Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7250

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
C/10/550293 / HA ZA 18-477
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident ex art. 843a Rv. Onvoldoende duidelijk gemaakt dat de stukken bestaan en zo ja, waarom deze nog nodig zouden zijn. Explosie methanoltank. Onvoldoende gesteld dat en waarom er sprake zou zijn van nalatigheid. Oorzaak explosie niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2020/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/550293 / HA ZA 18-477

Vonnis van 18 september 2019

in de zaak van

1. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

STATOIL ASA, thans genaamd EQUINOR ASA,

gevestigd te Stavanger, Noorwegen,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

TRAVELERS SYNDICATE MANAGEMENT LIMITED (Lloyds Syndicate 5000),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

3. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

QBE UNDERWRITING LIMITED (Lloyds Syndicate 1036),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

4. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

MS AMLIN UNDERWRITING LIMITED (Lloyds Syndicate 2001),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

5. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

BRIT SYNDICATES LIMITED (Lloyds Syndicate 2001),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

6. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

NEON UNDERWRITING LIMITED (Lloyds Syndicate 2468),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

7. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PEMBROKE MANAGING AGENCY LIMITED (Lloyds Syndicate 2014),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

8. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

ARK SYNDICATE MANAGEMENT LIMITED (Lloyds Syndicate 3902),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

9. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

IF SKADEFORSIKRING NORSK AVDELING AV UTENLANDSK FORETAK,

gevestigd te Oslo, Noorwegen,

eiseressen in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. J.W.L.M. ten Braak te Bussum,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CALDIC CHEMIE BV,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

verweerster in het incident,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Statoil c.s. en Caldic genoemd worden. Eiseres sub 1 afzonderlijk zal Statoil genoemd worden. Eiseressen sub 2 tot en met sub 9 zullen de verzekeraars van Statoil genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 januari 2018 van Statoil c.s., tevens houdende incidentele vordering tot overlegging van stukken ex artikel 843a Rv;

  • -

    de akte overlegging producties van Statoil c.s.;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van antwoord in incident ex artikel 843a Rv, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 april 2019 en de daarin aangeduide spreekaantekeningen;

  • -

    de akte na comparitie van partijen van Statoil c.s.;

  • -

    de akte tot referte van Caldic.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Statoil is een bedrijf dat werkzaam is in de gas- en olie-industrie. In 2016 had zij haar goederen verzekerd bij de verzekeraars.

2.2.

Caldic is een bedrijf dat opereert als distributeur en producent in de chemische industrie en dat op haar complex in Rotterdam beschikt over onder meer vijftien tanks voor de opslag van methanol en (bio-)ethanol.

2.3.

In 2012 hebben Statoil en Caldic een (hernieuwde) bewaarnemingsovereenkomst gesloten, vastgelegd in een Tank Storage Agreement (hierna: TSA) voor de opslag door Caldic van methanol ten behoeve van Statoil op de terminal van Caldic in Europoort, Rotterdam.

2.4.

Op 19 juli 2016 werd uit het ms. “Las Cuevas” methanol gelost en vervolgens geladen in opslagtank 470 op het terrein van Caldic. Tijdens deze loswerkzaamheden vond een explosie plaats in tank 470, ten gevolge waarvan het dak van de tank werd geblazen en er brand in de tank ontstond (hierna: het incident). Door het bluswater is de methanol die zich in tank 470 bevond, gecontamineerd geraakt.

Caldic heeft vervolgens de gecontamineerde inhoud van tank 470 overgeheveld naar tank 360, ten gevolge waarvan de inhoud van tank 360 eveneens gecontamineerd is geraakt.

De zich in tanks 360 en 470 bevindende methanol behoorde onder meer aan Statoil toe.

2.5.

De gecontamineerde methanol is kort na het incident afgevoerd van het terrein van Caldic. De partijen aan wie de methanol toebehoorde, naast Statoil ook Helm AG (hierna: Helm) Mitsui & Co. Deutschland GmbH (hierna: Mitsui) en Caldic, hebben gezamenlijk tot de salvage sale van de gecontamineerde methanol besloten.

2.6.

In opdracht van de verzekeraar van Caldic heeft schade-expert Cunningham [naam] op 22 juli 2016 en 22 augustus 2016 rapporten uitgebracht over de schade. Daarnaast heeft de verzekeraar van Caldic aan Gorpa Schadeonderzoek (hierna: Gorpa) opdracht gegeven om de toedracht van het incident te onderzoeken.

2.7.

Gorpa heeft het onderzoek tezamen met de recherche van de zeehavenpolitie van de eenheid Rotterdam van de Nationale Politie (hierna: de zeehavenpolitie) en het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) uitgevoerd. Namens ladingbelanghebbenden Helm en Mitsui heeft Interlloyd Averij B.V. (hierna: Interlloyd) aan dit onderzoek deelgenomen. Op 29 juli 2016 is bij Arepa te Amersfoort (hierna: Arepa) door Gorpa in samenwerking met de zeehavenpolitie en het NFI en in aanwezigheid van Interlloyd onderzoek gedaan naar de drukventielen van de opslagtank waarin de explosie plaatsvond.

2.8.

In opdracht van de verzekeraars van Statoil heeft expert Minton, Treharne & Davies Ltd. (hierna: MT&D) op 25 juli 2016 het terrein van Caldic bezocht en onderzoek uitgevoerd naar de (mogelijke oorzaken van) het incident. Op 14 oktober 2016 heeft MT&D een expertiserapport opgesteld met betrekking tot de mogelijke oorzaken van de brand en de explosie. Op 17 januari 2017 heeft MT&D een tweede expertiserapport opgemaakt met betrekking tot de contaminatie van de methanol en het afvoeren ervan van het terrein van Caldic.

2.9.

De lasnaden van de drukventielen en de breukvlakken zijn in opdracht van Gorpa nader onderzocht door Elements B.V. (hierna: Elements) dat op 7 oktober 2016 rapport uitbracht.

2.10.

Op 21 oktober 2016 bracht Gorpa haar definitieve rapport uit.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

Statoil c.s. vordert bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, Caldic te veroordelen tot:

  1. betaling aan Statoil c.s., althans aan één of meer van hen, van een bedrag van € 253.478,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 8 december 2017, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  2. betaling aan Statoil c.s., althans aan één of meer van hen, van een bedrag van € 3.042,39, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, bij wijze van vergoeding van de buitengerechtelijke kosten;

  3. betaling aan Statoil c.s., althans aan één of meer van hen, van de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- althans € 199,-, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Caldic voert verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van Statoil althans tot afwijzing van de vorderingen van Statoil c.s.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in het incident

4.1.

Statoil c.s. vordert bij incidenteel vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Caldic te veroordelen tot:

  1. afgifte aan Statoil c.s. van afschriften van de bescheiden zoals genoemd in paragraaf 20 en 22 van de dagvaarding, althans tot inzage in deze bescheiden;

  2. afgifte aan Statoil c.s. van de hiervoor genoemde bescheiden, althans tot inzage in deze bescheiden, binnen zeven werkdagen na het in deze te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag of een deel daarvan dat Caldic nalaat te voldoen aan de veroordeling;

  3. betaling aan Statoil c.s. van de kosten van dit incident.

In paragraaf 20 en 22 van de dagvaarding staan de volgende stukken opgesomd:

  1. methanol quantity, quality and storage documentation;

  2. vessel to shoretank discharge plans/documentation;

  3. equipment design and specifications (tank, pipelines, relief valves, tank alarms, monitoring devices, the scrubber system and firefighting equipment);

  4. operational control room data (flow rates, temperature records, pressure records, written logs, faults/alarms relating to the incident) and including the vapour return/scrubber system;

  5. maintenance records;

  6. emergency response documentation;

  7. photographs of the roof prior to any cutting/relocation/removal work;

  8. photographs of an identical tank roof to TK470 including the fittings (alarms, temperature and pressure monitoring devices, relief valves, vapour return system, etc.);

  9. photographs of the tank’s earth straps post incident and prior to repair works;

  10. alle aan Caldic uitgebrachte expertise-/onderzoeksrapport(en) met betrekking tot het incident van 19 juli 2016, en voor zover deze rapporten niet definitief (c.q. de status ‘voorlopig’ hebben), de desbetreffende definitieve rapporten zodra deze zijn uitgebracht;

  11. alle aan derden (waaronder Caldics verzekeraars en/of/althans verzekeringstussenpersoon) uitgebrachte expertise-/onderzoeksrapport(en) met betrekking tot het incident van 19 juli 2016 waarover Caldic de beschikking heeft, en voor zover deze rapporten niet definitief (c.q. de status ‘voorlopig’ hebben), de desbetreffende definitieve rapporten zodra deze zijn uitgebracht;

  12. alle interne expertise-/onderzoeksrapport(en) met betrekking tot het incident van 19 juli 2016, die binnen de organisatie van Caldic zijn opgemaakt, en voor zover deze rapporten niet definitief (c.q. de status ‘voorlopig’ hebben), de desbetreffende definitieve rapporten zodra deze zijn uitgebracht.

4.2.

Caldic voert verweer, strekkende tot afwijzing van de incidentele vordering.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak

5.1.

Ter zitting heeft Caldic de vorderingsgerechtigdheid van Statoil betwist, aanvoerende dat de entiteit Statoil ASA niet langer bestaat en zou zijn opgegaan in Equinor.

5.2.

Statoil c.s. heeft betwist dat Statoil niet vorderingsgerechtigd zou zijn, aanvoerende dat er slechts sprake is van een naamwijziging van Statoil ASA in Equinor ASA per 16 mei 2018. Statoil c.s. heeft dit onderbouwd met een uittreksel uit het handelsregister van Brønnøysund, Noorwegen, waaruit blijkt dat de naam Statoil ASA op 16 mei 2018 gewijzigd is in Equinor ASA.

5.3.

Caldic heeft zich hierop gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat Statoil vorderingsgerechtigd is, nu de naamwijziging van Statoil ASA in Equinor ASA niet aan de vorderingsgerechtigdheid in de weg staat.

Overigens heeft Caldic niet betwist dat de verzekeraars een bedrag van € 105.186,49 aan Statoil hebben uitgekeerd en zij voor dit bedrag gesubrogeerd zijn in de rechten van Statoil.

6 De verdere beoordeling in het incident

6.1.

Nadat Caldic stukken in het geding heeft gebracht, heeft Statoil c.s. ter zitting verklaard dat haar incidentele vordering nog slechts ziet op de stukken genoemd onder vi en onder x tot en met xii. Statoil c.s. heeft ten behoeve van haar incidentele vordering aangevoerd dat zij rechtmatig belang heeft bij de stukken om te kunnen aantonen dat er sprake is van nalatigheid aan de zijde van Caldic. Daarnaast heeft Statoil c.s. aangevoerd dat er een disbalans is tussen de bewijspositie van Statoil c.s. en die van Caldic. Ten aanzien van de stukken onder x tot en met xii heeft Statoil c.s. aangegeven dat er weliswaar reeds een aantal rapporten in het geding is gebracht, maar dat zij vermoed dat er meer is, waaronder rapporten van Arepa en Context. Uit de emergency response documentation, de stukken onder vi, kan volgens Statoil c.s. wellicht uit het relaas van handelingen na het ontstaan van de schade, een oorzaak van het ontstaan van de schade naar voren komen.

6.2.

Caldic heeft hiertegen aangevoerd dat Statoil c.s. geen belang heeft bij de stukken, omdat er een officieel onderzoek is geweest dat heeft plaatsgevonden onder toezicht van de zeehavenpolitie en het NFI, waarbij experts van de andere ladingbelanghebbenden betrokken waren en waarvoor Statoil c.s. was uitgenodigd. Het op dat onderzoek gebaseerde rapport is gedeeld, terwijl Statoil c.s. niet mee wilde doen met het onderzoek.

Voorts heeft Caldic aangevoerd dat zij niet weet of Context en Arepa rapporten hebben uitgebracht. Indien en voor zover Context een rapport heeft uitgebracht, ziet dat op de schade van Caldic zelf, ten behoeve van haar verzekeraars. Daar heeft Statoil c.s. geen belang bij, aldus Caldic.

6.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 843a Rv ziet op een bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte, die ertoe dient om bepaalde bewijsstukken in de procedure als bewijsmiddel ter beschikking te doen komen. In Nederland bestaat geen algemene exhibitieplicht voor procespartijen in die zin dat zij als hoofdregel verplicht kunnen worden tot het elkaar verschaffen van alle denkbare informatie en documenten. Gegeven dat feit en ter voorkoming van zogenaamde ‘fishing expeditions’ is de toewijsbaarheid van een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering in dat wetsartikel aan meerdere beperkende voorwaarden gebonden. Ten eerste dient de eiser tot exhibitie een rechtmatig belang te stellen en te hebben. Ten tweede moet de vordering “bepaalde bescheiden” betreffen waarover, ten derde, de verweerder daadwerkelijk de beschikking heeft of kan krijgen. Ten vierde dient de eiser tot exhibitie partij te zijn bij de rechtsbetrekking waarop de gevorderde specifieke bescheiden zien. Hieronder valt ook de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad. Indien aan al deze voorwaarden is voldaan, bestaat desondanks géén gehoudenheid tot overlegging indien, ten vijfde, daarvoor gewichtige redenen zijn of indien, ten zesde, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder die gegevensverschaffing is gewaarborgd.

6.4.

Statoil c.s. heeft gesteld dat zij rechtmatig belang heeft bij de emergency response documentation, omdat er mogelijk uit te destilleren zou zijn wat de oorzaak van het incident was. Caldic heeft dit betwist, aanvoerende dat Statoil c.s. geen rechtmatig belang heeft bij de emergency response documentation, nu niet duidelijk is geworden welk concreet belang Statoil c.s. bij de stukken heeft. In het licht daarvan heeft Statoil c.s., die ter zitting het speculatieve karakter van haar vordering ten aanzien van de emergency response documentation heeft erkend, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een direct en concreet belang heeft bij een uittreksel of afschrift van de emergency response documentation.

6.5.

Statoil c.s. heeft een uittreksel althans afschrift gevorderd van rapporten aangaande het incident van 19 juli 2016, die zij stelt nodig te hebben om te kunnen aantonen dat er nalatigheid is aan de zijde van Caldic. Caldic heeft de rapporten van Cunningham [naam] , Elements en Gorpa overgelegd en aangevoerd dat haar onduidelijk is of er nog andere rapporten bestaan. Voorts heeft Caldic aangevoerd dat Statoil c.s. geen rechtmatig belang heeft bij andere rapporten, als die al zouden bestaan.

De rechtbank stelt vast dat niet duidelijk is geworden of er naast de reeds door Caldic in het geding gebrachte rapporten nog andere rapporten bestaan, waarvan Statoil c.s. overlegging dan wel afschrift wenst. Nu Statoil c.s. daarvan overlegging verlangt, had het op haar weg gelegen om te onderzoeken of deze rapporten bestaan, bijvoorbeeld door navraag te doen bij degenen die volgens haar mogelijk een rapport hebben opgesteld. Ook overigens heeft Statoil c.s. niet gesteld dat de beschikbare rapporten een incompleet beeld geven, zodat zij naast de reeds overgelegde rapporten, ook andere rapporten, zouden die bestaan, nodig heeft.

6.6.

De incidentele vordering zal derhalve worden afgewezen.

6.7.

Statoil c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij in het incident in de kosten worden veroordeeld, aan de zijde van Caldic begroot op € 543,00 (1,0 punten × tarief € 543,00).

7 De verdere beoordeling in de hoofdzaak

7.1.

Aangezien Statoil c.s. in Noorwegen, respectievelijk het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd en Caldic in Nederland, is de onderhavige zaak een internationaal geval, zodat de rechtbank ambtshalve haar (rechtsmacht en) bevoegdheid en het toepasselijk recht dient vast te stellen. Nu de onderhavige zaak een burgerlijke zaak of handelszaak betreft en Caldic gevestigd is in een EU-lidstaat, terwijl Statoil c.s. haar vordering op of na 10 januari 2015 heeft ingesteld, is de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis) van toepassing. Blijkens artikel 13 van de TSA zijn partijen een forumkeuzebeding voor rechtbank Rotterdam overeengekomen, dat voldoet aan de vereisten van artikel 25 Brussel I bis, zodat deze rechtbank bevoegd is van de zaak kennis te nemen. Op grond van artikel 13 van de TSA is Nederlands recht van toepassing, nu dit artikel een rechtskeuzebeding behelst overeenkomstig artikel 3 van de toepasselijke Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).

7.2.

Statoil c.s. heeft primair aangevoerd dat Caldic aansprakelijk is voor de door Statoil c.s. geleden schade wegens wanprestatie. Subsidiair heeft Statoil c.s. aangevoerd dat Caldic aansprakelijk is op grond van artikel 6:74 BW en meer subsidiair ook op buitencontractuele grondslag op grond van artikel 6:174 en 6:175 BW.

Statoil c.s. heeft ten aanzien van haar primaire standpunt aangevoerd dat de tussen Statoil en Caldic gesloten TSA een overeenkomst van bewaarneming was in de zin van artikel 7:600 BW en dat Caldic niet heeft voldaan aan haar teruggaveplicht van 7:605 lid 4 BW, althans dat Caldic nalatig is geweest in de zin van artikel 15 TSA.

Daarnaast heeft Statoil c.s. aangevoerd dat het besluit van Caldic om de inhoud van tank 470 niet naar een lege tank, maar naar een gedeeltelijk gevulde tank over te hevelen, een nalatige keuze was.

7.3.

Caldic heeft voorop gesteld dat de artikelen 7:600 BW en verder van regelend recht zijn, waarvan partijen bij de TSA zijn afgeweken. Caldic heeft aangevoerd dat zij op grond van artikel 15 TSA slechts aansprakelijk is voor schade in geval van nalatigheid, en dat, nu de precieze oorzaak van het incident niet kan worden vastgesteld, niet is aangetoond dat sprake zou zijn geweest van nalatigheid aan haar zijde.

Voorts heeft Caldic aangevoerd dat op grond van artikel 12 van de TSA de General Conditions for Tank Storage (hierna: de VOTOB-condities) van toepassing zijn, en dat er sprake is van overmacht aan de zijde van Caldic op grond van artikel 60 van de VOTOB-condities. Op grond van artikel 57 lid 2 en onder f VOTOB-condities is Caldic in dat geval niet aansprakelijk.

Daarnaast heeft Caldic aangevoerd dat het overpompen van de gecontamineerde methanol naar tank 360 niet nalatig was, omdat dit in verband met het beperken van de schade de beste optie was. Tank 360 was, volgens Caldic, de minst gevulde tank die was aangesloten op het methanol leidingsysteem. In dat kader heeft Caldic eveneens aangevoerd dat het overpompen op last van de brandweer geschiedde en geen vrije keuze van Caldic was.

Ten slotte heeft Caldic tegen het primaire standpunt van Statoil c.s. aangevoerd dat Caldic op grond van artikel 15 TSA uitsluitend aansprakelijk is voor directe schade.

7.4.

Statoil c.s. heeft hiertegen ingebracht dat de bepalingen van de TSA voorrang hebben boven de VOTOB-condities, zodat deze slechts aanvullend van toepassing zijn voor zover er geen sprake is van inconsistentie of strijdigheid met de bepalingen van de TSA. Daarnaast heeft Statoil c.s. aangevoerd dat de VOTOB-condities 2014, waarop Caldic zich beroept, niet van toepassing zijn, nu de TSA uit 2012 stamt.

7.5.

Caldic heeft betwist dat de VOTOB-condities 2014 niet van toepassing zouden zijn omdat de TSA uit 2012 komt, aanvoerende dat de TSA is verlengd vanaf 1 januari 2015, zodat het logisch is aan te sluiten bij de nieuwste versie van de VOTOB-condities, die ook overigens niet relevant afwijken van de VOTOB-condities 1992.

7.6.

Niet in geschil tussen partijen is dat de TSA een overeenkomst van bewaarneming is en dat de TSA tussen hen van toepassing is. Caldic heeft aangevoerd dat op grond van artikel 12 TSA de VOTOB-condities 2014 van toepassing zijn, hetgeen Statoil c.s. betwist. Artikel 12 TSA bepaalt:

“12. Applicable Tank Storage Conditions

Storage and handling will take place under the General Conditions for Tank Storage in The Netherlands (VOTOB-conditions).

(…)

In the event of any inconsistency between the VOTOB conditions and this contract, the provision of this contract shall prevail.”

7.7.

Uit de tekst van dit artikel volgt dat de VOTOB-condities van toepassing zijn, en dat slechts in geval van tegenstrijdigheid, de betreffende bepaling van de TSA voorgaat. Uit de tekst van artikel 12 TSA volgt niet dat de TSA de VOTOB-condities geheel buiten werking stelt.

7.8.

De rechtbank overweegt dat Statoil c.s., gelet op de verlenging van de TSA, onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat de VOTOB-condities 2014 niet van toepassing zouden kunnen zijn, of wat de toepasselijkheid van de VOTOB-condities 1992 tot gevolg zou hebben voor de stellingen van Statoil c.s. en de verweren van Caldic. De rechtbank zal derhalve de VOTOB-condities 2014 toepassen.

7.9.

Artikel 60 van de VOTOB-condities bepaalt:

“Article 60 Force Majeure

1. Amongst others, the following facts shall, irrespective of their origin, each individually or in combination with each other, constitute force majeure for the Storage Company:

a. any defect, decay or natural qualities of the Goods (…) as well as defects, whether patent or latent, of the Premises and/or the Storage Space, Pipeline, pumps, jetties, foundations et cetera;

b. Government Regulations (…);

c. fire, smoke, explosion, extinguishing water (…)

d. (…)

2. The Storage Company is not required to meet its obligations during and after the period in which force majeure or the consequences thereof impede or prevent the Storage Company from fulfilling its obligations.”

Artikel 1 van de VOTOB-condities bepaalt:

“Article 1 Definitions

In these General Terms and Conditions the following definitions apply, unless it is clear from the context in which they are used, which a different meaning should be attributed thereto:

(…)

10. Storage Space:

Any space(s) (to be) made available to or to be used by the Storage Company for the purpose of carrying out Services, including tanks, tanker vessels (…), all with equipment and accessories belonging thereto.”

Artikel 57 van de VOTOB-condities bepaalt:

“Article 57 Storage Company liability

(…)

2. The Storage Company shall never accept liability for:

(…)

( f) any damage, loss, third-party claims, fines and or/costs arisen howsoever and resulting from force majeure within the meaning of Article 60 paragraph 1.

(...).”

7.10.

Statoil c.s. heeft aangevoerd dat er een tegenstrijdigheid is tussen artikel 60 van de VOTOB-condities en artikel 15 van de TSA, en dat in dat geval artikel 15 TSA een hogere werking toekomt dan artikel 60 van de VOTOB-condities. Caldic heeft hiertegen aangevoerd dat er geen sprake is van tegenstrijdigheid tussen artikel 15 TSA en artikel 60 van de VOTOB-condities, omdat de TSA overmacht en uitsluiting van aansprakelijkheid niet regelt. Derhalve kan er ook geen sprake zijn van een botsing tussen de bepalingen. Hetzelfde geldt voor artikel 57 lid 2 van de VOTOB-voorwaarden.

Artikel 15 van de TSA bepaalt:

“15. Liability and Limitation of Liability

Each party shall be liable towards the either party for direct losses, damages and costs which are caused by the other party’s negligence or anyone who is acting on the other party’s behalf. Notwithstanding the provisions in art. 56-59 VOTOB, both parties shall at no time be liable for any other damage or other loss, such as for instance loss of profits, consequential loss, costs, indirect damage or indirect loss.”

7.11.

De rechtbank is van oordeel dat Statoil c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom er sprake zou zijn van tegenstrijdigheid tussen artikel 15 TSA en de artikelen 57 lid 2 en 60 van de VOTOB-voorwaarden, nu Caldic terecht heeft gesteld dat de TSA geen regels geeft over overmacht en uitsluiting van aansprakelijkheid, zodat er geen bepaling in de TSA is opgenomen die met een bepaling over overmacht en uitsluiting van aansprakelijkheid botst.

7.12.

Caldic heeft aangevoerd dat, indien en voor zover er sprake zou zijn van nalatigheid aan de zijde van Caldic in de zin van artikel 15 TSA, dat haar een beroep op artikel 60 in samenhang met artikel 57 lid 2 en onder f van de VOTOB-condities toekomt. Statoil c.s. heeft hiertegen aangevoerd dat Caldic haar beroep op overmacht onvoldoende heeft onderbouwd.

7.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door partijen overgelegde rapportages blijkt dat de precieze oorzaak van de explosie en de brand niet kon worden vastgesteld. Uit de rapportage van Gorpa volgt dat hitteschade die aan een ventiel op het tankdak is ontstaan het gevolg moet zijn geweest “van een brand die woedde op het dak, buiten de opslagtank, in de nabijheid van het overdrukventiel.” Ook blijkt uit het rapport van Gorpa:

14.3.12 Voorlopige hypothese brandoorzaak

Op basis van de verkregen informatie en de aangetroffen sporen zijn er naar mening van de rapporteurs drie mogelijke hypothesen voor het ontstaan van de brand ten gevolge waarvan de explosie is ontstaan:

  • -

    statische elektriciteit ontstaan bij het bij een scheur uittredende gas;

  • -

    wrijving veroorzaakt door het langs elkaar bewegen van metalen delen bij een ontstane scheur in de tank;

  • -

    vonken veroorzaakt door het tegen elkaar bewegen van metalen delen bij een ontstane scheur in de tank.”

Voorts bepaalt het rapport van Gorpa:

15.2 Oorzaak methanollekkage

Uit het uitgebreid onderzoek naar de verschillende mogelijkheden voor het ontstaan van de methanollekkage is van geen enkele mogelijkheid vast komen te staan dat daar de oorzaak van de lekkage in gelegen moet zijn. Op basis van de op dit moment bij rapporteurs, de politie en het NFI bekend zijnde informatie kan een oorzaak van de methanol(damp)lekkage niet meer worden vastgesteld.”

7.14.

Statoil c.s. heeft bij dagvaarding twee oorzaken genoemd van de brand die te wijten zouden zijn aan de nalatigheid van Caldic. Naar het oordeel van de rechtbank stelt Caldic terecht dat deze oorzaken achterhaald zijn door de onder 2.7, 2.9 en 2.10 genoemde rapporten. Daarna heeft Statoil c.s. onvoldoende gesteld om nalatigheid aan de zijde van Caldic aan te nemen. Dat geldt ook voor haar beroep op artikel 6:174 en/of artikel 6:175 in samenhang met artikel 6:181 BW.

De ter zitting geplaatste kanttekeningen bij passages in de rapporten van Gorpa en Elements zijn in het geheel niet uitgewerkt. Ook heeft Statoil c.s. onvoldoende betwist dat Caldic op last van de brandweer de gecontamineerde methanol moest overpompen naar tank 360. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

7.15.

Statoil c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in de hoofdzaak worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Caldic worden begroot op:

- griffierecht € 3.946,00

- salaris advocaat 4.804,00 (2,0 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 8.750,00

8 De beslissing

De rechtbank

in het incident

8.1.

wijst de incidentele vordering af,

8.2.

veroordeelt Statoil c.s. in de proceskosten in het incident, aan de zijde van Caldic tot op heden begroot op € 543,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

8.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

8.4.

wijst de vorderingen af,

8.5.

veroordeelt Statoil c.s. in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de zijde van Caldic tot op heden begroot op € 8.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

8.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2019.

3178/2066/32