Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:737

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
C/10/565848 / FT EA 19/48 - C/10/565849 / FT EA 19/49
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek moratorium afgewezen nu schuldbemiddelaar niet gezien kan worden als "een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, lid 1 Wck", waarnaar in de artikelen 287a en 287b Fw wordt verwezen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Wet op het consumentenkrediet 48
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 1 februari 2019

[naam] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 10 januari 2019, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 11 januari 2019 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 25 januari 2019.

Ter terechtzitting van 25 januari 2019 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    de heer mr. E.R. Butin Bik, advocaat.

GGN Mastering Credit, heeft namens de stichting Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden en medegedeeld niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 20 november 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

Verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de huurpenningen voor februari 2019 op

24 januari 2019 heeft overgemaakt aan verweerster. Zij heeft ter terechtzitting een betaalbewijs overgelegd. Voorts heeft verzoekster ter terechtzitting verklaard dat zij een baby van drie maanden heeft en een baan met een vast contract waardoor zij genoeg inkomen heeft om de huurpenningen te voldoen. Op het inkomen van verzoekster is echter beslag gelegd waardoor zij niet in staat was om daaruit de huurpenningen te voldoen. Verzoekster heeft de huurpenningen van februari 2019 kunnen betalen doordat zij geld heeft geleend, dat zij op haar spaarrekening had geparkeerd. Daarnaast heeft verzoekster ter terechtzitting verklaard dat zij opstartkosten van € 596,42 aan Financieel Adviesbureau Deco heeft betaald en dat zij vanaf nu € 95,00 per maand betaalt aan Financieel Adviesbureau Deco voor budgetbeheer.

De advocaat van verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard dat pas na het toewijzen van het moratoriumverzoek het budgetbeheer zal worden opgestart. Het budgetbeheer zal inhouden de maandelijkse betaling van de huurpenningen van verzoekster en het uitvoeren van de in het kader van schuldbemiddeling te treffen regeling met de schuldeisers van verzoekster. Indien verzoekster problemen heeft met de betaling van andere vaste lasten zal Financieel Adviesbureau Deco ook deze betalingen in het kader van budgetbeheer verrichten. Met de werkgever van verzoekster zal afgesproken worden dat het bedrag voor de huur steeds zal worden overgemaakt naar Financieel Adviesbureau Deco, waarna Financieel Adviesbureau Deco de huurbetaling voor verzoekster zal verrichten.

Tot slot heeft de advocaat van verzoekster ter terechtzitting verklaard dat de schuldbemiddeling, waaronder – volgens de advocaat – alleen wordt verstaan het treffen van een regeling met de schuldeisers (en niet de uitvoering daarvan), door Financieel Adviesbureau Deco om niet en onder dossiercontrole van de advocaat zal plaatsvinden.

3 Het verweer

De gemachtigde van verweerster heeft bij verweerschrift aangevoerd dat de huurachterstand sinds het vonnis van de kantonrechter van 20 november 2018 verder is opgelopen. De huurachterstand bedroeg toen € 2.678,38. Thans bedraagt de huurachterstand

€ 3.844,08, berekend tot en met de maand januari 2019. De laatste betaling dateert van
6 november 2018. Inclusief proces- en executiekosten staat thans een totaalbedrag open van € 4.776,11.

Tevens is verweerster van mening dat verzoekster laat hulp heeft gezocht. Verweerster en haar gemachtigde hebben verzoekster diverse malen benaderd en geadviseerd om een betalingsvoorstel te doen en hulp te zoeken. Ook is verzoekster aangemeld bij het Meldpunt Preventie Huisuitzetting (MPH) en heeft verweerster een melding gedaan aan het wijkteam.

Tot op heden zijn er geen duidelijke garanties gegeven door verzoekster over de betaling van de toekomstige huurtermijnen. Verweerster heeft derhalve tot op heden geen enkele zekerheid gekregen dat de huur in de (nabije) toekomst tijdig en correct voldaan zal worden. Gelet hierop bestaat er bij verweerster geen enkel vertrouwen dat verzoekster in de toekomst haar contractuele betalingsverplichtingen wel correct zal nakomen.

De gemachtigde van verweerster verzoekt het verzoek af te wijzen.

4 De beoordeling

Sinds 1 januari 2019 is in artikel 287a lid 7 Fw opgenomen dat een verzoek dwangakkoord wordt afgewezen als de schuldbemiddeling niet wordt uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck). In artikel 287b lid 3 Fw is deze bepaling van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit houdt in dat een verzoek als het onderhavige dient te worden afgewezen indien de schuldbemiddeling niet wordt uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 Wck.

De vraag is of Financieel Adviesbureau Deco zich als zodanig kwalificeert, nu zij, zoals de advocaat van verzoekster heeft betoogd, de schuldbemiddeling voor verzoekster om niet verricht. De Hoge Raad heeft deze vraag in het kader van een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ontkennend beantwoord en daarbij overwogen (Hoge Raad 5 november 2010 (ECLI:NL:HR: 2010:BN8060):

“3.3.2 Nu de enkele omstandigheid dat een schuldbemiddeling om niet geschiedt geen waarborg inhoudt dat deze voldoende kwaliteit bezit, vloeit uit het vorenoverwogene voort dat de wetgever met de verwijzing naar 'een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet' in art. 288 lid 2, aanhef en onder b, het oog heeft gehad op de personen en instellingen, genoemd in art. 48 lid 1, onder b, c en d, en dus niet op de onder a bedoelde bemiddelaars die hun diensten om niet verrichten. Dat strookt ook met de tekst van art. 288, nu in art. 48 lid 1, onder a, immers geen personen of instellingen zijn genoemd.

3.3.3 Hoezeer de stichting ook, gelet op art. 48 lid 1, aanhef en onder a, Wck, wettelijk bevoegd is geweest bedrijfsmatig voor [verzoeker] schuldbemiddeling te verrichten, het hof heeft haar dus terecht niet aangemerkt als een persoon of instelling, bedoeld in art. 48 lid 1 Wck, waarnaar art. 288 lid 2, onder b, verwijst. Hetgeen het middel over de stichting voorts nog aanvoert, maakt dat niet anders. Van de rechter kan immers niet worden gevergd dat deze in elk concreet geval waarin de voorafgaande schuldbemiddeling is verricht door een persoon of instantie die niet valt onder art. 48 lid 1, onder b, c of d, onderzoekt of die bemiddeling van voldoende kwaliteit is geweest.”

Nu het minnelijk traject waarop gedoeld wordt in artikel 288 lid 2 Fw hetzelfde is als het minnelijk traject waarop het onderhavige verzoek betrekking heeft, zijn de overwegingen van de Hoge Raad ook hier van toepassing. Dat betekent dat Financieel Adviesbureau Deco, nu het schuldbemiddeling om niet aanbiedt, daarmee niet gezien kan worden als "een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, lid 1 Wck", waarnaar in de artikelen 287a en 287b Fw wordt verwezen.

Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie (o.a. ECLI:NL:HR:2012:BU6758) volgt voorts dat artikel 48 Wck strikt moet worden uitgelegd. Alleen de in artikel 48 lid 1 sub b t/m d Wck genoemde personen en instellingen kwalificeren zich als persoon of instelling waar artikel 287b Fw op ziet. Daar valt Financieel Adviesbureau Deco niet onder. De enkele stelling dat de schuldbemiddeling onder dossiercontrole van de advocaat plaatsvindt, maakt dit niet anders.

Dit betekent dat het verzoek dient te worden afgewezen. De rechtbank beseft dat verzoekster en haar nog jonge kind zich in een problematische situatie bevinden. Indien verzoekster zich wendt tot een gekwalificeerde schuldbemiddelaar kan zij te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mrs. W.J. Geurts-de Veld, A.M. van Kalmthout en J.C.A.M. Los, rechters, en in aanwezigheid van J. Hillen-Huizer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019.