Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6964

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2019
Datum publicatie
30-08-2019
Zaaknummer
C/10/572099 / HA ZA 19-352
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident ex artikel 224 Rv (zekerheidstelling voor proceskosten). Eiseres in de hoofdzaak (een onderneming) heeft woonplaats in Iran.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/572099 / HA ZA 19-352

Vonnis in incident van 14 augustus 2019

in de zaak van

de rechtspersoon naar Iraans recht

PAYESH GOSTARAN PISHRO LTD.,

gevestigd te Teheran (Iran),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. F. Havers te Deventer,

tegen

1. de commanditaire vennootschap

[naam bedrijf] ,

gevestigd te [vestigingsplaats bedrijf] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P & L PIPE SURVEY B.V.,

gevestigd te Hellevoetsluis,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. W.M. van Agt te Amsterdam.

Partijen zullen hierna PGP en PS c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de (niet aangebrachte) dagvaarding van 27 februari 2019 en de akte overlegging producties van PGP;

  • -

    de exploten van 5 en 9 april 2019, waarbij PS c.s. PGP op de voet van artikel 127 Rv hebben opgeroepen om in de procedure te verschijnen;

  • -

    de incidentele conclusie ex artikel 224 Rv van PS c.s.;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 224 Rv, met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in het incident

2.1.

PS c.s. hebben in dit incident ex artikel 224 Rv gevorderd:

  1. PGP te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van € 20.040,02, door middel van storting van dit bedrag op de derdengeldenrekening van de advocaat van PS c.s., althans op de kwaliteitsrekening van een door PS c.s. aan te wijzen notaris, althans door middel van het stellen van een onherroepelijke bankgarantie door een Nederlandse bank conform het laatste model van de Nederlandse Vereniging van Banken, binnen twee weken na het in dit incident te wijzen vonnis;

  2. PGP te veroordelen tot betaling van de kosten voor het opstellen van de depotakte en bijkomende kosten voor bewaring van de gelden, thans te begroten op € 1.500,00 exclusief btw;

  3. de procedure aan te houden tot het wijzen van vonnis in het incident en daarna een termijn te bepalen voor het indienen van een conclusie van antwoord door PS c.s.;

  4. PGP te veroordelen in de kosten van dit incident, de nakosten daaronder begrepen.

2.2.

Kort gezegd hebben PS c.s. daartoe gesteld dat PGP is gevestigd in Iran en daar haar centrum van sociale en economische activiteiten heeft, dat de uitzonderingen als bedoeld in artikel 224 lid 2 aanhef en onder a tot en met d Rv niet van toepassing zijn en dat PGP daarom zekerheid dient te stellen voor de proceskosten overeenkomstig artikel 224 Rv.

2.3.

PGP heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de gevorderde zekerheidstelling en geconcludeerd tot afwijzing, dan wel matiging daarvan, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van PS c.s. in de kosten van het incident, de nakosten daaronder begrepen.

2.4.

Daartoe heeft PGP - kort gezegd - aangevoerd dat de uitzonderingen als bedoeld in artikel 224 aanhef en onder c en d Rv van toepassing zijn en dat de incidentele vordering in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Ook heeft PGP de hoogte van het gevorderde bedrag betwist.

2.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

De incidentele vordering is tijdig en vóór alle weren ingesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv dient degene die zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden. Dit is slechts anders indien een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat PGP gevestigd is in Iran en geen vestigingsplaats heeft in Nederland. Dat betekent dat de vordering in beginsel kan worden toegewezen. Beoordeeld dient te worden of zich een van de hiervoor bedoelde uitzonderingssituaties voordoet.

3.3.

Iran is geen partij bij een verdrag of EG-Verordening als bedoeld in artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv waaruit voortvloeit dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat. Deze uitzonderingssituatie is dus niet van toepassing.

3.4.

Evenmin is er een verdrag, EG-Verordening of wet op grond waarvan een eventuele proceskostenveroordeling in Iran ten uitvoer zal kunnen worden gelegd (artikel 224 lid 2 aanhef en onder b Rv). Ook deze uitzonderingssituatie doet zich dus niet voor.

3.5.

De stelling van PGP dat sprake is van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 224 lid 2 aanhef en onder c Rv omdat PS c.s. reeds een (als voorschot betaald) bedrag van € 72.000,00 van PGP ten onrechte onder zich hebben en een veroordeling tot betaling van proceskosten daarom in Nederland kan worden verhaald op dit bedrag, snijdt geen hout. Of PS c.s. daadwerkelijk (ten onrechte) een voorschotbedrag van PGP onder zich hebben en dit bedrag, zoals PGP stelt, in ieder geval aan haar moet worden terugbetaald omdat PS c.s. niet hebben geleverd, is onder meer de inzet van de hoofdprocedure.

3.6.

De rechtbank volgt PGP ook niet in haar stelling dat door de verplichting tot het stellen van proceskostenzekerheid voor haar de effectieve toegang tot de Nederlandse rechter wordt belemmerd als bedoeld in artikel 224 lid 2 aanhef en onder d Rv. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat het voor PGP feitelijk onmogelijk is om een betaling te verrichten vanuit Iran naar Nederland. Het had op de weg van PGP gelegen om deze stelling nader te onderbouwen. Haar enkele stelling dat dit een feit van algemene bekendheid is, is daartoe onvoldoende. Het beroep op deze uitzonderingssituatie zal dan ook als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd.

3.7.

Conclusie van het voorgaande is dat zich in dit geval geen van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen voordoet en de incidentele vordering dus in beginsel toewijsbaar is. Beoordeeld dient nog te worden of, zoals PGP betoogd heeft, de eisen van redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.

3.8.

De stelling van PGP dat in dit geval PS c.s. moeten worden aangemerkt als de partijen die een vordering hebben ingesteld, omdat PGP de dagvaarding niet had aangebracht en PS c.s. dat op de voet van artikel 127 Rv alsnog hebben gedaan, kan niet slagen. Dat PS c.s. gebruik hebben gemaakt van hun wettelijke bevoegdheid de zaak op de rol te laten inschrijven, laat onverlet dat de vorderingen zijn ingesteld door PGP en zij daarom de partij is die ingevolge artikel 224 lid 1 Rv zekerheid dient te stellen.

3.9.

Ter onderbouwing van haar beroep op (de beperkende werking van) de redelijkheid en billijkheid heeft PGP voorts aangevoerd dat:

  1. PGP de dagvaarding op 27 februari 2019 enkel heeft betekend omdat zij daartoe gehouden was conform de beschikking van de voorzieningenrechter d.d. 18 december 2018 (waarin haar is toegestaan beslag te leggen ten laste van PS c.s.);

  2. PGP per e-mail van 4 maart 2019 - en dus tijdig - aan PS c.s. te kennen heeft gegeven dat zij de dagvaarding niet zal aanbrengen;

  3. PS c.s. hierdoor geen (proces)handelingen hebben hoeven te verrichten;

  4. PS c.s. nimmer om betaling van de proceskosten (van de tussen partijen in het kader van de beslaglegging gevoerde kort geding procedure) hebben verzocht en zelf afstand hebben gedaan van deze kosten;

  5. PS c.s. in strijd met de waarheid hebben aangegeven dat PGP de eerdere proceskosten niet heeft betaald;

  6. PS c.s. wisten dat PGP niet in Nederland is gevestigd, maar er desondanks voor hebben gekozen om de dagvaarding aan te brengen en

  7. PS c.s. het door PGP betaalde voorschotbedrag van € 72.000,00 onder zich hebben.

Indien en voor zover in rechte van de juistheid van deze omstandigheden zou moeten worden uitgegaan, kan dat naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie rechtvaardigen dat het stellen van zekerheid in dit geval in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank volgt PGP ook niet in haar standpunt dat de proceshandelingen van PS c.s. - enerzijds het aanbrengen van de dagvaarding op grond van artikel 127 Rv en anderzijds het vorderen van zekerheidstelling op grond van artikel 224 Rv - tegenstrijdig en onverklaarbaar zijn. Niet valt in te zien waarom het gebruik maken van deze wettelijke bevoegdheden door PS c.s. in de gegeven omstandigheden zou moeten worden aangemerkt als misbruik van procesrecht.

3.10.

De slotsom is dat de rechtbank PGP zal verplichten zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden. PS c.s. hebben het bedrag waarvoor zekerheid dient te worden gesteld berekend op € 20.040,02, uitgaande van een griffierecht van € 4.030,00, 6,5 punten van het bij de vordering van € 250.000,00 passende tarief VI van € 2.402,00 per punt, de kosten van de exploten van 5 en 9 april 2019 ad € 198,02 en nakosten ad € 199,00. Volgens PGP zou de door haar te stellen zekerheid maximaal € 7.845,00 dienen te bedragen, uitgaande van een griffierecht van € 639,00 en drie punten van het liquidatietarief van € 2.402,00 per punt.

3.11.

De rechtbank zal de hoogte van het bedrag waarvoor PGP zekerheid moet stellen als volgt bepalen.

  • -

    Griffierecht: uitgegaan wordt van het door PS c.s. betaalde griffierecht van € 4.030,00. PGP heeft betoogd dat, als PS c.s. de dagvaarding niet zouden hebben aangebracht, PGP een nieuwe dagvaarding met een andere vordering had kunnen uitbrengen, zodat een lager griffierecht verschuldigd zou zijn. De rechtbank ziet echter geen aanleiding rekening te houden met dat scenario. Datzelfde geldt voor een mogelijke toekomstige eiswijziging in de onderhavige procedure.

  • -

    Salaris: wat betreft het advocatensalaris is niet in geschil dat, gelet op de hoogte van de vordering in de hoofdzaak, het liquidatietarief VI (€ 2.402,00 per punt) van toepassing is. De rechtbank gaat vooralsnog uit van een regulier procesverloop, waarbij punten kunnen worden begroot voor een conclusie van antwoord, een (mogelijke) conclusie van eis in reconventie en een comparitie van partijen (in conventie en in reconventie). Ten aanzien van de voornoemde proceshandelingen is het voldoende aannemelijk dat deze in de onderhavige procedure zullen plaatsvinden. De rechtbank acht het voorbarig om rekening te houden met meer of andere proceshandelingen. Aldus zal de rechtbank uitgaan van drie punten à € 2.402,00, aldus € 7.206,00. Verder zal de rechtbank uitgaan van één punt voor de conclusie in het onderhavige incident (waarbij tarief II (€ 543,00) wordt toegepast).

  • -

    Explootkosten: voor de kostenvergoeding van de exploten van 5 en 9 april 2019 gaat de rechtbank uit van het in de exploten vermelde bedrag van (in totaal) € 198,02.

  • -

    Nakosten: voor de vergoeding van de nakosten gaat de rechtbank uit van het door PS c.s. begrote bedrag van € 199,00.

De rechtbank bepaalt het bedrag waarvoor zekerheid dient te worden gesteld derhalve op € 12.176,02. De rechtbank merkt op dat in het geval de proceskosten tot een hoger bedrag oplopen, PS c.s. de mogelijkheid hebben om een incidentele vordering tot verkrijging van aanvullende zekerheid in te stellen.

3.12.

Voor de wijze waarop zekerheidstelling op basis van artikel 224 Rv dient te geschieden, moet aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in artikel 6:51 BW. In ieder geval is van belang dat PS c.s. zonder moeite verhaal zullen kunnen nemen op de aangeboden zekerheid. Naar het oordeel van de rechtbank vormt in het onderhavige geval storting van voormeld bedrag op de derdengeldenrekening van de advocaat van PS c.s. of op de derdengeldenrekening van een Nederlandse notaris een afdoende zekerheidstelling. Indien PGP er de voorkeur aan geeft om een bankgarantie te stellen, kan ook op die wijze aan de verplichting tot zekerheidstelling worden voldaan. Het moet dan gaan om een bankgarantie van een Nederlandse bankinstelling volgens het Rotterdams garantieformulier in de meest recente versie, dan wel het model van de Nederlandse Vereniging van Banken in de meest recente versie.

3.13.

De rechtbank stelt de termijn waarbinnen zekerheid moet worden gesteld vast op acht weken na deze uitspraak.

3.14.

De gevorderde kosten voor het opstellen van de depotakte en bijkomende kosten voor bewaring van de gelden ad € 1.500,00 exclusief btw (zie hiervoor onder 2.1 sub b) zullen bij gebreke van een grondslag worden afgewezen. Dat voor het stellen van zekerheid kosten moeten worden gemaakt staat niet vast.

3.15.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

In de hoofdzaak

3.16.

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord door PS c.s. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

veroordeelt PGP, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, tot zekerheidstelling voor een bedrag van € 12.176,02 (zegge: twaalfduizend eenhonderdzesenzeventig euro en twee eurocent) ter zake van de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld kan worden, ten behoeve van PS c.s., uiterlijk op 9 oktober 2019 door middel van storting op de derdengeldenrekening van de advocaat van PS c.s. of op de derdengeldenrekening van een Nederlandse notaris, dan wel door middel van het stellen van een bankgarantie af te geven door een Nederlandse bank zoals weergegeven onder 3.12,

4.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.3.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak

4.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 oktober 2019 voor conclusie van antwoord,

4.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2019.

1977/1582