Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7055

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
10/660315-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag: schietpartij op straat in woonwijk op zondagmiddag. Kans op dodelijke slachtoffers, waaronder willekeurige buurtbewoners. Rechtbank legt 8 jaar gevangenisstraf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660315-18

Datum uitspraak: 28 augustus 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 augustus 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzittingen van 3 oktober 2018, 20 december 2018 en 14 augustus 2019 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde (telkens poging tot doodslag meermalen gepleegd);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak pogingen tot moord zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde voorbedachte raad ten aanzien van het schieten niet wettig en overtuigend zijn bewezen, zodat de verdachte van de pogingen tot moord zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. De rechtbank zal hierna de overige strafbare feiten op de dagvaarding gaan bespreken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde pogingen tot doodslag dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte ontkent dat hij de schutter was en dat het iemand anders moet zijn geweest die op 24 juni 2018 aan [adres ] in Capelle aan den IJssel op [naam aangever] heeft geschoten.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte wel de schutter was, zijn de volgende verweren gevoerd.

( a) De poging tot doodslag op [naam aangever] kan bovendien niet bewezen worden verklaard omdat er niet gericht is geschoten, althans had de schutter kennelijk geen controle over het wapen.

( b) Er is geen bewijs dat er een dochter of een minderjarig kind in de nabijheid van [naam aangever] stond op het moment dat er op hem werd geschoten. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan niet bewezen worden verklaard.

( c) De schutter had geen opzet, ook niet het voorwaardelijk opzet, om [naam 1] (bewoner van [adres 1] ) te raken. Er zijn onvoldoende omstandigheden aangedragen dat de schutter rekening had moet houden met het feit dat er iemand in de woning aanwezig was, laat staan met de omstandigheid dat [naam 1] in de schotbaan zat.

4.2.2.

Beoordeling

Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen staat acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat op zondag 24 juni 2018, omstreeks 17.30 uur, een schietincident heeft plaatsgevonden aan [adres ] in Capelle aan den IJssel waarbij gericht op de heer [naam aangever] is geschoten. [naam aangever] stond op dat moment op de galerij van de tweede verdieping voor zijn woning, gelegen aan [adres 2] .

Uit het sporenonderzoek blijkt dat er met een vuurwapen in totaal vier maal is geschoten. Daarbij ging er ook een kogel door een ruit van de woning aan [adres 1] en een kogel door een ruit van de woning van [adres 3] .

Bij de verdere beoordeling van deze strafzaak staan de volgende vragen centraal:

  1. Wie heeft er geschoten?

  2. Was ten tijde van de schoten het minderjarige kind van [naam aangever] aanwezig nabij haar vader?

  3. Welke strafrechtelijke consequenties worden er verbonden aan de schoten die zijn beland in de woningen [adres 3] en [adres 1] ?

1.

Aangever [naam aangever] en getuige [naam getuige] hebben beiden verklaard dat zij hebben gezien dat de hen bekende [naam verdachte] heeft geschoten. [naam getuige] heeft de verdachte ook herkend op een politiefoto.

De rechtbank heeft op basis van deze verklaringen en de overige bewijsmiddelen in het dossier geen enkele reden om te twijfelen aan hun verklaringen en acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de schutter is.

2.

Aangever [naam aangever] en getuige [naam getuige] hebben verklaard dat de verdachte na een korte woordenwisseling zijn vuurwapen pakte, dit op [naam aangever] richtte en meteen daarna meermalen heeft geschoten. Eén van de kogels is op ongeveer een meter van de plek waar de verdachte stond op hoofdhoogte ingeslagen.

Anders dan door de raadsman is betoogd acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het drie jaar oude dochtertje van [naam aangever] naast hem stond toen er op [naam aangever] werd geschoten, dit op basis van de getuigenverklaring van [naam aangever] en het feit dat zij ook staat ingeschreven bij hem op het adres [adres 2] .

De hiervoor onder (a) en (b) gevoerde verweren worden verworpen.

Dit gericht schieten door de verdachte op [naam aangever] en zijn dochter kan, afgemeten naar de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte, niet anders worden gekwalificeerd dan dat het handelen van verdachte was gericht op het opzettelijk toebrengen van dodelijk letsel aan die [naam aangever] . Daarbij had verdachte ook de jonge dochter van [naam aangever] kunnen raken, aangezien zij zich in de onmiddellijke nabijheid van haar vader bevond. De onder 1 primair ten laste gelegde pogingen tot doodslag worden bewezen verklaard.

3.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er een schot is afgevuurd dat door de ruit van de keuken van de woning van [naam 1] op [adres 1] is gegaan. Achter de keuken bevindt zich de woonkamer van deze woning. De politie heeft in de woning sporenonderzoek verricht waaruit, naast de schotbeschadiging in de ruit van de keuken, bleek van een ricochetbeschadiging op het plafond en een schotbeschadiging in de muur van de woonkamer. [naam 1] heeft verklaard dat hij op de bank in de woonkamer zat en dat de kogel op ongeveer een halve meter afstand langs hem ging.

Tevens is er een schot afgevuurd dat door de ruit van de woning van [naam 2] op [adres 3] is gegaan. Achter de ruit bevindt zich de slaapkamer van [naam 2] . Uit het sporenonderzoek in die woning blijkt dat de kogel horizontaal vlak over het bed van [naam 2] is gegaan. [naam 2] heeft verklaard dat zij op dat tijdstip op haar bed zat en dat de kogel haar op ongeveer 50 centimeter afstand had gemist.

De vraag is of de verdachte opzet had op de dood van [naam 1] en [naam 2] .

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van de bewoners van de desbetreffende woningen – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden als gevolg van zijn handelen.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die, beoordeeld naar algemene ervaringsregels, aanmerkelijk is te achten.

De verdachte heeft op klaarlichte dag, een zondagmiddag rond etenstijd, in de richting van een medemens geschoten maar daarbij is twee keer een kogel in andere woning terecht gekomen. Gelet op het tijdstip was het te verwachten dat zich op dat moment in die andere woningen een of meer personen aanwezig waren. Het kan niet anders dan dat de verdachte zich ten tijde van het schieten van deze omstandigheid bewust moet zijn geweest. Evenzeer geldt dat hij door dit handelen de aanmerkelijke kans in het leven riep dat door het doorschieten van een ruit van die woning rechtstreeks ( [naam 2] ) en/of na een ricochet ( [naam 1] ) een of meer andere mensen dan zijn aanvankelijke “doelwit” door die kogel(s) had(den) kunnen worden geraakt en dat daardoor aan die andere persoon/personen dodelijk letsel had kunnen worden toegebracht.

De rechtbank overweegt verder dat beide kogelinslagen van dien aard en impact waren dat de kogels, wanneer zij nét een andere hoek hadden gehad, op het moment dat zij [naam 2] en [naam 1] misten nog voldoende kracht zouden hebben gehad om [naam 1] en [naam 2] dodelijk te treffen. De rechtbank leidt dit af uit de beschadigingen in de woningen en de omstandigheid dat een kogel die in staat is schade toe te brengen aan plafond en/of wand(en) van een woning ook dodelijk letsel aan het menselijke lichaam teweeg kan brengen.

Naar het oordeel van de rechtbank bestond er dan ook naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijk te achten kans dat zij door een of meer van deze kogels dodelijk konden worden getroffen. Dit blijkt al uit de omstandigheid dat zij beiden bijna zijn geraakt. Dat [naam 1] en [naam 2] niet zijn geraakt door een van de kogels is slechts een toevallige en gelukkige omstandigheid.

Op grond van het bovenstaande wordt het verweer van de raadsman onder (c) verworpen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [naam 1] en [naam 2] .

4.2.3.

Conclusie

Bewezen zijn de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde vier pogingen tot doodslag.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 24 juni 2018 te Capelle aan den IJssel

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 1] en diens minderjarig kind van het leven te beroven, met dat opzet, met een geladen vuurwapen naar de woning van die [naam slachtoffer 1] is gegaan en die [naam slachtoffer 1] heeft aangesproken en vervolgens meermalen met een vuurwapen heeft geschoten op die [naam slachtoffer 1] en diens minderjarig kind, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op 24 juni 2018 te Capelle aan den IJssel

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet met een doorgeladen vuurwapen naar de woningen gelegen aan [adres ] is gegaan en vervolgens meermalen met een vuurwapen heeft geschoten op de in voornoemde woningen aanwezige [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. primair poging tot doodslag, meermalen gepleegd

2. poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in een woonwijk vanaf de straat geschoten op aangever [naam aangever] die op dat moment samen met zijn drie jaar oude dochtertje op de tweede etage op de galerij van zijn appartementencomplex stond. Daarbij zijn ook twee kogels door de ruiten van twee andere woningen gegaan en daarbij zijn twee willekeurige omwonenden op een halve meter na gemist door een kogel die door verdachte was afgevuurd.

Dat niemand gewond is geraakt is niet aan het handelen van de verdachte te danken. Er hadden meerdere doden kunnen vallen, onder wie een klein kind.

Uit het dossier blijkt dat het schieten door verdachte een diepe impact heeft op het leven van de slachtoffers. Zij zijn zeer angstig geworden en voelen zich niet meer veilig in hun eigen huis. Eén slachtoffer is om die reden zelfs verhuisd.

Daarnaast zijn ook omstanders op straat met het schietincident geconfronteerd. Het was zondagmiddag, mooi weer en er waren veel mensen buiten, onder wie kinderen die buiten speelden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke zeer gewelddadige feiten, zeker wanneer die zich op straat in het openbaar afspelen, leiden tot grote maatschappelijke onrust en diepgaande gevoelens van angst en onveiligheid bij omwonenden en de samenleving in het algemeen.

De verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde 24 jaar oud. Uit de justitiële documentatie van 17 juli 2019 blijkt dat hij eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten.

In het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 17 oktober 2018 wordt gerelateerd dat de verdachte niet wil meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en niet open staat voor reclasseringscontact, hoewel dat wel noodzakelijk wordt geacht.

Door de raadsman is er op gewezen dat hij een vriendin en drie kinderen heeft.

De rechtbank heeft begrip voor de persoonlijke omstandigheden, maar deze zullen – gelet op de ernst van de feiten – niet verminderend doorwerken in de strafmaat.

Ook wordt meegewogen dat het slachtoffer geen aanleiding heeft gegeven voor dit incident, dat de verdachte de confrontatie heeft opgezocht en dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] , wonende te Capelle aan den IJssel, ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 400,= aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

Toewijzing van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman en de verdachte hebben zich niet uitgelaten over de vordering.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en is door de verdachte niet weersproken. De vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 24 juni 2018.

Omdat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, maar ook in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 400,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , wonende te Schiedam, te betalen een bedrag van € 400,- (zegge: vierhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 400,- (hoofdsom, zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 400,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.M. de Winkel, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en W.H.S. Duinkerke, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2018 te Capelle aan den IJssel

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] en diens minderjarig kind van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met een doorgeladen vuurwapen naar de woning van die [naam slachtoffer 1] is gegaan en/of

die [naam slachtoffer 1] heeft aangesproken en/of vervolgens meermalen met een vuurwapen

heeft geschoten op/in de richting van die [naam slachtoffer 1] en/of diens minderjarig kind,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 24 juni 2018 te Capelle aan den IJssel

[naam slachtoffer 1] en/of diens minderjarige kind heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door met een doorgeladen vuurwapen meermalen te schieten in de

aanwezigheid en/of nabijheid van die [naam slachtoffer 1] en/of diens minderjarige kind;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 24 juni 2018 te Capelle aan den IJssel

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een doorgeladen vuurwapen naar de woning(en) gelegen aan [adres ] is gegaan en/of vervolgens meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen heeft geschoten op de in voornoemde woning(en) aanwezige [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 24 juni 2018 te Capelle aan den IJssel

[naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door met een doorgeladen vuurwapen meermalen, althans eenmaal, te schieten op de woning(en) van die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] in aanwezigheid van die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of terwijl die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] zich in diens woning(en) bevond(en).

Artikel 285 Wetboek van Strafrecht