Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7337

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
10/680067-18 en 10/742093-18 (op 3 december 2018 t.t.z. gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TGO Schouw

Op 27 januari 2018 heeft zich een incident voor gedaan tussen een bezoeker van het IFFR (het latere slachtoffer) en een beveiliger (de verdachte). Op 28 januari 2018 is het slachtoffer thuis dood aangetroffen.

Veroordeling voor zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft

Overweging met betrekking tot causaal verband.

Daarnaast heeft de verdachte in 2016 (ook als beveiliger) een cafébezoeker mishandeld.

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummers: 10/680067-18 en 10/742093-18 (op 3 december 2018 t.t.z. gevoegd)

Datum uitspraak: 18 september 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het (post)adres:

[(post)adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. E.P.N. Pieterse, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De rechtbank heeft in de bijlage de feiten van de tenlasteleggingen voorzien van een doorlopende nummering en zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair (doodslag) ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

4 Het standpunt van de verdediging

De raadvrouw van de verdachte heeft overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota, namens de verdachte vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Vrijspraak feit 1 primair: doodslag (zaak [naam zaak 1] )

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde (doodslag) niet wettig en overtuigend is bewezen.

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat verdachtes opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op de dood van [naam slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer).

5.2.

Bewijswaardering

5.2.1.

Standpunt verdediging

Feit 1 subsidiair: zware mishandeling met de dood als gevolg (zaak [naam zaak 1] )

De raadvrouw heeft vrijspraak bepleit.

De verdachte ontkent het slachtoffer (met opzet) te hebben geschopt. Hij kan niet uitsluiten dat hij op het slachtoffer is gaan staan om hem overeind te helpen.

Mocht de rechtbank oordelen dat de verdachte wel éénmaal in/op de buik van het slachtoffer heeft geschopt/gestampt, dan stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat bij de verdachte opzet op toebrengen zwaar lichamelijk letsel, ook in voorwaardelijke zin, heeft ontbroken.

De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat er een tweede geweldsinwerking is geweest en dat daarom niet is voldaan aan de eis van dubbele causaliteit. De dood van het slachtoffer als gevolg van de (zware) mishandeling kan dus niet met uitsluiting van alle andere mogelijkheden bewezen worden verklaard.

Feit 2: mishandeling (zaak [naam zaak 2] )

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden nu hij in de uitoefening van zijn werk als beveiliger de grenzen van redelijk optreden niet heeft overschreden.

5.2.2.

Beoordeling

Feit 1 subsidiair: zware mishandeling met de dood als gevolg (zaak [naam zaak 1] )

De rechtbank gaat hieronder achtereenvolgens in op de vraag (1) welke feiten vaststaan (2) of de verdachte het slachtoffer in de buik heeft geschopt (3) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (4) of dat tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.

Ad (1) Vaststelling van de feiten en omstandigheden

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen heeft de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

De verdachte is op 27 januari 2018 omstreeks 03:30 uur voor de [naam openbare gelegenheid] te Rotterdam betrokken geweest bij een incident met het latere slachtoffer.

De aanleiding voor dit incident was dat het slachtoffer ondanks diverse verzoeken van beveiligers, weigerde het glas bier dat hij vanuit de [naam openbare gelegenheid] mee naar buiten had genomen, terug naar binnen te brengen.

Het slachtoffer is op 28 januari 2018 omstreeks 12:30 uur levenloos in zijn woning aangetroffen.

Ad (2) Heeft de verdachte het slachtoffer in de buik geschopt?

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het slachtoffer hard in de buik heeft geschopt op grond van het volgende.

Letsel

Uit het onderzoek van de patholoog-anatoom is gebleken dat het slachtoffer het volgende letsel had:

- verscheuring van de weke delen centraal en links in de bovenbuik over circa

12 cm lengte;

- verscheuring van de ophangband van de dikke darm centraal hoog in

de bovenbuik;

  • -

    verscheuring van de vetweefsels rondom en een deel van de alvleesklier in het gebied van de kopregio en bloeduitstorting in de ruimte achter de maag;

  • -

    bloeduitstorting in de weke delen langs de maag en de dunne darm.

Als bloedingsbron werd geen slagaderlijke bloeding vermoed, maar juist de kleine takjes van de aderen in het gebied rondom de alvleesklier en de dunne darm.

Dit is naar het oordeel van de rechtbank zwaar lichamelijk letsel. Dit letsel past volgens de patholoog-anatoom (en twee andere deskundigen) bij inwerking van hevig mechanisch stomp geweld op de buik, zoals onder andere door schoppen in de buik.

Getuigen

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat het slachtoffer bij de hoofdingang van de [naam openbare gelegenheid] op zijn rug op de grond lag. Hij zag dat één van de beveiligers een harde trap op de buik van het slachtoffer gaf. De getuige heeft de beveiliger hierop aangesproken waarop de beveiliger zei “Kijk wat hij bij mij heeft gedaan!" of woorden van gelijke strekking. De beveiliger wees hierbij op een plek in zijn nek ter hoogte van zijn rechter oor (p.42-44).

De getuige heeft de trap omschreven in die zin dat de beveiliger zijn knie omhoog trok en vervolgens een stampende beweging naar beneden op de buik maakte (p. 413-423).

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van het slachtoffer een klap kreeg en dat hij, de verdachte, (Adidas) schoenen droeg.

Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat het slachtoffer op de grond lag en een schop kreeg van de portier, ergens in het midden van zijn lichaam, tegen zijn buik. Het was vol trappen, met veel kracht, hij zag er agressief uit, aldus deze getuige (p. 87-93).

Getuige [naam getuige 3] heeft ook waargenomen dat het slachtoffer op de grond lag en dat een beveiliger een trap op het middenlichaam van het slachtoffer gaf. Het was een trap vanuit stand (p. 94-97). De getuige zag dat het lichaam van het slachtoffer kantelde toen hij die trap kreeg (p. 388-391).

Getuige [naam getuige 4] , een toenmalige collega beveiliger van de verdachte, heeft verklaard dat hij het slachtoffer bij de arm heeft gepakt nadat deze de verdachte had gestompt en dat zijn collega [naam collega] dat deed aan de andere kant. Het slachtoffer is vervolgens op de grond terecht gekomen. [naam getuige 4] heeft de verdachte omschreven als opgefokt en boos.

Getuige [naam getuige 4] zag het slachtoffer een gespannen houding aannemen, zijn buikspieren aanspannen, hij maakte een soort van “crunch” (p. 221-235).

Videobeelden

Het dossier bevat diverse videobeelden van 27 januari 2018, waarvan enkele ter zitting zijn getoond.

De camerabeelden van de laad- en losruimte van de [naam openbare gelegenheid] (camera 3) zijn beschreven (p. 248-289) en ter terechtzitting getoond (04:33:16 - 04:36:12 uur, in feite 03:24:05 - 03:27:01 uur).

Waargenomen wordt dat een persoon, die gezien vanaf de camera rechts staat, een duw/stoot/slag geeft aan een persoon, die gezien vanaf de camera links staat. Meteen hierna is te zien dat een persoon, die vanaf de camera gezien links staat, een (vuist)slag geeft aan een persoon, die gezien vanaf de camera rechts staat.

Vervolgens is te zien dat de rechter persoon die geraakt is, gezien zijn beweging naar achteren, naar de openstaande deur van de [naam openbare gelegenheid] loopt en daar bukt. Tegelijkertijd is te zien dat twee of drie personen die bij een pilaar staan, gezien vanaf de camera helemaal links, naar de grond gaan. Te zien is dat de persoon die bukte weer overeind komt en dat die persoon met grote passen naar de personen loopt die naar de grond zijn gegaan.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het slachtoffer een duw heeft gegeven en dat het slachtoffer hem daarop een klap gaf. De verdachte heeft vervolgens het glas dat hij uit de hand van het slachtoffer had gepakt, bij de deur op de grond gezet. Vervolgens is hij naar het slachtoffer, die inmiddels op de grond lag, teruggelopen.

Op de beelden van camera 7 (boven/bij de in- en uitgang van de [naam openbare gelegenheid] ) is te zien dat kort na het incident de drie beveiligers, waaronder de verdachte, in de sluis staan.

Te zien is dat de verdachte zijn voet omhoog haalt en vervolgens weer op de grond zet (04:45:11 uur, in feite 03:36:00 uur). Ook is te zien dat de verdachte doet alsof hij uithaalt naar beveiliger en getuige [naam getuige 4] . (04:46:18, in feite 03:39:07 uur).

Op de beelden om 04:48:38 uur (in feite 03:39:27 uur) is te zien dat de verdachte nogmaals een “stampende” beweging met zijn rechter been maakt.

De verdachte heeft met betrekking tot deze beelden ter zitting verklaard dat hij zijn collega’s vertelde dat de klap die hij van het slachtoffer kreeg goed hard was en dat hij in de sluis nadeed wat het slachtoffer bij hem had gedaan. De verdachte heeft ter zitting verder verklaard dat hij niet meer weet waarom hij de “stampende” beweging maakte.

Tapgesprek

Het dossier bevat verder een afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek van 31 januari 2018 tussen [naam 1] en [naam 2] , zijnde de toenmalige werkgevers van de verdachte (p.370-371).

Uit de context van het gesprek is duidelijk dat er gesproken wordt over het ten laste gelegde incident. Zo worden de namen van de twee andere beveiligers genoemd en ook de naam “ [naam verdachte] " wordt genoemd.

De rechtbank acht redengevend dat [naam 2] tegen [naam 1] zegt: “ja, ik heb hem geschopt zei hij”.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte met kracht en met geschoeide voet één keer op de buik van het slachtoffer heeft geschopt of gestampt, terwijl het slachtoffer op zijn rug op de grond lag.

Ad (3) Was er sprake van opzet?

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet bewust – dus niet met vol opzet – zwaar letsel heeft willen toebrengen aan het slachtoffer, maar dat wel sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zou intreden.
Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, en dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Niet is vereist dat de verdachte de kans heeft aanvaard op het specifieke letsel dat zich in het concrete geval heeft voorgedaan – zoals in dit geval tamelijk zeldzaam letsel -. Voldoende is dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn schop/stamp zwaar letsel zou ontstaan.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte met geschoeide voet en met kracht heeft geschopt/gestampt in de buik van het slachtoffer die onder invloed was van alcohol en op zijn rug op de grond lag. Het is een feit van algemene bekendheid dat de buik een vrij zacht en onbeschermd deel van het lichaam is, waar zich vitale organen bevinden.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte met zijn gedraging willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking het feit dat het slachtoffer fors onder invloed was en op zijn rug op een harde ondergrond lag, waardoor hij nauwelijks kon anticiperen op en kon meebewegen met de schop/stamp.

(Ad 4) Heeft het handelen van de verdachte geleid tot de dood van het slachtoffer?

De raadsvrouw heeft betoogd dat volgens de patholoog-anatoom niet is uit te sluiten dat een tweede geweldsinwerking heeft plaatsgevonden. Zelfs als de verdachte het slachtoffer heeft geschopt, is aan de eis van dubbele causaliteit niet voldaan. De raadvrouw heeft in dit kader onduidelijkheden dan wel punten genoemd die onbeantwoord zijn gebleven. Zo is het tijdstip van overlijden van het slachtoffer niet vast te stellen. Tussen het incident en het aantreffen van het slachtoffer zit een tijdsbestek van 33 uur. Onbekend is wat er in die tijd is voorgevallen. In dit verband heeft zij erop gewezen dat de patholoog-anatoom bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat een persoon met het bij het slachtoffer gemeten alcoholpromillage in beginsel niet zelfstandig kan staan en gemakkelijk kan vallen, waardoor het letsel kan zijn verergerd. De gordijnroede in de slaapkamer van het slachtoffer was gebroken, hetgeen kan duiden op een val van het slachtoffer.

Verder heeft de raadsvrouw erop gewezen dat het slachtoffer in een vreemde houding is aangetroffen in de badkamer, dat de taxichauffeur die het slachtoffer kort na het voorval bij de [naam openbare gelegenheid] naar huis heeft gebracht, niet heeft gemerkt dat het slachtoffer pijn had en dat een getuige heeft verklaard dat zij het slachtoffer op 27 januari 2018 omstreeks 14:00 uur nog voor zijn deur heeft zien staan.

De rechtbank overweegt het volgende naar aanleiding van dit verweer.

De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of een causaal verband bestaat tussen de door de verdachte verrichte gedraging en het tenlastegelegde gevolg, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of dit gevolg redelijkerwijs als gevolg van de gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend.

Daarvan is in ieder geval sprake als de schop/stamp van de verdachte een onmisbare schakel moet hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood hebben geleid, én aannemelijk is dat de dood van het slachtoffer met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die schop is veroorzaakt.

Welnu, uit de rapportages van de patholoog-anatoom blijkt dat het overlijden van het slachtoffer wordt verklaard door algehele weefselschade als gevolg van doorgemaakt bloedverlies (verbloeding) ten gevolge van doorgemaakt hevig stomp geweld op de buik. Zoals hierboven al is overwogen past dit bij schoppen of stampen. De patholoog-anatoom heeft opgemerkt dat één substantiële krachtinwerking genoeg is om de geconstateerde bloeduitstorting in de buik van het slachtoffer te veroorzaken. De rechtbank leidt daaruit af dat de harde schop/stamp van de verdachte zonder meer een onmisbare schakel moet hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid .

De patholoog-anatoom heeft ook opgemerkt dat er sprake kan zijn van een latere krachtinwerking die het effect van de eerste heeft uitgebreid. De verdediging wijst daarop.

Naar het oordeel van de rechtbank is de mogelijkheid dat zich een dergelijke latere krachtsinwerking heeft voorgedaan echter hoogst onwaarschijnlijk, gezien het navolgende.

Kort na het voorval heeft het slachtoffer een taxi genomen (03:36 uur) en zich vlakbij huis laten afzetten (03:50 uur). Het slachtoffer heeft de taxirit om 03:51 uur met zijn pinpas betaald (p. 25-26 en 429-432). Hierna hebben geen pin-transacties meer plaatsgevonden (p. 565-566).

Uit de locatiegegevens van de telefoon van het slachtoffer blijkt dat zijn telefoon op 27 januari 2018 vanaf 03:53 uur tot 17:26 uur in zijn woning is geweest (p. 584-585).

De telefoon is ook daadwerkelijk in de woning van het slachtoffer aangetroffen (p.7).

Vastgesteld kan worden dat getuige [naam getuige 5] het slachtoffer op 27 januari 2018 om 08:59 uur, 17:01 uur, 17:18 uur en 18:50 uur heeft gebeld zonder contact met hem te krijgen (p. 475-479). Ook getuige [naam getuige 6] heeft op 27 januari 2018 tevergeefs contact gezocht met het slachtoffer, terwijl zij het slachtoffer kent als iemand die altijd vrij snel reageert op berichtjes (p. 460-466).

Op 28 januari 2018 omstreeks 12:30 uur is het slachtoffer naakt en levenloos in de badkamer aangetroffen. Het is bekend dat het slachtoffer gewoon was om naakt te slapen (p. 438-444).

De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om uit de houding waarin het slachtoffer is aangetroffen, aan te nemen dat hij in de badkamer is gevallen. Zoals uit de verklaring van de vader van het slachtoffer volgt, is het slachtoffer zittend tegen het toilet en de wand aangetroffen (p. 438-444).

Dat de taxichauffeur niet heeft gemerkt dat het slachtoffer pijn had hoeft niet opmerkelijk te zijn. Het slachtoffer was onder invloed van alcohol en THC. Daardoor is de pijnwaarneming verstoord geweest, zoals prof. Dr. L.P.H. van Leenen heeft opgemerkt (rapport van 8 maart 2019). De rechtbank merkt in dit verband nog op dat er twee getuigen zijn die kort na het incident wel een gedragsverandering bij het slachtoffer hebben opgemerkt (zweten en stil zijn).

Weliswaar heeft getuige [naam getuige 7] verklaard dat zij het slachtoffer op 27 januari 2018 omstreeks 14:00 uur voor zijn woning heeft gezien, maar in het licht van het bovenstaande acht de rechtbank die verklaring onaannemelijk. De getuige moet zich naar het oordeel van de rechtbank hebben vergist.

Vast staat dat de gordijnroede in de slaapkamer van het slachtoffer gebroken was en dat een deel van de gordijnen op de grond lag. De rechtbank heeft evenwel geen andere aanwijzingen die duiden op een eventuele val van het slachtoffer. Dit enkele gegeven is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende om aannemelijk te achten dat er een tweede geweldsinwerking heeft plaatsgevonden die heeft geleid tot verergering van het letsel.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat het causaal verband is bewezen.

De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde.

Feit 2 (zaak [naam horecagelegenheid] )

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het handelen van verdachte ten aanzien van het tweede feit ( [naam horecagelegenheid] ) aangevoerd dat het handelen van verdachte passend was binnen zijn taakstelling als beveiliger.

De rechtbank heeft dit opgevat als een verweer met betrekking tot de wederrechtelijkheid van de tenlastegelegde mishandeling en overweegt daarbij als volgt. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat als een beveiliger binnen het kader van zijn taakstelling (handhaven van de veiligheid en de orde) passend geweld toepast, hij in beginsel moet worden vrijgesproken omdat de wederrechtelijkheid van dat handelden ontbreekt. In dit geval was van passend geweld echter geen sprake. De verdachte zat immers boven op aangever, die ruggelings op de grond lag en verdachte gaf de aangever toen een vuistslag op het hoofd. Naar eigen zeggen gaf de verdachte die vuistslag omdat de aangever hem toen nog bij zijn colbert vasthad en niet losliet. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte toen andere wegen moeten bewandelen om los te komen en was die vuistslag onder die omstandigheden niet passend, dus wederrechtelijk.

De rechtbank komt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, de aangifte van [naam slachtoffer 2] , de verklaring van de verdachte ter terechtzitting en de camerabeelden, tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.

5.2.3.

Conclusie

Op grond van al het voorgaande kan het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde worden bewezen verklaard.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

subsidiair

hij

op 27 januari 2018

te Rotterdam aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel,

te weten

- verscheurde weke delen in de bovenbuik en

- verscheuring van de ophangband van de dikke darm in de bovenbuik en

- verscheuring van de vetweefsels rondom de alvleesklier en

- verscheuring van een deel van de alvleesklier en

- ver/afscheuring en/of bloeding van de (takjes van de) aderen in het gebied

rondom de alvleesklier en de dunne darm,

heeft toegebracht, door die [naam slachtoffer 1] (terwijl die ruggelings op de grond lag ) met kracht en met geschoeide voet in/op de buik te schoppen of te stampen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

2. (10/742093-18)

hij

op 26 juni 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 2] eenmaal te slaan in het gezicht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 subsidiair

zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

2

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft het 32 jarige slachtoffer een trap in de buik gegeven waardoor het slachtoffer later aan zijn verwondingen is overleden. De verdachte heeft de dood veroorzaakt van een jonge man die midden in het leven stond. Hij heeft daarmee onnoemelijk veel leed en verdriet bij diens nabestaanden teweeggebracht. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen van zijn zus, stiefmoeder en biologische dochter volgt hoezeer het slachtoffer gemist wordt en gemist zal blijven bij diverse (familie)aangelegenheden.

Ook zijn omstanders ongewild geconfronteerd met deze tragische gebeurtenis. Een dergelijk ernstig feit brengt gevoelens van onrust in de samenleving teweeg.

De rechtbank weegt nadrukkelijk mee dat de verdachte werkzaam was als beveiliger bij het filmfestival en dat dit feit voor een flinke maatschappelijke beroering heeft geleid. Dat is ook wel begrijpelijk want het is nu eenmaal de taak van beveiligers de orde te handhaven en te waken over de veiligheid van de bezoekers. Zoals de raadsvouw terecht heeft opgemerkt en hiervoor bij de bespreking van het tweede feit door de rechtbank werd overwogen, geniet een beveiliger in de rechtspraak een zekere vorm van bescherming als hij tijdens zijn taakvervulling passend geweld gebruikt. Daarvan was echter op 27 januari 2018 geen sprake. De verdachte had weliswaar een vuistslag gekregen van het slachtoffer, maar toen de verdachte het slachtoffer in de buik schopte of stampte lag deze op zijn rug op de grond en vormde hij geen enkele bedreiging. Juist van een beveiliger mag worden verwacht dat hij zichzelf kan beheersen. De verdachte heeft die beheersing niet opgebracht. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ook gekeken naar de geringe aanleiding van het voorval; het niet willen terugbrengen van een glas bier.

Daarnaast heeft de verdachte in 2016 een bezoeker van de [naam horecagelegenheid] mishandeld door hem in het gezicht te slaan. Ook toen was de verdachte werkzaam als beveiliger en heeft hij de grenzen van een passende taakvervulling overschreden.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 augustus 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 april 2018. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Psycholoog drs. I. Snijders heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 2 maart 2018. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport. De verdachte heeft gebruik gemaakt van zijn recht om niet mee te werken aan het onderzoek.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: mevrouw [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 7.210,14 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening van de schadevergoeding door de verdachte.

Daarnaast vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 29,85 aan proceskosten ex artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, met daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

9.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft gelet op haar vrijspraakverweren geen inhoudelijk verweer gevoerd ten aan zien van de vordering van de benadeelde partij, behoudens ten aanzien van de hoogte van de proceskosten (reiskosten), nu de zittingsdag van 3 september 2019 is komen te vervallen. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft in haar tweede termijn haar vordering overeenkomstig aangepast.

9.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 19 maart 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 26,89 (reiskosten).

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 7.210,14, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Voorlopige hechtenis

Bij beslissing van 3 december 2018 is de voorlopige hechtenis geschorst tot aan de dag van de einduitspraak van deze rechtbank. De voorlopige hechtenis zal derhalve op 18 september 2019 herleven.

De raadsvrouw heeft verzocht om de verdachte in de gelegenheid te stellen om een eventueel hoger beroep in vrijheid te mogen afwachten.

De rechtbank heeft dit verzoek opgevat als verzoek de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel opnieuw onder voorwaarden te schorsen.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat gelet op de beslissingen in dit vonnis de verdenking, ernstige bezwaren en gronden, die tot het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, ook thans nog bestaan.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte niet zodanig zwaarwegend zijn, dat die opwegen tegen het maatschappelijk belang bij voortduren van de voorlopige hechtenis.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde], te betalen een bedrag van € 7.210,14 (zegge: zevenduizendtweehonderdentien euro en veertien cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 26,89, aan reiskosten;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 7.210,14 (hoofdsom, zegge: zevenduizendtweehonderdentien euro en veertien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van
€ 7.210,14 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 71 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

Het verzoek tot opheffing, dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en J. Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 27 januari 2018

te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk die [naam slachtoffer 1] (terwijl die ruggelings op de

grond lag en door [naam medeverdachte] , althans een ander dan verdachte, op de grond

geduwd/gehouden werd) met kracht en met geschoeide voet in/op de buik geschopt

en/of gestampt, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair

hij

op of omstreeks 27 januari 2018

te Rotterdam aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel,

te weten

- verscheurde weke delen in de bovenbuik en/of

- verscheuring van de ophangband van de dikke darm in de bovenbuik en/of

- verscheuring van de vetweefsels rondom de alvleesklier en/of

- verscheuring van een deel van de alvleesklier en/of

- ver/afscheuring en/of bloeding van de (takjes van de) aderen in het gebied

rondom de alvleesklier en de dunne darm,

heeft toegebracht, door die [naam slachtoffer 1] (terwijl die ruggelings op de grond lag en

door [naam medeverdachte] , althans een ander dan verdachte, op de grond geduwd/gehouden

werd) met kracht en met geschoeide voet in/op de buik te schoppen en/of te

stampen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair

hij

op of omstreeks 27 januari 2018

te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [naam slachtoffer 1] (terwijl die ruggelings op de

grond lag en door [naam medeverdachte] , althans een ander dan verdachte, op de grond geduwd/gehouden werd) met kracht en met geschoeide voet in/op de buik te

schoppen en/of te stampen terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad

en/of

waardoor die [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten:

- verscheurde weke delen in de bovenbuik en/of

- verscheuring van de ophangband van de dikke darm in de bovenbuik en/of

- verscheuring van de vetweefsels rondom de alvleesklier en/of

- verscheuring van een deel van de alvleesklier en/of

- ver/afscheuring en/of bloeding van de (takjes van de) aderen in het gebied rondom de alvleesklier en de dunne darm;

2. (10/742093-18)

hij

op of omstreeks 26 juni 2016

te Rotterdam

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 2] met kracht te duwen en/of

vervolgens meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) te slaan op het

oog, althans in het gezicht en/of op het lichaam;