraken alsdan lineair te verdelen. Als beginpunt van de lineaire berekening heeft dan te gelden juli 2004 (de datum einde dienstverband van de man) en als eindpunt heeft dan te gelden december 2026 (de datum waarop de man de 67-jarige leeftijd bereikt). De totale periode betreft dan 257 maanden. Daarvan vallen 154 maanden vóór de peildatum 14 mei 2018 en 103 maanden na die peildatum. Dit betekent dat 154/257e van de stamrechtaanspraken bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen dient te worden betrokken, verminderd met de hiervoor onder 3.4.16. bedoelde reeds in de verdeling betrokken aanspraken. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de stamrechtaanspraken gelasten, zoals hiervoor weergegeven.

3.4.19.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de eventuele belastingschulden vanwege het fiscaal afkopen van de stamrechtaanspraken aan de man verknocht zijn. De man voert hiertegen verweer. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt (artikel 1:94 lid 3 (oud) BW) afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957 en HR 24 juni 2016, ECLI:NL: HR:2016:1293). In dit geval is sprake is van een toekomstige onzekere (belasting)schuld.

In hetgeen de vrouw stelt en gelet op het hiervoor door de Hoge Raad geformuleerde criterium ter zake verknochtheid, ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat deze belastingschuld, indien deze wordt opgelegd, aan de man verknocht is. De oorzaak dat het van de BV geleende bedrag niet zal kunnen worden terugbetaald, ligt immers aan de omstandigheid dat het geleende bedrag door beide partijen als vennoten van de VOF is verbruikt. Dit betekent dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.

De waarde van de aandelen in de VOF (verzoeken a., d., i., III. en VI.)

3.4.20.

Een vennootschap onder firma is een bijzondere gemeenschap en heeft een afgescheiden vermogen (Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649). Volgens vaste rechtspraak dient de waarde van het aandeel van de echtgenoten in de VOF in de verdeling te worden betrokken. In geschil is welke peildatum moet worden genomen voor de waardering van ieders aandeel in de VOF. Vast staat dat de man de VOF per 31 december 2018 heeft ontbonden en dat geen van partijen de onderneming wenst voort te zetten. Partijen dienen daarom tot vereffening en verdeling van de ontbonden VOF over te gaan met inachtneming van hetgeen zij daarover zijn overeengekomen in de vennootschapsakte (genaamd maatschapsovereenkomst). In het kader van de vereffening moeten de lopende zaken van de VOF worden afgewikkeld en eventuele schuldeisers zoveel als mogelijk worden voldaan uit de opbrengst van de activa. Partijen dienen een slotbalans per datum ontbinding op te laten stellen. De met de vereffening en de slotbalans gemoeide kosten komen voor rekening van hen beiden als vennoten. Indien na voldoening van de schuldeisers nog waarde van de activa overblijft, dienen partijen deze waarde bij helfte te verdelen met als peildatum, de datum van de slotbalans. Evenzo zijn partijen, indien de activa niet toereikend zijn om de schulden te voldoen, ieder intern voor de helft daarvan draagplichtig. Dat geldt in beginsel ook voor de schulden van de VOF na indiening van het verzoekschrift.

3.4.21.

Met betrekking tot de schuld van de VOF aan de BV, overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft het bestaan van deze schuld betwist en de rechtbank verwijst naar hetgeen zij hierover reeds heeft overwogen in 3.4.14. Indien en voor zover zou komen vast te staan dat de BV nog een opeisbare vordering op de VOF heeft, heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de schuld van de VOF aan de BV verknocht is aan de man. Dit verzoek wordt afgewezen. Het hiervoor onder 3.4.19. overwogene omtrent verknochtheid van schulden heeft immers slechts betrekking op schulden van echtgenoten en daarvan is hier geen sprake aangezien het om een schuld van de VOF gaat. Indien en voor zover zou komen vast te staan dat de BV nog een opeisbare vordering op de VOF heeft, heeft de BV die ook op de beide vennoten (HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649). Uit hoofde van de vennootschapsovereenkomst zijn zij intern bij helfte draagplichtig voor de schuldenlast, en dus ook voor de schuld aan de BV.

3.4.22.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw gehouden is de schulden van de VOF, waaronder die voortvloeiend uit de belastingaanslagen vanaf 2017, te voldoen. Daarnaast verzoekt hij om een oordeel te geven over de rechtsgeldigheid van de vennootschapsakte en om de vrouw te veroordelen daaraan haar volledige medewerking te verlenen. De vrouw verzoekt zich nader uit te kunnen laten over de huidige concept jaarstukken 2017 van de VOF. De rechtbank overweegt dat de onderhavige (echtscheidings)procedure geen ruimte biedt voor een beoordeling van voornoemde verzoeken van partijen. Gelet op de aard van deze verzoeken en de daaraan ten grondslag liggende stellingen valt te verwachten dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van deze procedure zal leiden, zodat die verzoeken ingevolge artikel 827 lid 1 aanhef en onder f. Rv buiten het bestek van de onderhavige procedure vallen. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen.

3.5.

Vergoedingsrechten

Eigenaarslasten (verzoeken I. en o.) en gebruiksvergoeding (verzoek n.)

3.5.1.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw per 27 augustus 2017 de woning van partijen heeft verlaten en dat de man sindsdien de eigenaarslasten van die woning voldoet.

De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van de door hem betaalde eigenaarslasten vanaf 2017 tot de datum van levering van de woning aan een derde.

De vrouw voert aan dat dit leidt tot een dubbeltelling als de banksaldi per peildatum 14 mei 2018 worden verdeeld. Daarbij verzoekt de vrouw de man te veroordelen tot het betalen van een vergoeding voor het uitsluitend gebruik van de woning (hierna: de gebruiksvergoeding).

3.5.2.

Wat de eigenaarslasten betreft, maakt de rechtbank onderscheid tussen de periode van datum feitelijk uiteengaan (augustus 2017) tot datum ontbinding huwelijksgemeenschap (mei 2018) en de periode daarna.

Over de periode van augustus 2017 tot mei 2018 ziet de rechtbank geen aanleiding om enige bijdrage van de vrouw in de eigenaarslasten van de woning te gelasten, omdat de op 14 mei 2018 aanwezige saldi op de bankrekeningen van partijen bij helfte worden verdeeld en de over de periode augustus 2017 tot mei 2018 betaalde eigenaarslasten hierin geacht worden te zijn verdisconteerd.

In de periode vanaf 14 mei 2018 is sprake van een ontbonden huwelijksgemeenschap, terwijl het huwelijk nog niet is ontbonden. Dit brengt mee dat partijen op grond van artikel 1:84 lid 2 BW verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen (de zogeheten fourneerplicht). Deze fourneerplicht brengt mee dat de vrouw dient bij de dragen in de woonlasten van de gezamenlijke woning. De fourneerplicht geschiedt naar evenredigheid van ieders inkomen en/of vermogen. De man gaat uit van een 50/50 verdeling van de eigenaarslasten van de echtelijke woning, zijnde € 472,08 per persoon per maand. Hoewel de man geen inzicht heeft gegeven in zijn inkomsten, staat vast dat hij geen vaste dienstbetrekking heeft en de vrouw wel, zodat de rechtbank zal uitgaan van de door de man gestelde verdeling. Hoewel de man tevens dient bij te dragen in de lasten van de vrouw, constateert de rechtbank dat de vrouw op dit punt niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Het is niet duidelijk geworden wat haar inkomsten enerzijds, en uitgaven voor de huishouding anderzijds zijn geweest. De rechtbank acht het in strijd met de eisen van een goede procesorde om de vrouw hiervoor nog een termijn te gunnen, zoals zij heeft verzocht. De rechtbank overweegt dat indien de woning bij de ontbinding van het huwelijk (datum inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand) nog niet zal zijn geleverd, de vrouw ingevolge artikel 3:172 BW naar evenredigheid van haar aandeel, derhalve ook voor 50%, dient bij te dragen in de lasten van de gezamenlijke woning.

De vrouw is mitsdien vanaf 14 mei 2018 totdat de woning aan een derde zal zijn geleverd aan de man de helft van de eigenaarslasten, zijnde het bedrag van € 472,08 per maand, verschuldigd.

3.5.3.

De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot het betalen van een gebruiks-vergoeding vanaf 14 mei 2018 van € 1.310,48 per maand, althans van € 593,75 per maand indien de man afziet van een vergoeding door de vrouw van de eigenaarslasten.

De man betwist een gebruiksvergoeding verschuldigd te zijn.

3.5.4.

De rechtbank overweegt dat de man sinds de feitelijke scheiding van partijen in de gezamenlijke woning is verbleven en dat de vrouw sindsdien niet over het genot van die woning beschikt. Dat de vrouw de woning vrijwillig heeft verlaten, maakt dat niet anders.

De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 3:169 BW aan de man een gebruiks-vergoeding opleggen met ingang van 14 mei 2018 tot de datum van levering van de woning. De omstandigheid dat de vrouw de woning vrijwillig heeft verlaten, neemt de rechtbank wel in aanmerking bij de omvang van het vergoedingsrecht. In redelijkheid zal de rechtbank een gebruiksvergoeding bepalen die gelijk is aan het aandeel van de vrouw in de eigenaarslasten.

3.5.5.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank bepalen dat de man vanaf 14 mei 2018 tot de datum van levering van de woning een gebruiksvergoeding moet betalen die gelijk is aan het aandeel van de vrouw in de eigenaarslasten en die dus daarmee verrekend kan worden.

Belastingaanslagen (verzoek II.)

3.5.6.

De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 463,90, zijnde de helft van de belastingaanslagen over de jaren 2017 en 2018 tot en met april. De vrouw verzet zich tegen dat verzoek. De rechtbank zal het verzoek afwijzen. De aanslagen hebben betrekking op de periode en zijn betaald vóór 14 mei 2018 en zoals hiervoor bij de eigenaarslasten overwogen, zijn de op 14 mei 2018 aanwezige saldi op de bankrekeningen van partijen bij helfte verdeeld en worden de tot die datum belastingaanslagen hierin geacht te zijn verdisconteerd.

3.6.

Proceskosten

3.6.1.

Gelet op de aard van de procedures zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 28 juli 1995 te Brielle;

4.2.

gelast de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen partijen zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.4.5. tot en met 3.4.21.;

4.3.

bepaalt dat de man vanaf 14 mei 2018 tot de datum van levering van de gezamenlijke woning aan de vrouw een gebruiksvergoeding moet betalen die gelijk is aan het aandeel van de vrouw in de eigenaarslasten van die woning dat zij aan de man verschuldigd is;

4.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

4.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Lablans, mr. M.W.J. van Elsdingen en

mr. I.J. Pieters, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S. Jansen op 26 juli 2019.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.