Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6929

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
29-08-2019
Zaaknummer
10/122462-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van de poging zware mishandeling. In het dossier bevindt zich geen medische informatie over de exacte diepte van de wond. Over het voorwerp waarmee is gestoken, is ook niets bekend. Het blijft bovendien onduidelijk met welke kracht de aangever is gestoken. Om die reden kan de rechtbank niet vaststellen of het steken met het voorwerp zwaar lichamelijk letsel had kunnen opleveren en zo ja, hoe groot de kans op dergelijk letsel is geweest. Wel een veroordeling voor mishandeling, met oplegging van twee maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/122462-19

Datum uitspraak: 21 augustus 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Irak) op [geboortedatum verdachte],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsman mr. J.A.W. Knoester, advocaat te Den Haag.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 augustus 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.A.S.E. Maandag heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging doodslag;

  • -

    bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde poging doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

Niet ter discussie staat dat de verdachte en de aangever, [naam aangever] (hierna: [naam aangever]), elkaar op 6 mei 2019 hebben ontmoet in Rotterdam. De vraag die voorligt is of, de kort daarop, bij [naam aangever] geconstateerde steekwond in zijn buik door toedoen van de verdachte is veroorzaakt. De verdachte heeft dit ontkend.

De rechtbank overweegt in dat verband het volgende. [naam aangever] heeft aangifte gedaan en verklaart dat hij door de verdachte in zijn zij is gestoken. Uit het proces-verbaal van verbalisant [naam agent] met daarbij gevoegd de stills van de camerabeelden volgt dat op de beelden is te zien dat de verdachte zijn rechterhand en rechterarm met snelheid in de richting van [naam aangever] beweegt. Vervolgens beweegt hij zijn rechterhand weer naar zijn lichaam, kennelijk met een voorwerp in zijn hand. Heel snel daarna rent [naam aangever] naar de in de directe omgeving aanwezige politieagenten, die constateren dat er in de linkerzij van [naam aangever] een steekwond zit, waar bloed uitkomt. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de steekwond bij [naam aangever] heeft veroorzaakt, met name gelet op de ‘verse’ wond die [naam aangever] direct na de ruzie met de verdachte aan de politieagenten laat zien. Enig alternatief scenario, bijvoorbeeld dat [naam aangever] de wond bij zichzelf zou hebben aangebracht, is niet aannemelijk geworden.

In het dossier bevindt zich geen medische informatie over de exacte diepte van de wond. Over het voorwerp waarmee is gestoken is ook niets bekend. Het blijft bovendien onduidelijk met welke kracht de verdachte [naam aangever] heeft gestoken. Om die reden kan de rechtbank niet vaststellen of het steken met het voorwerp zwaar lichamelijk letsel had kunnen opleveren en zo ja, hoe groot de kans op dergelijk letsel is geweest. Daarom acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [naam aangever]. Het steken met een voorwerp in de buik van de verdachte levert echter wel een mishandeling op.

Conclusie

De verdachte zal van het primair en het impliciet subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Het subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 6 mei 2019 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door met een voorwerp, in de zij/buik van die A[naam slachtoffer] te steken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

subsidiair:

mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling door een ander met een

voorwerp in de buik te steken. Daarmee heeft hij het slachtoffer pijn en letsel toegebracht,

waardoor medisch ingrijpen nodig is geweest. Door dit nare feit heeft de verdachte ervan

blijk gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Daarbij komt dat dit soort feiten die op de openbare weg plaatsvinden in zijn algemeenheid

gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaken.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 juli 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten in Nederland.

Conclusie

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Gelet op de vrijspraak van het primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van twee maanden passend en geboden.

6 Voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is al opgeheven bij afzonderlijke beslissing van 8 augustus 2019.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op het artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. T.M. Riemens en E.J. Huisman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 augustus 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 6 mei 2019 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig en/of hard voorwerp, in de zij/buik, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer] heeft

gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 mei 2019 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of puntig en/of hard voorwerp, in de zij/buik, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer] te snijden/steken.