Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6969

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-08-2019
Datum publicatie
30-08-2019
Zaaknummer
ROT 19/2201
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gokactiviteiten niet gemeld. Klare taal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/2201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J.J.E. Stout,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. V.E. van Dijk.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de periode van 1 april 2017 tot en met
30 april 2018 en € 9.168,57 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 25 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft vanaf 1 december 2008 een bijstandsuitkering van verweerder ontvangen. Verweerder heeft op bankafschriften van eiser gezien dat eiser heeft gegokt. Eiser heeft gezegd dat dat klopt. Verweerder heeft ook gezien dat stortingen op de bankrekening van eiser zijn gedaan.

2. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet zelf aan verweerder heeft verteld dat hij gokt en dat hij daarom zijn inlichtingenplicht, die hij heeft omdat hij een bijstandsuitkering ontvangt, niet is nagekomen. Verweerder heeft een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), de hoogste rechter in dit soort zaken, genoemd en gesteld dat als een persoon gokt, er dan vanuit mag worden gegaan dat die persoon daaruit inkomsten heeft. Verweerder heeft verder gesteld dat winst in het casino contant wordt uitbetaald. Eiser heeft geen administratie bijgehouden waaruit blijkt dat de inkomsten zo laag zijn dat eiser recht heeft op (gedeeltelijke) bijstand. Eiser heeft gesteld dat hij pinbetalingen bij de supermarkt heeft gedaan, zodat, anders dan het geval was in een uitspraak van de Raad, niet kan worden gezegd dat geen afschrijvingen te zien zijn voor boodschappen en dus inkomsten uit gokken moeten zijn ontvangen. Maar verweerder heeft berekend dat de pinbetalingen voor de boodschappen een bedrag van € 9,31 per maand zijn, waaruit juist blijkt dat eiser bijna geen afschrijvingen voor boodschappen had.

3. Eiser heeft gewezen op uitspraken van de Raad van 24 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:538 en van 24 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3677, en gesteld dat het niet zo is dat hij zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen, omdat hij met het gokken geen bedragen heeft gewonnen.

3.1

De rechtbank vindt dit onjuist. De Raad heeft namelijk in nieuwere uitspraken dan die waar eiser naar verwees, bijvoorbeeld een uitspraak van 4 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4203, geoordeeld dat gokken een activiteit is die je altijd moet melden, omdat er inkomsten mee kunnen worden verdiend. Eiser moet dan ook iedere keer dat hij gokt dit aan verweerder melden, zodat verweerder kan onderzoeken of eiser inkomsten heeft verdiend en zo ja, hoeveel inkomsten. Dat het in de door eiser genoemde uitspraken alleen om “gewonnen bedragen” ging, maakt dus niet uit.

4. Eiser heeft gesteld dat zijn recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al zou de rechtbank vinden dat eiser zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen.

4.1

Ook dat vindt de rechtbank onjuist. De Raad heeft, bijvoorbeeld in een uitspraak van 1 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4770, geoordeeld dat de persoon die de inlichtingenplicht niet is nagekomen “concrete en verifieerbare gegevens” moet laten zien, waarmee die persoon aantoont of geloofwaardig maakt dat als hij wel aan zijn inlichtingenplicht had voldaan, hij wel gedeeltelijk recht heeft op bijstand. Eiser heeft geen administratie of andere gegevens getoond waarmee hij dit geloofwaardig maakt. Het bedrag dat op bankafschriften te zien is waarmee eiser boodschappen vanaf zijn bankrekening betaalt, is zo laag dat hiermee niet geloofwaardig is dat eiser geen inkomsten uit gokken had. Dat eiser regelmatig in het casino was voor het gratis eten en drinken, dat zijn banksaldo in de periode in geding gelijk is gebleven en dat hij zuinig leeft, kan zo zijn, maar dat is onvoldoende om geloofwaardig te maken dat hij gedeeltelijk recht heeft op bijstand.

5. Eiser heeft ter zitting verteld dat hij verslaafd is aan gokken. Zoals ook op de zitting aan eiser verteld is, is het aan eiser zelf om hier hulp voor te zoeken, door bijvoorbeeld een doorverwijzing aan zijn huisarts te vragen, om mogelijke toekomstige problemen te voorkomen. Ook kan het, zoals ook op de zitting aan eiser is verteld, ter voorkoming van nieuwe schulden verstandig zijn dat eiser zich onder beschermingsbewind laat stellen.

6. Ter zitting heeft eiser gezegd dat hij het oneerlijk vindt dat hij geen UWV-uitkering krijgt, terwijl andere mensen met de ziekte van Crohn die wel krijgen. Hij wil dat verweerder een medisch onderzoek laat doen, zodat blijkt dat hij te ziek is om te werken en hij toch nog een uitkering van UWV krijgt. De rechtbank geeft eiser mee dat verweerder beslist over bijstandszaken en er niet voor kan zorgen dat eiser alsnog een uitkering van het UWV krijgt. Het is ook niet de schuld van verweerder dat eiser geen UWV-uitkering krijgt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op
30 augustus 2019.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.