Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7304

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-08-2019
Datum publicatie
13-09-2019
Zaaknummer
C/10/564411 / HA ZA 18-1203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvang realisatietermijn voor aansluiting, artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/564411 / HA ZA 18-1203

Vonnis van 7 augustus 2019 in het incident en in de hoofdzaak

in de zaak van

[eise] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat aanvankelijk mr. A.J.C. Valkenaars, thans mr. J. de Vries te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEDIN NETBEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M. Trimbos-Hartman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eise] en Stedin genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 december 2018 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende de incidentele conclusie inhoudende exceptie van onbevoegdheid, met producties;

  • -

    de oproepingsbrief van 22 mei 2019 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief van de rechtbank van 3 juni 2019 met een zittingsagenda;

  • -

    de akte voorafgaand aan comparitie van partijen aan de zijde van [eise] , tevens houdende een antwoord inzake de exceptie van onbevoegdheid;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 26 juni 2019;

  • -

    de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen aan de zijde van [eise] ;

  • -

    de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen aan de zijde van Stedin.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident en in de hoofdzaak.

2 De feiten

2.1.

Op 5 oktober 2015 heeft [eise] digitaal via mijnaansluiting.nl bij netbeheerder Stedin een aanvraag gedaan voor de realisatie van een tijdelijke (bouw)aansluiting op de nutsvoorzieningen in het kader van een door [eise] nieuw te bouwen woning aan de [adres] .

2.2

Bij brief van 16 oktober 2015 heeft Stedin een offerte voor de bouwaansluiting aan [eise] toegestuurd voor een bedrag van € 705,76. In de offerte is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

‘Hierbij ontvangt u een offerte voor de werkzaamheden (..) te ABCOUDE. In onderstaande tabel staan de werkzaamheden die wij aan u doorberekenen. (..)

Op de Stedin Klantportal kunt u binnen enkele stappen de offerte inzien, beoordelen, betalen en een wensdatum voor de uitvoering aangeven. (..)

Let op! Kies zo snel mogelijk een wensdatum. Pas als deze wensdatum bij Stedin bekend is, kunnen wij met de voorbereiding van de werkzaamheden starten. Een wensdatum wil niet zeggen dat de werkzaamheden ook altijd op deze datum plaatsvinden. De gemiddelde doorlooptijd na ontvangst van uw betaling bedraagt 06 weken. Houdt u hier rekening mee bij het ingeven van uw wensdatum.’

2.3

Op 15 en op 23 november 2015 heeft (de klantenservice van) Stedin per mail herinneringen aan [naam] , de aannemer van [eise] , verstuurd en medegedeeld dat de offerte nog niet was geaccepteerd respectievelijk betaald. Op 23 november 2015 heeft [eise] in het klantportal van mijnaansluiting.nl het bedrag van € 705,76 per Ideal betaald. Op 4 december 2015 is de acceptatie van de offerte door [eise] in de administratie bij Stedin verwerkt.

2.4

Op 16 maart 2016 heeft Stedin de bouwaansluiting aan [eise] opgeleverd.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

[eise] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht te verklaren dat Stedin tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eise] en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door [eise] als gevolg van die tekortkoming geleden schade;

2. voor recht te verklaren dat de algemene voorwaarden van Stedin, althans de artikelen 11 lid 1, 2 en 5 daarvan, geen gelding hebben als gevolg van de vernietiging daarvan door [eise] ex artikel 6:233 jo. artikel 6:237 onder f BW;

3. Stedin uit hoofde van tekortkoming in de nakoming te veroordelen tot vergoeding van een bedrag van (in hoofdsom € 46.680,75, vermeerderd met de rente van 26 juni 2016 tot en met 14 november 2018) € 48.954,05 + pm, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2018 althans vanaf de datum van de dagvaarding;

4. Stedin te veroordelen tot het vergoeden van buitengerechtelijke kosten aan de zijde van [eise] , conform BIK begroot op € 1.244,32;

5. Stedin te veroordelen tot het vergoeden van de kosten van dit geding, waaronder begrepen de nakosten.

3.2.

[eise] legt – kort gezegd – het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Stedin is toerekenbaar tekortgekomen in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de met [eise] gesloten overeenkomst door niet binnen een redelijke termijn een tijdelijke (bouw)aansluiting op het elektriciteitsnet te realiseren. In de door Stedin afgegeven offerte staat een gemiddelde doorlooptijd vermeld van zes weken. Stedin heeft de bouwaansluiting echter gerealiseerd op een termijn van drieentwintig weken na de aanvraag van [eise] op 5 oktober 2015. [eise] heeft hierdoor schade geleden. De schade bestaat uit gemaakte kosten voor de huur van een dieselaggregaat en dieselkosten.

Verder heeft [eise] zich op het standpunt gesteld dat de artikelen 11 lid 1, 2 en 5 van de door Stedin gehanteerde algemene voorwaarden, waarmee Stedin (gedeeltelijk) van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding wordt bevrijd, onredelijk bezwarend zijn. [eise] heeft de vernietiging van de voorwaarden ingeroepen, zodat Stedin hierop geen beroep toekomt.

3.3.

Stedin voert verweer en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eise] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van [eise] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten.

Stedin voert in dit verband – kort gezegd – aan dat zij niet is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de met [eise] gesloten overeenkomst, omdat de bouwaansluiting tijdig is opgeleverd. De termijn waarbinnen de bouwaansluiting moest worden gerealiseerd is pas gaan lopen op 4 december 2015, de dag waarop de acceptatie van de offerte door [eise] bij Stedin is verwerkt. Bovendien gaat [eise] ten onrechte uit van een oplevertermijn van (ongeveer) zes weken. Volgens artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet is de aansluittermijn achttien weken. Deze was op de dag van oplevering van de bouwaansluiting nog niet verstreken.

Verder heeft [eise] geen ingebrekestelling verstuurd, zodat Stedin niet in verzuim is geraakt en [eise] dus geen schadevergoeding kan vorderen. Ook betwist Stedin de omvang van de door [eise] gestelde schade. Tenslotte betwist Stedin dat artikel 11, leden 1, 2 en 5 van haar algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn.

In het incident

3.4.

Stedin vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de onderhavige vordering en de procedure verwijst naar de sector kanton van de rechtbank. Stedin legt hieraan – kort gezegd – ten grondslag dat van een aantal gevorderde schadeposten overduidelijk is dat die niet kunnen worden toegewezen, omdat deze geen verband houden met de inhuur van een aggregaat wegens het uitblijven van een bouwaansluiting. Wanneer die posten op de vordering in mindering worden gebracht blijft een bedrag van € 13.831,25 over, zodat de kantonrechter bevoegd is. Volgens Stedin kan het opkloppen van een vordering misbruik van procesrecht opleveren, omdat de gedaagde partij hierdoor onnodig kosten moet maken.

3.5.

Het verweer van [verweerder] strekt tot afwijzing van de incidentele vordering. Op grond van artikel 93 sub a Rv worden vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,- door de kantonrechter behandeld. Hiervoor is bepalend de vordering zoals die door de eiser is ingesteld en niet de vordering die mogelijk voor vergoeding in aanmerking komt. Het verweer van Stedin betreft niet een formeel bevoegdheidsverweer, maar komt feitelijk neer op een inhoudelijk schadeverweer, aldus [verweerder] .

4 De beoordeling

in het incident

misbruik van procesrecht

4.1.

Stedin stelt zich op het standpunt dat sprake is van misbruik van procesrecht door [verweerder] , omdat een aantal van de opgevoerde schadeposten geen verband houdt met de huur van een aggregaat maar met bronbemalingsactiviteiten voor de aanleg van een kelder en een zwembad.

4.2.

Van misbruik van procesrecht is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV782 en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366).

4.3.

In dit geval is aan deze strikte maatstaf niet voldaan. Hierbij kan in het midden blijven of juist is dat [verweerder] overduidelijk een “opgeklopte” vordering heeft ingesteld, zoals Stedin heeft gesteld. Immers zelfs indien daarvan zou moeten worden uitgegaan, is daarmee nog niet komen vast te staan dat [verweerder] zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen en evenmin dat [verweerder] zijn vordering baseert op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.

Van misbruik van procesrecht door [verweerder] is dus geen sprake is.

bevoegdheid van de rechtbank

4.4.

Op grond van artikel 93 aanhef en onder a Rv worden zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,- door de kantonrechter behandeld. Onder het beloop van de vordering in de zin van deze bepaling is te verstaan het bedrag van het gevorderde, zonder dat daarbij de waarde van de rechtstitel waarop de rechtsvordering is gegrond in aanmerking komt (zie HR 28 januari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB6200). Het gaat er dus om welk bedrag concreet wordt gevorderd en niet welk bedrag uiteindelijk mogelijk wordt toegewezen. De vordering van [verweerder] overstijgt de competentiegrens van de kantonrechter, zodat de rechtbank, sector civiel, bevoegd is daarvan kennis te nemen.

4.5

De incidentele vordering tot het onbevoegd verklaren van de rechtbank en het verwijzen van de zaak naar de sector kanton zal dan ook worden afgewezen.

4.6

[verweerder] noch Stedin heeft gevorderd de ander te veroordelen in de proceskosten in het incident. De rechtbank dient evenwel zo nodig ambtshalve te beslissen over de toewijsbaarheid van de proceskosten (zie HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477). Stedin zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten in het incident aan de zijde van [verweerder] worden evenwel begroot op nihil, omdat in het incident geen van de hoofdzaak afzonderlijke proceshandelingen zijn verricht.

in de hoofdzaak

aanvang realisatietermijn van de tijdelijke bouwaansluiting

4.7

[eise] grondt zijn vordering op een toerekenbare tekortkoming van Stedin in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst door het niet binnen een redelijke termijn realiseren van de tijdelijke bouwaansluiting. Voor de beoordeling van de vraag of hiervan sprake is, moet worden vastgesteld wanneer de termijn voor het realiseren van de tijdelijke bouwaansluiting is aangevangen. Over dit aanvangsmoment is in artikel 23, derde lid, van de Elektriciteitswet het volgende bepaald:

‘Een aansluiting wordt door de netbeheerder gerealiseerd binnen een redelijke termijn. Deze redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder is ingediend (..)’

[eise] stelt dat uit deze tekst volgt dat de termijn voor het realiseren van de tijdelijke bouwaansluiting een aanvang heeft genomen op 5 oktober 2015, de dag waarop [eise] (digitaal via mijnaansluiting.nl) een aanvraag heeft ingediend bij Stedin. Volgens [eise] was op of kort na die dag voor Stedin al duidelijk dat de tijdelijke bouwaansluiting moest worden gerealiseerd, omdat hierover met Stedin is gecorrespondeerd.

4.8

De rechtbank volgt dit standpunt van [eise] niet. Dit zou immers tot de onwenselijke situatie kunnen leiden dat de aanvrager na zijn aanvraag kan wachten met het accepteren van de offerte, of deze in het geheel niet kan accepteren, terwijl de netbeheerder dan al wel genoodzaakt wordt te starten met werkzaamheden (en dus kosten moet maken) om de aansluiting tijdig te realiseren, zonder aldus de zekerheid te hebben dat daadwerkelijk een overeenkomst tot stand zal komen. [eise] heeft niet met stukken onderbouwd dat hij direct na de aanvraag met Stedin heeft besproken dat de tijdelijke bouwaansluiting er daadwerkelijk moest komen, terwijl dit door Stedin is weersproken. Hiervan kan dus niet worden uitgegaan. Bovendien staat vast dat op 5 oktober 2015 slechts een aanvraag is gedaan. Van een definitieve overeenkomst met Stedin was op dat moment nog geen sprake.

4.9

De rechtbank is van oordeel dat de termijn genoemd in artikel 23, derde lid, van de Elektriciteitswet aanvangt zodra de door de netbeheerder uitgebrachte offerte wordt geaccepteerd. Pas dan komt een overeenkomst tot stand en is sprake van een verzoek om een aansluiting als bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Elektriciteitswet. Pas dan kan van de netbeheerder worden gevergd dat zij zich inspant om tijdig aan te sluiten (zie ook het besluit van de ACM van 7 augustus 2014, zaaknummer 14.0506.12 Rokade/Stedin).

4.10

Vervolgens is de vraag of het voorgaande betekent dat de termijn is aangevangen op 23 november 2015, de dag van betaling door [eise] , dan wel op 4 december 2015, de dag waarop de acceptatie van de offerte bij Stedin is binnengekomen en in de administratie is verwerkt.

4.11

Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de verklaring de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen (zie HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104). Stedin heeft het bericht van de acceptatie van de offerte door [eise] ontvangen op het moment dat dit in haar administratie is verwerkt. Op dat moment is de overeenkomst tot het realiseren van de tijdelijke bouwaansluiting definitief tot stand gekomen. Dit betekent dat de termijn waarbinnen Stedin de tijdelijke bouwaansluiting diende te realiseren is aangevangen op 4 december 2015.

is de tijdelijke bouwaansluiting tijdig gerealiseerd?

4.12

Tussen partijen is niet in geschil dat de tijdelijke bouwaansluiting op 16 maart 2016 aan [eise] is opgeleverd. Aangezien de realisatietermijn op 4 december 2015 is aangevangen, heeft Stedin de bouwaansluiting binnen een termijn van iets minder dan vijftien weken gerealiseerd. Vast staat dat Stedin daarmee binnen de in artikel 23 lid 3 van de Elektriciteitswet genoemde termijn van maximaal achttien weken is gebleven.

4.13

Van een tekortkoming van Stedin zou desondanks sprake kunnen zijn indien partijen een van de wettelijke regeling afwijkende termijn zijn overeengekomen, en Stedin die termijn vervolgens heeft overschreden. Voor het antwoord op de vraag of partijen een afwijkende termijn zijn overeengekomen, dient de overeenkomst tussen partijen op dit punt te worden uitgelegd. Behalve op de tekst van de offerte van 16 oktober 2015 komt het daarbij aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan tevens van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren (zie HR 13 maart 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AG4158).

4.14

[eise] stelt dat de redelijke termijn waarbinnen de tijdelijke bouwaansluiting moet zijn gerealiseerd, wordt ingekleurd door de in de offerte genoemde doorlooptijd van zes weken. De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van de offerte, zoals hiervoor onder 2.2 weergegeven, niet blijkt dat de genoemde termijn van zes weken als een indicatieve oplevertermijn kan worden opgevat. Uit de tekst van de offerte volgt immers slechts dat een wensdatum moet worden opgegeven en dat die niet op een eerder tijdstip kan zijn gelegen dan zes weken na betaling. De genoemde termijn van zes weken is gekoppeld aan de wensdatum en niet aan de realisatietermijn van de tijdelijke bouwaansluiting. [eise] heeft op basis van de offerte dus niet mogen verwachten dat de tijdelijke bouwaansluiting binnen ongeveer zes weken na betaling zou zijn gerealiseerd.

4.15

Voor de vraag wat partijen ten aanzien van de oplevertermijn over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, moet voorts worden gekeken naar de aard en omvang van de door Stedin te verrichten werkzaamheden. Daarbij is van belang dat het hier niet gaat om een standaardaansluiting op een al bestaand elektriciteitsnet, maar om een aansluiting voor een in een nieuwbouwwijk gelegen perceel waar de hoofdinfrastructuur nog moest worden aangelegd. Daarmee is meer tijd gemoeid dan met een aansluiting op een al bestaand elektriciteitsnet. Stedin heeft onbetwist gesteld dat zij daartoe gemeentelijke vergunningen heeft moeten aanvragen. Ook daar is de nodige tijd mee gemoeid, waarbij Stedin deels dus ook afhankelijk is van de gemeente. Ten slotte heeft Stedin een nettoets moeten uitvoeren voordat de tijdelijke bouwaansluiting kon worden opgeleverd. Mede gelet op de aard van de door Stedin te verrichten werkzaamheden heeft [eise] dan ook redelijkerwijs niet mogen verwachten dat Stedin de tijdelijke bouwaansluiting op een kortere termijn zou realiseren dan zij heeft gedaan.

4.16

Op grond van het voorgaande is de conclusie dat partijen niet een van de wettelijke regeling afwijkende termijn zijn overeengekomen. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van de termijn van achttien weken als bedoeld in artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet. Zoals hiervoor onder 4.12 reeds vastgesteld, heeft Stedin de tijdelijke bouwaansluiting binnen die termijn gerealiseerd. Van een tekortkoming van Stedin in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst is dan ook geen sprake. De vorderingen van [eise] zullen daarom worden afgewezen.

4.17

De overige stellingen van partijen, waaronder die ten aanzien van de toepasselijkheid van de exoneratiebepalingen in de algemene voorwaarden van Stedin en de omvang van de schade van [eise] , kunnen daarmee onbesproken blijven.

Proceskosten

4.18

[eise] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stedin worden begroot op:

- griffierecht € 1.950,-

- salaris advocaat € 2.148,- (2 punten × tarief IV € 1.074,-)

totaal € 4.098,-

4.19

De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

4.20

Op grond van artikel 233 Rv kan de rechtbank een vonnis slechts uitvoerbaar bij voorraad verklaren indien dit wordt gevorderd. Dit geldt ook ten aanzien van de proceskostenveroordeling (zie HR 14 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3864). Stedin heeft niet gevorderd het vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat de rechtbank dit achterwege zal laten.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt Stedin in de proceskosten in het incident, aan de zijde van [eise] begroot op nihil.

in de hoofdzaak

5.3.

wijst de vorderingen af,

5.4.

veroordeelt [eise] in de proceskosten, aan de zijde van Stedin tot op heden begroot op € 4.098,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [eise] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum vonnis tot aan de dag van volledige betaling en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eise] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Stolk en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2019.

1573/3193