Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7177

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
C/10/563015 / HA ZA 18-1132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vader, via zijn vennootschap, stelt gelden beschikbaar aan zijn zoon en de partner van zijn zoon. Vraag is of er sprake is van geldleningen of schenkingen. Vraag is voorts of de partner hoofdelijk, nadat de zoon is overleden, gehouden is de ontvangen gelden aan de vader terug te betalen. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van geldleningen en dat de partner hoofdelijk tot terugbetaling is verplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/563015 / HA ZA 18-1132

Vonnis van 4 september 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEDIFARM B.V.,

gevestigd te Mill, gemeente Mill en St. Hubert

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VL DIDACT B.V.,

gevestigd te Mill, gemeente Mill en St. Hubert

eiseressen,

advocaat mr. J.A.J.M.I. van Laake te Mill,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Medifarm, VL Didact en [naam gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 november 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de reactie op de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 12 april 2019 en de reactie daarop van

mr. Van Laake van 23 april 2019;

  • -

    de akte van de zijde van Medifarm en VL Didact;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van [naam gedaagde] ;

  • -

    de beslagstukken.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[naam gedaagde] is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de heer [naam] (hierna: [naam] ). Dit huwelijk is op 8 juni 2017 ontbonden.

[naam] is op 7 juli 2017 overleden.

2.2

Een akte van geldlening van 28 december 2011, namens Medifarm (“schuldeiser”) en door [naam] en [naam gedaagde] (“schuldenaren”) ondertekend, luidt, voor zover hier van belang:

“(…) Schuldeiser heeft aan schuldenaren op 30 november 2010 ter leen verstrekt een bedrag groot € 12.868,-- (…). Tevens heeft schuldeiser in 20121 (sic) nog aanvullende bedragen aan schuldenaren ter leen verstrekt (…). De totale schuld bedraagt per 1 januari 2012 € 15.088,-- (…) welk bedrag schuldenaren hebben aanvaard.

De akte vermeldt verder dat schuldenaren verklaren hoofdelijk verbonden te zijn voor dit bedrag, dat zij een rente van 6% per jaar verschuldigd zijn over de hoofdsom of het restant daarvan, dat terugbetaling zal geschieden vanaf 1 januari 2012 in 33 maandelijkse annuïteiten van € 497,11 en dat het hele verschuldigde bedrag ineens opeisbaar zal zijn in geval van overlijden van een van beide schuldenaren.

2.3

Op 9 november 2018 is op verzoek van Medifarm en VL Didact conservatoir beslag gelegd op het aandeel van [naam gedaagde] in het appartementsrecht, recht gevende op het uitsluitend gebruik van het registergoed, plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente Delfshaven, sectie [sectienummer] .

3 De vordering

3.1

Medifarm en VL Didact vorderen dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

1. [naam gedaagde] zal veroordelen aan Medifarm te betalen een bedrag van € 11.834,--, dan wel enig ander bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 6% per jaar over dat bedrag vanaf 7 juli 2017 tot de dag van volledige betaling

2 [naam gedaagde] zal veroordelen om aan VL Didact te betalen een bedrag van € 37.682,--, dan wel enig ander bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 4% per jaar over dat bedrag vanaf 7 juli 2017 tot de dag van volledige betaling

3 [naam gedaagde] zal veroordelen aan Medifarm en VL Didact te betalen een bedrag van

€ 1.548,59 aan buitengerechtelijke incassokosten, zodanig dat als aan de ene eiseres wordt betaald, de verplichting ten aanzien van de andere eiseres vervalt

4 het gelegde beslag van waarde zal verklaren

5 [naam gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en in de kosten van het beslag.

3.2

Zij baseren hun vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

VL Didact heeft aan [naam gedaagde] en [naam] geldleningen verstrekt, aanvankelijk, in 2004, via de besloten vennootschap Accre Didact BV. Die onderneming is in 2008 verkocht en het restant daarvan is voortgezet als VL Didact.

Eind 2006 bedroeg de schuld aan VL Didact € 29.000,--, exclusief de rente van 3,5% per jaar. Vanaf 2008 is een rente van 4% per jaar overeengekomen.

Medifarm heeft aan [naam gedaagde] en [naam] vanaf november 2010 verschillende geldleningen verstrekt.

Op 28 december 2011 is een akte van geldlening opgemaakt. Per 1 januari 2012 bedroeg de schuld van [naam gedaagde] en [naam] aan Medifarm € 15.088,--. Per 31 december 2016 bedroeg de schuld aan Medifarm nog € 11.834,--.

Voor alle leningen waren [naam gedaagde] en [naam] hoofdelijke schuldenaren.

De vorderingen zijn opeisbaar. [naam gedaagde] verkeert in verzuim.

[naam gedaagde] betaalt niet en is daarom ook de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.548,59 verschuldigd.

4 Het verweer

4.1

[naam gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. Op zijn verweer gaat de rechtbank hierna, waar nodig, in.

5 De beoordeling

de vordering van VL Didact

5.1

[naam gedaagde] betwist de gestelde overeenkomst van geldlening met Accre Didact BV of VL Didact. Een eventuele vordering van Accre Didact BV had aan VL Didact moeten worden gecedeerd en daarvan had aan de debiteur mededeling moeten worden gedaan.

Hij heeft daarover echter niets vernomen, aldus [naam gedaagde] , zodat VL Didact geen vordering op hem heeft. Als er al een vordering zou bestaan, dan is die volgens hem inmiddels verjaard. Subsidiair stelt hij dat geen rente is overeengekomen en dat het beroep op hoofdelijkheid misbruik van recht oplevert, althans in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid.

5.2

De rechtbank bespreekt eerst het beroep op verjaring.

[naam gedaagde] heeft ter comparitie het beroep op verjaring toegelicht en verklaard dat de laatste aflossing dateert van 30 maart 2012 en dat er tussen die datum en die van de dagvaarding, 12 november 2018, meer dan 5 jaren zijn verstreken.

VL Didact heeft betwist dat de vordering is verjaard, onder verwijzing naar haar brief van

9 januari 2017 aan [naam gedaagde] (productie 3 bij dagvaarding). Uit die brief blijkt, aldus

VL Didact, dat zij nog steeds aanspraak maakt op haar vordering.

Dat standpunt is juist. Uit deze brief, waarvan de ontvangst en de inhoud door [naam gedaagde] niet zijn betwist, blijkt dat VL Didact op 9 januari 2017 zich haar recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehield (artikel 3:317 BW). Van verjaring van deze vordering is dus geen sprake.

5.3

VL Didact heeft bij “reactie op de conclusie van antwoord” als productie 6 overgelegd een gedeelte uit de jaarrekeningen 2008 en 2009, waarin steeds opgenomen staat onder het hoofd “overige vorderingen” een lening van € 29.000,-- aan [naam] .

Ter comparitie heeft [naam gedaagde] de juistheid van die stukken en van de daarin genoemde bedragen niet betwist. Ook heeft hij niet betwist dat hij en [naam] in 2011 aan

VL Didact bedragen hebben afgelost, zoals blijkt uit de als productie 7 bij “reactie op de conclusie van antwoord” overgelegde bankafschriften.

De rechtbank gaat daarom uit van het bestaan van een vordering van VL Didact op

[naam] in 2009 ter hoogte van € 29.000,--, exclusief rente, en van de wetenschap van [naam gedaagde] dat VL Didact eigenaar van die vordering was.

Dat een rente van 3 en later 4% per jaar is overeengekomen is subsidiair door [naam gedaagde] betwist. VL Didact heeft daarop slechts gereageerd door te stellen dat de accountant een rentevergoeding eiste. Dat is onvoldoende om aan te nemen dat die vergoeding ook is overeengekomen. In zoverre slaagt het verweer.

5.4

[naam gedaagde] heeft ten aanzien van de vordering van VL Didact de gestelde hoofdelijke verbondenheid op zichzelf niet betwist.

Wel heeft hij een “doorbreking van de hoofdelijkheid” bepleit. Zijn argument daarvoor is dat door de papieren verhouding moet worden “heengekeken” en dat het in wezen gaat om steun van ouders aan hun kind. Een beroep op hoofdelijke verbondenheid beschouwt hij in dit geval als misbruik van recht, omdat de ouders van [naam] de nalatenschap van hun zoon hebben verworpen, waardoor zijzelf zijn bevrijd van zijn schulden, maar wel hem, [naam gedaagde] , aanspreken voor de totale schuld. Ook zou hij daardoor geen regres kunnen nemen op de nalatenschap van [naam] .

5.5

Artikel 3:13, lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Het tweede lid bepaalt dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Van misbruik van recht door VL Didact door zich op hoofdelijk schuldenaarschap te beroepen is geen sprake. De ouders van [naam] hadden de bevoegdheid zijn nalatenschap te verwerpen. [naam] en [naam gedaagde] waren hoofdelijk verbonden voor de schuld aan VL Didact. VL Didact houdt [naam gedaagde] thans voor de gehele schuld aansprakelijk. Het feit dat dat voor [naam gedaagde] financiële gevolgen heeft maakt echter nog niet dat VL Didact misbruik maakt van haar bevoegdheid. Van onevenredigheid tussen de wederzijdse belangen is niet gebleken.

Om dezelfde reden faalt het beroep op de derogerende (beperkende) werking van de redelijkheid en de billijkheid.

5.6

Medifarm en VL Didact hebben ter comparitie onbetwist verklaard dat [naam] nog andere schulden had, waaronder een schuld van € 90.000,-- aan (voorheen) de Volksbank. Tegen deze achtergrond bezien had [naam gedaagde] minst genomen moeten toelichten hoe hij zijn regresrecht, voor zover daar sprake van zou zijn, hij heeft dat niet uitgewerkt of geconcretiseerd, had kunnen effectueren. Aan de niet onderbouwde stelling van [naam gedaagde] dat de ouders van [naam] het hem onmogelijk hebben gemaakt zijn regresrecht uit te oefenen wordt dan ook verder voorbij gegaan.

5.7

De conclusie uit het hiervoor onder 5.2 tot en met 5.6 overwogene is dat de vordering van VL Didact tot een bedrag van € 29.000,-- in hoofdsom toewijsbaar is. Nu niet kan worden uitgegaan van een overeengekomen rente zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf de onbetwiste ingangsdatum van 7 juli 2017.

de vordering van Medifarm

5.8

[naam gedaagde] erkent het bestaan van de akte van geldlening van 28 december 2011, ondertekend door hemzelf en [naam] , maar voorziet die akte van het volgende commentaar. De ouders van [naam] hebben in privé aan hem en [naam] verschillende malen geldbedragen als schenking verstrekt en die vervolgens in de boeken van Medifarm geëtiketteerd als geldlening. Er is, anders dan in de akte van geldlening staat vermeld, op 30 november 2010 of kort daarvoor geen bedrag van € 12.868,-- aan hem en [naam] betaald. Uit de akte van geldlening blijkt niet van een daadwerkelijk bij wijze van lening verstrekte geldsom. Subsidiair betwist hij de hoogte van de vordering.

Medifarm heeft in reactie daarop als productie 10 bij “reactie op conclusie van antwoord” afschriften overgelegd van de rekening van Medifarm bij ABN-AMRO bank met nummer [bankrekeningnummer] van 30 november en 31 december 2010 en van 31 januari 2011.

Daaruit blijkt van zes betalingen van Medifarm aan [naam] , waarvan vijf onder vermelding “lening” en één met vermelding “[naam vermelding]

De betaalde bedragen waren € 3.500,--, € 2.800,--, € 2.909,--, € 1.150, € 2.509,-- en

€ 1.428,--, in totaal € 14.296,--. [naam gedaagde] heeft de juistheid van de inhoud van die bankafschriften in zijn akte van 24 april 2019 niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

Bij akte van 24 april 2019 heeft Medifarm overgelegd een drietal bewijsstukken van betalingen aan [naam gedaagde] van bedragen van € 2.400,--, € 1.600,-- en € 1.500,-- met de vermelding “lening”. [naam gedaagde] heeft die bij akte van diezelfde datum als juist erkend.

5.9

De akte van geldlening van 28 december 2011 is een onderhandse akte, als bedoeld in artikel 156, lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv).

Ingevolge artikel 157, lid 2 Rv levert die akte dwingend bewijs op van wat daarin is vastgelegd en dat hetgeen daarin is verklaard tussen partijen als waarheid geldt, behoudens tegenbewijs.

[naam gedaagde] bestrijdt dat er op de bewuste 30 november 2010, zoals de akte vermeldt, een bedrag van € 12.868,-- aan hem en [naam] is verstrekt. Medifarm heeft bij gelegenheid van de comparitie, ter toelichting op deze vermelding in de akte, verklaard dat haar accountant het per 1 januari 2012 verschuldigde bedrag heeft berekend aan de hand van de overgemaakte bedragen, de aflossingen en het in de akte genoemde rentepercentage.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex, NJ 1981,635).

Met toepassing van dit criterium moet de vermelding in de akte van geldlening dat een bedrag van € 12.868,-- op 30 november 2010 aan schuldenaren is verstrekt, gezien die

- onbetwiste- toelichting, redelijkerwijs worden gelezen als een vaststelling tussen partijen dat per 30 november 2010 door Medifarm een bedrag van in totaal € 12.868,-- was verstrekt aan [naam] en [naam gedaagde] .

Tegenbewijs tegen de inhoud van de akte is niet aangeboden. Tussen partijen staat dit daarom vast. Vast staat ook, zoals vermeld in de akte van geldlening, dat de totale schuld per 1 januari 2012 € 15.088,-- bedroeg.

5.10

[naam gedaagde] betwist voorts dat het om een geldlening ging. In zijn visie ging het om een schenking aan hem en [naam] door de ouders van [naam] in privé.

Dat verweer kan niet slagen. De akte van geldlening, die, zoals hiervoor onder 5.8 overwogen, dwingende bewijskracht tussen partijen heeft, draagt niet voor niets dit opschrift, gebruikt de woorden “ter leen”, terwijl bovendien uit de door Medifarm overgelegde kopieën van bankafschriften blijkt dat het om leningen ging, waarop ook door [naam gedaagde] en [naam] is afgelost, iets wat niet rijmt met een schenking.

5.11

[naam gedaagde] heeft ter betwisting van de hoogte van de vordering aangevoerd dat het mogelijk is dat niet alle aflossingen zijn verwerkt. Dat verweer faalt omdat het louter speculatief is. [naam gedaagde] wist dat hij hoofdelijk was verbonden en had ook zelf de door hem en [naam] gedane aflossingen kunnen bijhouden. Dat hij dat kennelijk niet heeft gedaan is voor zijn risico. Wat de hoogte van de vordering betreft heeft [naam gedaagde] ter comparitie voorts verklaard dat als komt vast te staan dat het bedrag van € 5.500,-- dat Medifarm noemt is betaald, zijn becijferingen en die van Medifarm niet veel van elkaar afwijken. Dat de bewuste bedragen zijn betaald heeft hij inmiddels erkend.

Nu cijfermatige exactheid in deze - de rechtbank kan het niet anders zien - verre van overzichtelijke gang van zaken bij de geldlening een illusie is gaat de rechtbank uit van de juistheid van het door Medifarm opgegeven en door [naam gedaagde] onvoldoende betwiste restantbedrag van de lening van € 11.834,00. Dat bedrag is toewijsbaar, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 6% vanaf de - onweersproken - ingangsdatum 7 juli 2017.

5.12

Voor wat betreft de door [naam gedaagde] bepleite doorbreking van de hoofdelijkheid verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 5.4 tot en met 5.6 is overwogen.

buitengerechtelijke kosten en slotoverwegingen

5.13

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt niet voor toewijzing in aanmerking nu het toepasselijke wettelijke tarief niet in de aanmaning is vermeld.

5.14

De noodzaak voor het instellen van een vordering tot vanwaardeverklaring van een beslag is sinds de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek vervallen.

Ingevolge artikel 704 lid 1 Rv gaat, zodra de beslaglegger in de hoofdzaak een executoriale titel heeft verkregen en deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, het conservatoir beslag over in een executoriaal beslag, mits de verkregen titel aan de beslagene en, zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze is betekend.

De vordering wordt op dit punt afgewezen.

5.15

Tegen uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring is geen verweer gevoerd. De vordering wordt op dit punt toegewezen.

5.16

[naam gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten, inclusief die van het beslag, dragen.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [naam gedaagde] aan VL Didact te betalen een bedrag van € 29.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 juli 2017 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [naam gedaagde] aan Medifarm te betalen een bedrag van € 11.834,--, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 6% over dat bedrag vanaf 7 juli 2017 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VL Didact en Medifarm tesamen begroot op

- € 82,57 aan dagvaardingskosten,

- € 1.324,-- aan griffierecht,

- € 1.275,39 aan beslagkosten (1 punt à € 1.074, tarief IV) en € 201,39 aan explootkosten),

- € 2.685,-- aan salaris voor de advocaat (2,5 punten à € 1.074,--, tarief IV);

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2019.

26232