Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7258

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
10/997508-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de uitoefening van zijn beroep aanmerkelijk onoplettend, onachtzaam en nalatig gehandeld. Aan zijn schuld te wijten dat een ander zodanig letsel heeft opgelopen dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997508-18

Datum uitspraak: 31 juli 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. A.J. Sprey, advocaat te Almere.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 juli 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Inleiding

Op 4 oktober 2017 was de verdachte aan het werk als machinist van een graafmachine op een bouwproject op de locatie van het voormalige vliegkamp Valkenburg, 1e Mientlaan te Katwijk. Na een pauze, waarbij de verdachte in de cabine van de graafmachine zat en zijn collega’s naast de graafmachine stonden, heeft de verdachte de graafmachine gestart en is hij achteruit gereden terwijl zijn collega [naam slachtoffer] dicht achter de graafmachine stond. De graafmachine is over [naam slachtoffer] heen gereden. Hij heeft hierbij letsel aan zijn borstkas en aan zijn hoofd opgelopen en is hieraan overleden.

De verdachte heeft verklaard dat hij, voordat hij de motor startte, [naam slachtoffer] heeft zien weglopen van de graafmachine. Hij zegt niet meer gekeken te hebben waar [naam slachtoffer] zich bevond op het moment dat hij daadwerkelijk ging rijden.

Op de plek van het incident is onderzoek gedaan en is een reconstructie gehouden. Daaruit blijkt dat de spiegel aan de linker buitenzijde van de cabine van de graafmachine ten tijde van het ongeval in de zogenoemde transportstand stond. Bij die positie bestond vanaf de stoel van de bestuurder geen zicht op de linker achterzijde van de graafmachine, de plek waar [naam slachtoffer] zich bevond op het moment van het ongeval, terwijl bij een juiste afstelling van de spiegel dat zicht wel bestond. De spiegel stond al veertien dagen in de transportstand. Uit de reconstructie blijkt dat vanuit de cabine wel zicht was op de plek waar [naam slachtoffer] zich bevond op het moment van de aanrijding, wanneer de bestuurder zijn hoofd uit de cabine zou steken en naar achteren zou kijken.

4.1.2.

Standpunt verdediging

Niet bewezen kan worden dat er sprake is van grove of aanmerkelijke schuld. Het causale verband tussen het niet goed afgesteld zijn van de achteruitkijkspiegel aan de linkerzijde van de graafmachine en het ongeval ontbreekt. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte niet om zich heen heeft gekeken om zich ervan te vergewissen dat niemand zich vlakbij de graafmachine bevond. Het lijkt erop dat [naam slachtoffer] een onverwachte manoeuvre heeft gemaakt, waar de verdachte geen rekening mee hoefde te houden. De enkele omstandigheid dat de verdachte [naam slachtoffer] niet lang genoeg heeft nagekeken toen hij hem zag weglopen bij de graafmachine, is onvoldoende voor een bewezenverklaring. De verdachte dient daarom integraal te worden vrijgesproken.

4.1.3.

Beoordeling

Voor schuld als bedoeld in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht moet sprake zijn van een min of meer grove of aanmerkelijke schuld/aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid. Of hiervan sprake is wordt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad bepaald door de manier waarop dit in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Er zijn gevallen waarin aan personen wegens hun kennis en bekwaamheid hogere eisen gesteld kunnen worden dan normaal het geval is (de zogenoemde Garantenstellung). Onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig handelen op zichzelf is niet voldoende om tot een bewezenverklaring van schuld als hiervoor bedoeld te komen. Voor een bewezenverklaring van dergelijke schuld is van belang dat de verdachte moest kunnen voorzien dat bepaald gedrag, bestaande uit handelen of nalaten onvoorzichtig zou zijn en tot bepaalde gevolgen zou kunnen leiden. De voorzienbaarheid van de gevolgen is mede afhankelijk van de kennis en ervaring van een persoon. .

Voor de rechtbank staat vast dat de verdachte [naam slachtoffer] niet heeft gezien op het moment dat hij ging rijden. Doordat de linkerzijspiegel niet was afgesteld kon de verdachte [naam slachtoffer] ook niet zien wanneer hij ging rijden, tenzij hij zijn hoofd uit de cabine zou steken en naar de achterkant van de machine zou kijken. Dit heeft de verdachte niet gedaan. Verdachte had dit moeten doen, omdat hij vanaf zijn stoel (zonder correct ingestelde spiegel) geen zicht had op de plek achter de machine waar [naam slachtoffer] zich bevond.

De verdachte was goed voorgelicht over de veiligheidsrisico’s en -voorschriften die gelden voor het besturen van een graafmachine. Zo wordt in de Bedienings- en onderhoudshandleiding met het oog op het aanrijdgevaar uitdrukkelijk gewezen op het belang van een juiste afstelling van de spiegels en het belang van een controle of zich geen personen rond de machine bevinden. Gelet op de gegeven instructies en ook de jarenlange ervaring van de verdachte als machinist, had hij de linker achteruitkijkspiegel moeten instellen, zodra hij de machine op bouwplaats ging gebruiken. Verdachte had daarnaast op het daadwerkelijke moment van rijden moeten kijken waar [naam slachtoffer] was, omdat hij ongeveer een meter verwijderd was van de graafmachine toen de verdachte hem voor het laatst zag. Dat de verdachte gelet op de jarenlange samenwerking met zijn collega’s verwachtte dat [naam slachtoffer] weg zou lopen uit de draaicirkel van de machine, betekent niet dat de verdachte minder oplettend hoefde te zijn.

De rechtbank merkt tot slot op dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat de verdachte een andere taak op zich had genomen en een telefoongesprek voerde terwijl hij weer aan het werk ging na de pauze. Dat dit het geval zou zijn geweest is door de getuige Borgers, die de verdachte opbelde, verklaard. De verdachte heeft de verklaring van Borgers gemotiveerd betwist. Er zijn geen andere bewijsmiddelen die de verklaring van Borgers ondersteunen.

4.1.4.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande de verdachte verweten kan worden dat [naam slachtoffer] zodanig letsel heeft opgelopen dat hij is overleden. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van schuld, in die zin dat de verdachte aanmerkelijk onoplettend, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 4 oktober 2017 te Katwijk, , in de uitoefening van zijn beroep, te weten als vaste machinist van een graafmachine , aanmerkelijk, onoplettend en onachtzaam en nalatig heeft gehandeld door op een bouwproject op [plaats delict] , met die graafmachine achteruit te rijden, terwijl hij, verdachte,

- de (achteruitkijk)spiegel aan de linker buitenzijde van de cabine van die graafmachine niet uit de transportstand had gebracht, terwijl, als die spiegel wel goed afgesteld was geweest, hij, verdachte, zijn collega, de heer [naam slachtoffer] , middels die spiegel had kunnen waarnemen en

- voor het wegrijden niet of onvoldoende om zich heen had gekeken om zich ervan te vergewissen dat niemand zich rond en/of vlakbij die graafmachine bevond en zich er niet of onvoldoende van had vergewist waarheen de heer [naam slachtoffer] zich begaf, en

- met die graafmachine achteruit is gaan rijden op het moment dat de heer [naam slachtoffer] zich links dicht achter dat voertuig bevond en

- de heer [naam slachtoffer] niet heeft opgemerkt en vervolgensmet die graafmachine de heer [naam slachtoffer] heeft overreden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat voornoemde heer [naam slachtoffer] zodanig letsel aan zijn borstkas en hoofd heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl het misdrijf wordt gepleegd in de uitoefening van enig beroep.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als ervaren bestuurder van een graafmachine met die machine een ongeval veroorzaakt waardoor een collega van hem om het leven is gekomen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat het ongeval voorkomen had kunnen worden door eenvoudige maatregelen te treffen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zoals door de verdediging is bepleit, onvoldoende recht doet aan de ernst van het verwijt dat de verdachte gemaakt wordt.

Tegelijkertijd houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat hij, zo blijkt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 mei 2019, niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Tijdens de behandeling van de zaak is gebleken dat verdachte zich bewust is van het leed dat de nabestaanden moeten dragen. Ook is zichtbaar dat hij zelf lijdt onder de wetenschap dat hij als bestuurder een ongeval heeft veroorzaakt ten gevolge waarvan een dierbare collega met wie hij jarenlang heeft samengewerkt is overleden.

De rechtbank acht een taakstraf gelet op het voorgaande passend en geboden, waarbij voor wat betreft de duur zal worden afgeweken van de vordering van de officier van justitie. Daarbij is ook rekening gehouden met straffen die gewoonlijk in soortgelijke zaken worden opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen, 22c, 22d, 307 en 309 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

en mrs. C.E. Bos en L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 juli 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 4 oktober 2017 te Katwijk, althans in Nederland, in de uitoefening van zijn beroep, te weten als (vaste) machinist van een graafmachine (merk/type [merk] ), grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of onzorgvuldig en/of nalatig heeft gehandeld door op een bouwproject op [plaats delict] , met die graafmachine een bijzondere verrichting te verrichten, althans daarmee achteruit te rijden, in elk geval die graafmachine te verplaatsen, terwijl hij, verdachte,

- vlak voor het hervatten van de werkzaamheden een extra taak op zich had genomen naast de geplande werkzaamheden zonder de collega’s, waarmee hij, verdachte, aan het werk was, daarvan in kennis te stellen en/of

  • -

    doende was over een extra taak een telefoongesprek te voeren en/of na het op zich nemen van een extra taak de verbinding van zijn, verdachtes, telefoon niet had verbroken dan wel zijn telefoon niet had uitgeschakeld (waardoor zijn, verdachtes, aandacht (deels) afgeleid was van het hervatten van de werkzaamheden) en/of

  • -

    de (achteruitkijk)spiegel aan de linker buitenzijde van de cabine van die graafmachine niet zodanig had afgesteld dat deze zicht gaf op de linker achterzijde van die graafmachine, althans die (achteruitkijk)spiegel niet uit de transportstand had gebracht, (terwijl, als die spiegel wel goed afgesteld was geweest, hij, verdachte, zijn collega, de heer [naam slachtoffer] , middels die spiegel had kunnen waarnemen) en/of

- voor het wegrijden niet of onvoldoende om zich heen en/of in de spiegel(s) had gekeken om zich ervan te vergewissen dat niemand zich rond en/of vlakbij die graafmachine bevond en/of de beer [naam slachtoffer] niet (lang genoeg) had nagekeken toen deze wegliep, in elk geval zich er niet of onvoldoende van had vergewist waarheen de heer [naam slachtoffer] zich begaf, en/of

- met die graafmachine achteruit is gaan rijden op het moment dat de heer [naam slachtoffer] zich (links) dicht achter (een rupsband van) dat voertuig bevond, althans begaf, en/of

- de heer [naam slachtoffer] niet heeft opgemerkt en/of niet heeft laten voorgaan en/of (vervolgens) met. die graafmachine de heer [naam slachtoffer] heeft overreden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat voornoemde heer [naam slachtoffer] zodanig letsel (aan zijn borstkas en/of hoofd) heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 oktober 2017 te Katwijk, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, althans als bestuurder van een graafmachine (merk/type [merk] ), een bijzondere verrichting verrichtende, althans (achteruit)rijdende, op [plaats delict] , zich zodanig heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onoplettend en/of onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden

zorgvuldigheid met die graafmachine te rijden, welke grove, althans aanmerkelijke, onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid en/of onachtzaamheid en/of nalatigheid en/of onzorgvuldigheid hierin hebben/heeft bestaan dat hij, verdachte, toen en daar,

- vlak voor het (achteruit)rijden een extra taak op zich had genomen naast de geplande werkzaamheden zonder de collega’s, waarmee hij, verdachte, aan het werk was, daarvan in kennis te stellen en/of

- doende was over een extra taak een telefoongesprek te voeren en/of na het op zich nemen van een extra taak de verbinding van zijn, verdachtes, telefoon niet had verbroken dan wel zijn telefoon niet had uitgeschakeld (waardoor zijn, verdachtes, aandacht (deels) afgeleid was van het hervatten van de werkzaamheden) en/of

- de (achteruitkijk)spiegel aan de linker buitenzijde van de cabine van die graafmachine niet zodanig had afgesteld dat deze zicht gaf op de linker achterzijde van die graafmachine, althans die (achteruitkijk)spiegel niet uit de transportstand had gebracht, (terwijl, als die spiegel wel goed afgesteld was geweest, hij, verdachte, het slachtoffer, de heer [naam slachtoffer] , middels die spiegel had kunnen waarnemen) en/of

- voor het (achteruit)rijden niet of onvoldoende om zich heen en/of in de spiegel(s) had gekeken om zich ervan te vergewissen dat niemand zich rond en/of vlakbij die graafmachine bevond en/of de heer [naam slachtoffer] niet (lang genoeg) had nagekeken toen deze wegliep, in elk geval zich er niet of onvoldoende van had vergewist waarheen de heer [naam slachtoffer] zich begaf, en/of

- met die graafmachine achteruit is gaan rijden op het moment dat een voetganger, zijn collega de heer [naam slachtoffer] , zich (links) dicht achter (een rupsband van) dat voertuig bevond, althans begaf, en/of

- die voetganger, de heer [naam slachtoffer] , niet heeft opgemerkt en/of niet heeft laten voorgaan en/of

(vervolgens) met die graafmachine in botsing of aanrijding of aanraking is gekomen met die voetganger, als gevolg waarvan die voetganger, de heer [naam slachtoffer] , werd overreden en gedood.