Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7097

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
580853 / HA RK 19-996
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Taak van de rechter op een comparitie. Uitspreken van een voorlopig voordeel. Gebruik van het woord ‘essentieel’ in de zin ‘voor toewijzing van de vordering essentieel is dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen, die voor partijen uitvoerbaar is’. Vast staat en voor verzoekster moet duidelijk zijn geweest dat die woorden door de rechter werden geuit in het kader van het geven van een voorlopig oordeel. Voor partijen was er gelegenheid op het voorlopig oordeel te reageren – zoals de advocaat van verzoekster ook heeft gedaan – en niet is gesteld of gebleken dat de rechter daarvoor niet meer open zou staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 580853 / HA RK 19-996

Beslissing van 3 september 2019

op het verzoek van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. J.C. Debije te Rotterdam,

strekkende tot wraking van:

mr. drs. J. van den Bos, rechter in de rechtbank Rotterdam, team handel en haven (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 26 augustus 2019 heeft ten overstaan van de rechter de comparitie van partijen plaats gevonden in de civielrechtelijke procedure van [naam eiseres] B.V. als eiseres tegen verzoekster als gedaagde. Die procedure draagt als kenmerk C/10/565798 / HA ZA 19-43.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de advocaat van verzoekster wraking van de rechter verzocht.

Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde comparitie van partijen.

Verzoekster en haar advocaat, alsmede de rechter zijn uitgenodigd voor de zitting waarop het wrakingsverzoek is behandeld.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 27 augustus 2019.

Ter zitting van 29 augustus 2019, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen de advocaat van verzoekster en de rechter. Zij hebben ieder – de advocaat van verzoekster mede aan de hand van pleitnotities – hun standpunten nader toegelicht.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Verzoekster heeft als bemiddelaar een bemiddelingsovereenkomst gesloten met wederpartij, [naam eiseres] . Onderwerp: bemiddeling om te komen tot verkoop van zalencentrum [naam] te [plaats] (onroerend goed plus onderneming) voor minimaal zes miljoen euro. Ten aanzien van het honorarium werd afgesproken: 10% van de verkoopsom in geval van een ‘succesvolle transactie’ (gedefinieerd als: ‘getekende koopovereenkomst èn notarieel transport/levering’).

2.1.2

Door verzoekster werd een potentiële koper gevonden voor 6,1 miljoen euro. Er volgde een zeer lang (meer dan twee jaar) bemiddelingsstraject, door onderhandeling, maar ook door allerlei andere opkomende omstandigheden. Op een gegeven moment was er volgens verzoekster wèl overeenstemming tussen [naam eiseres] en de koper over de essentialia van de koop en enige tijd later zelfs over de randvoorwaarden (middels een door [naam eiseres] getekende koopovereenkomst), maar partijen verschillen daarover van mening. In elk geval:

er was nog geen levering.

2.1.3

Uiteindelijk krabbelt [naam eiseres] in het zicht van de finish echter terug, en zet zij de onderhandeling stop door een eigen (van de eerder getekende versie ook op wezenlijke, eerder al uitonderhandelde punten afwijkende) versie van de koopovereenkomst voor te leggen met een ultimatum: als de koper die niet tekent, is het einde onderhandeling èn opzegging bemiddelingsovereenkomst. [naam eiseres] heeft in die consequentie vervolgens ook volhard.

2.1.4

Uitgaande van de gedachte dat er geen ‘succesvolle transactie’ in de zin van bemiddelings-overeenkomst is, is er dus geen aanspraak op honorarium rechtstreeks uit de bemiddelings-overeenkomst. Echter, een zeer wezenlijk standpunt van verzoekster in de procedure is (onder meer): ook al is er geen aanspraak op honorarium rechtstreeks vanuit de bemiddelingsovereenkomst, die aanspraak is er tòch ingevolge artikel 7:624 lid 2 BW en/of artikel 7:411 BW wegens het feit dat het aan [naam eiseres] toe te rekenen is dat de bemiddeling uiteindelijk, in het zicht van de finish, niet kon worden afgerond, dan wel op schadevergoeding ingevolge artikel 6:74 BW ter hoogte van het gederfde honorarium wegens het feit dat [naam eiseres] wanprestatie jegens verzoekster pleegde door haar in het zicht van de finish de gelegenheid te ontnemen om de bemiddeling succesvol af te ronden.

2.1.5

Ter zitting van 26 augustus 2019 is de advocaat van verzoekster in zijn pleidooi en tijdens de behandeling uitvoerig ingegaan op vorenstaand standpunt (zoals ook reeds uitgebreid was gedaan in de conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie). De rechter houdt na de inhoudelijke behandeling uiteindelijk een lange inleiding om partijen de gang op te sturen, met daarbij allerhande kanttekeningen. Daarbij zijn diverse onderwerpen van geschil de revue gepasseerd. Bij het meeste daarvan hebben verzoekster en haar advocaat de indruk gehad dat de rechter nog lang niet zover was dat hij verzoekster gelijk gaat geven. Op zich is dat prima; dat behoort tot de vrijheid van de comparitierechter.

2.1.6

Echter, verderop in de inleiding richting het overleg tussen partijen op de gang stelde de rechter klip en klaar dat:

“voor toewijzing van de vordering essentieel is dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen, die voor partijen uitvoerbaar is.”

gevolgd door:

“Onmiskenbaar waren partijen ver in de onderhandeling, erg ver misschien wel, maar of er al een koopovereenkomst tot stand is gekomen staat wat mij betreft nog niet vast.”

2.1.7


De laatste zin ook prima: ook dat is de vrijheid van de rechter. Hij uit een gedachte over de te nemen beslissing. Maar voor de eerste zin geldt dat niet. Dat is geen voorlopige gedachte, maar kan niet anders worden gezien dan als een dermate onvoorwaardelijk oordeel, dat daar zelfs meer dan (de schijn van) vooringenomenheid en zelfs vastbeslotenheid uit blijkt: de rechter geeft er daarmee blijk van op dat punt reeds zijn beslissing klaar te hebben, alsook dat die ten nadele van verzoekster uitvalt. Daarbij telt zwaar dat dit nota bene de kern van de discussie tussen partijen en van het nog te beoordelen geschil raakt. Het is immers juist binnen het breed uitgedragen standpunt van verzoekster voor toewijzing van haar vordering niet essentieel of er wel of niet een koopovereenkomst tot stand is gekomen.

2.1.8

De advocaat van verzoekster is daar toen ook direct op ‘aangeslagen’ en heeft, tegen de mores in, de rechter in zijn betoog in de rede gevallen. De rechter gaf vervolgens aan dat hij bij aanvang van zijn betoog had aangegeven dat hij gedachten, voorlopige visies, op de zaak zou meegeven. Dat kon verzoekster niet overtuigen: de onvoorwaardelijkheid van de woorden “essentieel is of er een koopovereenkomst tot stand is gekomen”, is onverenigbaar met het idee van een gedachte, een voorshands oordeel of een voorlopige overweging. De door de advocaat van verzoekster aangedragen uitgebreide argumentatie hiervoor in de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie, maar ook tijdens de comparitie, waarover de rechtbank nog zal hebben te beslissen, werd daarmee de pas afgesneden. Het leek wel of die argumentatie door de rechter niet was gehoord.

2.1.9

Verzoekster kreeg door deze gang van zaken aanstonds de stellige indruk dat de rechter ‘op de hand van [naam eiseres] ’ was. De rechter had de onderhandelingspositie voor verzoekster voor de schikkingspoging enorm ondermijnd, door duidelijk te maken dat verzoekster geen aanspraak heeft op honorarium in geval er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen, zeker ook in de context van de rest van het inleidende betoog voor het gangoverleg, waarin vrijwel alle overwegingen van de rechter in de trant dat “voor mij nog niet duidelijk is of het wel zo is dat” in het nadeel van verzoekster uitvielen. Ook dat verzoekster door de rechter werd aangekeken op boekhoud- en fiscale verplichtingen, met de suggestie daarachter, vond verzoekster niet fair.

2.1.10

De rechter heeft in zijn inleiding naar het gangoverleg een te vergaand oordeel gegeven over hetgeen waarover de rechter nog zal moeten beslissen en de rechter heeft blijk gegeven van welke richting dat oordeel uit zal gaan. De uitlating van de rechter, in dit stadium van de zaak, levert een zwaarwegende aanwijzing op dat de bij verzoekster ontstane vrees dat de rechter vooringenomen is, objectief gerechtvaardigd is.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.2.1

De rechter wordt verweten in twee uitspraken te stellig te zijn geweest bij het formuleren van een voorlopig oordeel. Het kan volgens de rechter goed zijn dat hij het woord ‘essentieel’ heeft gebruikt en hij zal ook hebben gewezen op het belang van de uitleg van de overeenkomst.

2.2.2

Bij het geven van het voorlopig oordeel, of – zoals de rechter dat in de praktijk vaak aanduidt – het delen van zijn - voorlopige - gedachten met partijen, met het oog op het beproeven van een schikking heeft de rechter zowel in de inleiding van dit voorlopig oordeel, als op het moment dat de advocaat van verzoekster hem erop aansprak, erop gewezen dat dit voorlopige gedachten zijn die de rechter deelt met het oog op een schikking. Die gedachten binden de rechter niet bij het wijzen van een vonnis en het zijn nog geen beslissingen. De uitspraken maken deel uit van een groter geheel, waarin de rechter onder andere bewoordingen heeft gebruikt in de trant: “op dat punt zie ik problemen”, “van ... ben ik nog niet overtuigd” en “of op punt ... aan de stelplicht is voldaan, moet nog worden bezien.” Het geheel kan geen andere indruk hebben gewekt, dan dat de rechter nog geen definitieve oordelen velde, wat hij ook niet heeft gedaan.

2.2.3

Partijen kunnen ter zitting op dat voorlopig oordeel reageren en zo is het ook bedoeld. De advocaat van verzoekster heeft dat ook gedaan en dat heeft de rechter zeker niet als vervelend ervaren. De rechter kan ter zitting ook als een sfinx gaan zitten, maar daar hebben partijen niets aan; ze hebben meer aan een rechter die open is over zijn gedachten, dan aan iemand die zwijgt.

2.2.4

De rechter wijst op een bestendige lijn in de jurisprudentie van deze en andere wrakingskamers, waarin telkenmale wordt geoordeeld dat de comparitierechter (onder andere) tot taak heeft een voorlopig oordeel te formuleren in het licht van schikkings-onderhandelingen en daarin een grote vrijheid heeft. Ook het mogelijk onjuist zijn van dat voorlopig oordeel, is geen reden voor wraking.

2.2.5

De rechter heeft ter zitting geen definitieve oordelen gegeven. Hij heeft ook niet de indruk gewekt dat te doen. De bewoordingen van de rechter kunnen niet los worden beoordeeld van de inleiding die hij daarbij heeft gegeven, de reactie op de onderbreking door de advocaat van verzoekster of de andere uitspraken die deel uitmaakten van het voorlopig oordeel.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is. Dit is door verzoekster ook niet aangevoerd als grond voor het wrakingsverzoek.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.5

Het behoort tot de taak van de rechter om naar aanleiding van de stellingen van de partijen nader onderzoek te doen en zo nodig kritische vragen te stellen. Een comparitie van partijen heeft tot doel het verkrijgen van inlichtingen en het beproeven van een schikking. De rechter kan zich hierbij actief opstellen. Ter comparitie kan een rechter een voorlopig oordeel geven, doch hiermee staat nog niet vast wat het definitieve oordeel zal zijn. Dit (definitieve) oordeel wordt pas in het vonnis gegeven. Pas in dit vonnis zullen alle argumenten van partijen uitvoerig gewogen en beoordeeld worden en bij het wijzen van dit is de rechter op geen enkele wijze gebonden aan wat hij eerder, bij gelegenheid van de comparitie van partijen, als voorlopig oordeel heeft geuit.

3.6

In dit licht bezien, geeft hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht geen aanleiding om aan te nemen dat er zich omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koesterde, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees, objectief gerechtvaardigd was. Weliswaar is discussie mogelijk over de vraag of het gebruik door de rechter van het woord ‘essentieel’ in de zin “voor toewijzing van de vordering essentieel is dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen, die voor partijen uitvoerbaar is” een goede woordkeus betrof, doch in ieder geval staat vast en moet ook voor verzoekster duidelijk zijn geweest dat die woorden door de rechter werden geuit in het kader van het geven van een voorlopig oordeel als hiervoor in rechtsoverweging 3.5 omschreven. Door de rechter is dat ter comparitie ook meermalen gezegd. Voor de procespartijen was er gelegenheid – zoals de advocaat van verzoekster ook heeft gedaan – op het voorlopig oordeel te reageren en niet is gesteld of gebleken dat de rechter voor een (voortzetting van een) dergelijke reactie na de schorsing van de zitting ten behoeve van schikkings-onderhandelingen niet meer open zou staan. De rechter heeft ter zitting immers verklaard dat hij open stond voor opmerkingen over zijn voorlopig oordeel en de uitkomst van de procedure open lag.

3.7

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. drs. J. van den Bos.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. I.K. Rapmund en

mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2019 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- mr. J.C. Debije

- mr. drs. J. van den Bos

- mr. V. Kortenbach