Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7269

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
ROT 19/3797
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft op grond van artikel 15a van de Wob bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek om informatie. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft daarna in een brief geweigerd op het Wob-verzoek te beslissen. Het verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen.

Artikel 15a Wob, artikelen 1:3, derde lid, 6:2, aanhef en onder a, 6:20 en 8:81, vierde lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/3797

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 september 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: mr. R.A.D. Blaauw,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Namens verzoekster is (bij e-mailbericht van 7 februari 2019 en daarna) bij brief van 30 april 2019 een verzoek om informatie ingediend bij verweerder.

Bij brief van 1 mei 2019 heeft verweerder de ontvangst van het verzoek van 30 april 2019 op 1 mei 2019 bevestigd en heeft hij besloten de beslistermijn met vier weken te verlengen tot uiterlijk acht weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen.

Op 31 juli 2019 heeft verzoekster op grond van artikel 15a van de Wob bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Op 15 augustus 2019 heeft verweerder beslist op het verzoek.

Op 22 augustus 2019 heeft verzoekster in aanvulling op het door haar tegen het niet tijdig beslissen gemaakte bezwaar gronden ingediend bij verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Verzoekster heeft verweerder onder vermelding van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) in het kader van een gerechtelijke procedure tegen onder meer de eigenaar en vervreemder van de panden [adres 1] 93, 95a, 101, 103, 390 t/m 404 (even nummers), 436 tot en met 452 (even nummers), 486 en 488, [adres 2] 226 en 228 en [adres 3] te Rotterdam (de panden) verzocht om openbaarmaking van de door de gemeente verleende toestemming tot verkoop van de panden door [naam] aan [naam vastgoedbedrijf] en de aanvraag van deze toestemming.

2. Op 15 augustus 2019 heeft verweerder verzoekster meegedeeld dat haar verzoek geen Wob-verzoek betreft en het verzoek als regulier informatieverzoek afgedaan.

Verweerder heeft verzoekster daarbij als volgt geïnformeerd:

“ In verband met de overdracht van het betreffende perceel heeft de behandelende notaris

namens de verkopende partij aan de gemeente Rotterdam verzocht om toestemming te

verlenen voor de overdracht van het recht van erfpacht.

Middels brief d.d. 3 december 2014 is toestemming voor de overdracht verleend, hetgeen ook staat vermeld in de betreffende leveringsakte tussen de door u genoemde partijen, waar u naar verwijst en die u als bijlage heeft bijgevoegd.”

3. Verzoekster heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij beschikt over een digitale versie van de leveringsakte, maar niet beschikt over de bijlage. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat verweerder niet heeft onderkend dat het verzoek een Wob-verzoek betreft en dat de omstandigheid dat de gevraagde informatie ook voor private doeleinden wordt gebruikt niet maakt dat er sprake is van misbruik van recht. Openbaarmaking van de gegevens voor een ieder (onder meer de pers) is van belang voor beantwoording van de vraag of sprake is van fraude bij aanbesteding van de GreeNS portefeuille en is van belang bij beantwoording van de vraag in hoeverre de voormalige panden van de woningbedrijven daarbij een rol spelen. De portefeuille met panden is volgens verzoekster op 28 maart 2011 aangekocht door [naam] voor € 1.900.000 en een gedeelte van die portefeuille is in het kader van een groot aantal losse transacties in de eerste maanden van 2015 verkocht voor een bedrag van circa € 3.600.000. Dit, terwijl uit informatie uit het Handelsregister blijkt dat de aankopende vennootschap eerst op 9 december 2014 is opgericht en ingeschreven. Verzoekster heeft ter zitting erkend met een private kruistocht bezig te zijn, waar het oogmerk van schadevergoeding een onderdeel van is, maar niet het hoofddoel. De gevraagde informatie zal zeker behulpzaam kunnen zijn in de gerechtelijke procedure bij het gerechtshof in Arnhem-Leeuwarden tussen [verzoekster] enerzijds en (onder andere) [naam vastgoedbedrijf] anderzijds.

4. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

5. Artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijk gesteld de schriftelijke weigering een besluit te nemen.

6. Verzoekster heeft haar informatieverzoek expliciet gestoeld op de Wob. Uit het onder 3 vermelde volgt niet dat zij geen verzoek tot openbaarmaking heeft gedaan als bedoeld in de Wob (vgl. ECLI:NL:RVS:2014:4185). Gelet hierop is sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb en moet de brief van verweerder van 15 augustus 2019 worden aangemerkt als een schriftelijke weigering te beslissen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb.

7. Deze weigering te beslissen kan procedureel gelijk worden gesteld met een besluit als bedoeld in artikel 6:20 van de Awb. Hoewel artikel 6:20 van de Awb niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb, staat dit niet in de weg aan het treffen van een voorlopige voorziening omdat met de brief van 15 augustus 2019 niet is geweigerd op het bezwaar te beslissen, maar is geweigerd op het Wob-verzoek te beslissen (vgl. ECLI:NL:RVS:2019:1481).

8. Omdat verzoekster de voorzieningenrechter heeft verzocht om te bepalen dat verweerder in verband met de naderende zitting bij het gerechtshof in de onder 3 (laatste zin) genoemde procedure in ieder geval twee weken voor 7 oktober 2019 de gevraagde stukken aan haar dient toe te zenden, bestaat aanleiding voor het treffen van het in de dictum van deze uitspraak opgenomen voorlopige voorziening.

9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat verweerder aan verzoeker het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder vóór 23 september 2019 dient te beslissen op het door verzoekster op grond van artikel 15a van de Wob gemaakte bezwaar en daarbij tevens het besluit van 15 augustus 2019 dient te heroverwegen;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

J. Bijleveld, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 september 2019.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.