Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6923

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-08-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
C/10/541879 / FA RK 17-10750
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning Pools en Nederlands recht, wettelijke gevolgen erkenning voor achternaam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/541879 / FA RK 17-10750

Beschikking van 5 september 2019 betreffende vervangende toestemming voor erkenning/de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[naam vader] ,

wonende te [woonplaats vader] , [adres vader] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.

In deze zaak is belanghebbende:

[naam moeder] ,

wonende op een bij de advocaat bekend adres,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.J.E. Stout te Rotterdam.

In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:

mr. C.W.F. Jansen, advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 21 februari 2018, waarbij mr. Jansen is

benoemd tot bijzondere curator over na te noemen minderjarige;

- het verslag van bevindingen van de bijzondere curator, gedateerd 17 april 2018;

- de brief met bijlagen van de zijde van de bijzondere curator, gedateerd 24 mei

2018;

- het proces-verbaal van de zitting van 30 augustus 2018;

- de brief van de man van 10 september 2018;

- de brief met bijlagen van de vrouw van 9 oktober 2018;

- de brief van de bijzondere curator van 29 oktober 2018;

- de brief van de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht

(hierna: de raad) van 5 december 2018;

- het rapport van de raad van 13 maart 2019;

- de brief van de bijzondere curator van 21 maart 2019;

- de brief van de vrouw van 2 april 2019;

- de brief van de man van 4 april 2019.

1.2.

De voortgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van

11 juli 2019.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw;

- de bijzondere curator;

- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, ter zitting

vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.

2.2.

Op [geboortedatum minderjarige] 2015 is te Rotterdam uit de vrouw geboren:

[naam minderjarige] , hierna te noemen de minderjarige.

2.3.

De minderjarige is na indiening van het verzoekschrift van de man erkend door [naam] (hierna: [naam] ) als gevolg waarvan de minderjarige de geslachtsnaam [naam] heeft verkregen.

2.4.

De man en de vrouw hebben naast de minderjarige nog drie minderjarige kinderen. De man heeft deze kinderen erkend.

2.5.

De vrouw heeft van rechtswege het gezag over de minderjarige.

2.6.

De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw en de minderjarige hebben de Poolse nationaliteit.

3 De beoordeling

3.1.

Vervangende toestemming

3.1.1.

Het verzoek strekt tot het aan de man verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige.

3.2.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.2.1.

Omdat de man, de vrouw en de minderjarige hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek van de man tot het verlenen aan hem van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige.

3.2.2.

Op grond van artikel 10:95 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit – dus Nederlands recht – van toepassing op de vraag of de man bevoegd is tot erkenning van de minderjarige, alsmede op de voorwaarden voor erkenning. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel is op de toestemming van de vrouw tot de erkenning Pools recht van toepassing. Dit recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing.

3.2.3.

Artikel 73 van het Poolse Familie- en Voogdijwetboek bepaalt het volgende:

§ 1

Die Anerkennung der Vaterschaft erfolgt dadurch, dass der Mann, von dem das Kind stammt, vor dem Leiter des Standesamtes erklärt, dass er der Vater des Kindes ist, und die Mutter gleichzeitig oder innerhalb von drei Monaten ab dem Tag der Erklärung des Mannes bestätigt, dass dieser Mann der Vater des Kindes ist.

§ 2

Der Leiter des Standesamtes erläutert den Personen, die die für die Anerkennung der Vaterschaft erforderlichen Erklärungen abzugeben beabsichtigen, die Vorschriften, welche die aus der Anerkennung sich ergebenden Pflichten und Rechte regeln, die Vorschriften über den Familiennamen des Kindes wie auch den Unterschied zwischen der Anerkennung der Vaterschaft und der Annahme als Kind.

§ 3

Der Leiter des Standesamtes lehnt die Entgegennahme der für die Anerkennung der Vaterschaft erforderlichen Erklärungen ab, wenn die Anerkennung unzulässig ist oder er Zweifel über die Abstammung des Kindes hat.

§ 4

Die Anerkennung der Vaterschaft kann auch vor dem Vormundschaftsgericht und im Ausland vor dem polnischen Konsul oder vor einer zur Ausübung der Funktion eines Konsuls bestellten Person erfolgen, wenn die Anerkennung ein Kind betrifft, dessen beide Elternteile oder einer von ihnen polnische Staatsangehörige sind. Die Vorschriften der §§ 1–3 finden entsprechende Anwendung.

(Duitse vertaling zoals opgenomen in BFH Online, Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht, mit Staatsangehörigkeitsrecht, geraadpleegd 11 juli 2019)

3.2.4.

Het Poolse recht vereist derhalve een bevestiging van de moeder dat de erkenner de biologische vader van het kind is. De vrouw heeft ter zitting van 30 augustus 2018 bevestigd dat de man de biologische vader van de minderjarige is.

3.2.5.

De wetgever heeft zoveel mogelijk willen waarborgen dat de erkenning onderworpen is aan toestemming van de moeder (vergelijk HR 10-11-2006, ECLI:NL:HR:2006:AY5698). De hier in beginsel toepasselijke verwijzingsregeling biedt, in aanmerking genomen dat de moeder de Poolse nationaliteit heeft en het Poolse recht de vervangende toestemming tot erkenning niet kent, geen uitkomst met betrekking tot de vraag of die toestemming volgens dat recht kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. Het met art. 10:95 BW beoogde doel wordt dan het meest gediend door aan te nemen dat het recht dat ingevolge art. 10:95 lid 1 BW van toepassing is op de erkenning tevens van toepassing is op de toestemming van de moeder tot de erkenning. Dat recht is in dit geval het Nederlandse recht. Daarom is de rechtbank van oordeel dat in deze situatie naar Nederlands recht moet worden beoordeeld of de vervangende toestemming kan worden gegeven, in lijn met art. 10:95 lid 3 (één na laatste zin) BW.

3.3.

Inhoudelijke beoordeling

3.3.1.

De man legt onder meer aan zijn verzoek ten grondslag dat hij als verwekker van de minderjarige er aanspraak op heeft dat de relatie met de minderjarige rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De erkenning zal de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige niet schaden. Door de erkenning zal evenmin een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komen.

3.3.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij bepleit afwijzing van het verzoek.

3.3.3.

De bijzondere curator adviseert het verzoek toe te wijzen.

3.3.4.

De raad ondersteunt het advies van de bijzondere curator.

3.3.5.

Op grond van artikel 1: 204, derde lid BW kan de rechtbank de toestemming tot erkenning van de moeder op verzoek van de man die het kind wil erkennen, vervangen. Dit kan alleen indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet schaden, en de man de verwekker is van het kind.

3.3.6.

Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige schaadt, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen.

Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de minderjarige als de man er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de minderjarige of die van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige geschaad zouden worden bij erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is, volgens vaste rechtspraak, slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.

3.3.7.

Rekening houdend met de belangen van alle betrokkenen zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat door de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige worden geschaad. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld om van het uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking af te wijken. Emotionele weerstand van de vrouw tegen de erkenning is op zich niet voldoende om vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Dit zelfde geldt voor de enkele omstandigheid dat door erkenning een wettelijk recht op omgang met de minderjarige wordt verkregen en de rechter verzocht kan worden een omgangsregeling vast te stellen. De vrouw heeft onvoldoende aangetoond dat erkenning haar relatie met de minderjarige zal verstoren en/of welke schadelijke gevolgen erkenning voor de minderjarige zal hebben. Ook uit de stukken valt niet af te leiden dat de belangen van de vrouw of de minderjarige dermate zullen worden geschaad door erkenning door de man dat erkenning achterwege dient te blijven. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat de minderjarige gebaat is bij rust, veiligheid en regelmaat. Echter, naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat er een reëel risico bestaat dat de vrouw ten gevolge van de erkenning door de man niet in staat zal zijn de minderjarige een stabiel opvoedingsklimaat te bieden. De rechtbank overweegt ten slotte nog dat niet is gebleken dat door erkenning door de man voor de minderjarige op zichzelf reële risico’s ontstaan dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man door erkenning van de minderjarige ook omgang zal kunnen krijgen en zich daardoor zal kunnen mengen in haar huidige gezinsleven. Erkenning staat los van de vraag of er omgang zal gaan plaatsvinden.

De vrouw zal moeten accepteren dat de minderjarige weet wie haar vader is en dat dit ook rechtens wordt erkend. De rechtbank weegt verder mee dat de man de overige drie kinderen van partijen heeft erkend.

3.3.8.

Gelet op het vorenstaande zal de man vervangende toestemming worden verleend de minderjarige te erkennen.

De vrouw heeft tijdens deze procedure aan de heer [naam] toestemming gegeven de minderjarige te erkennen. Een dergelijke toestemming staat aan vervangende rechterlijke toestemming en erkenning door de verwekker niet in de weg. Indien de verwekker vervangende toestemming heeft verzocht, kan vanaf het moment van indiening van het verzoek bij de rechtbank en totdat daarop definitief is beslist, de vrouw aan een ander slechts voorwaardelijk toestemming tot erkenning verlenen. Die toestemming heeft in dat geval alleen gevolg indien de door de verwekker gevraagde vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd. Omdat de toestemming thans wordt verleend, is de erkenning door de heer [naam] nietig.

3.4.

Geslachtsnaam

3.4.1.

De man verzoekt te bepalen dat de geslachtsnaam van de minderjarige wordt gewijzigd in [naam vader] .

Op grond van artikel 1:5 lid 2 BW kunnen de moeder en de erkenner ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. Op grond van artikel 1:5 lid 8 BW kan bedoelde verklaring slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind worden afgelegd. Kinderen van dezelfde ouders hebben dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind. De geslachtsnaam van de minderjarige vloeit rechtsreeks voort uit de wet, en zal gelijk zijn aan de naam van de drie oudere kinderen van partijen. Het verzoek van de man te bepalen dat de naam wordt gewijzigd, zal daarom worden afgewezen aangezien dit gevolg direct uit de wet voortvloeit.

3.5.

Regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht

3.5.1.

De man verzoekt vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht, inhoudende:

  • -

    dat de minderjarige eenmaal per veertien dagen vanaf vrijdagavond 18:00 uur bij de man verblijft waarbij de man de minderjarige vrijdagavond ophaalt en zondagavond uiterlijk om 19.00 uur weer bij de vrouw thuis brengt;

  • -

    dat de man in de zomer gedurende de aaneengesloten periode van drie weken omgang heeft met de minderjarige en andere (school)vakanties, alsmede op 2e Kerstdag, 2e Paasdag, Oud en Nieuw, de verjaardag van de man en om elk jaar op de verjaardag van de minderjarige en op de verjaardagen van haar ooms, tantes, neefjes, nichtjes, oma en opa aan vaderszijde.

3.5.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.6.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.6.1.

Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht.

3.7.

Inhoudelijke beoordeling

3.7.1.

Uitgangspunt van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a, derde lid BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.7.2.

De man heeft derhalve in beginsel recht op omgang met de minderjarige, zodra hij de minderjarige heeft erkend.

3.7.3.

De raad adviseert in zijn rapport dat voordat omgang tussen de man en de minderjarige kan plaatsvinden eerst statusvoorlichting moet plaatsvinden, in die zin dat de vrouw de minderjarige vertelt dat de man haar biologische vader is. De statusvoorlichting zou volgens de raad uiterlijk voor de vijfde verjaardag van de minderjarige moeten plaatsvinden. Ter zitting is namens de raad nader toegelicht dat de statusvoorlichting zo snel mogelijk moet plaatsvinden.

3.7.4.

Door de verandering van de geslachtsnaam van de minderjarige na effectuering van de erkenning is het voor de minderjarige des te belangrijker dat zij snel wordt ingelicht. De man heeft daarnaast aangevoerd dat de andere drie kinderen van partijen omgang hebben met de vrouw in aanwezigheid van de minderjarige. Hij heeft van de andere kinderen begrepen dat ter sprake komt dat hij ook de vader van de minderjarige is. Al met al komt het de rechtbank voor dat de minderjarige zo spoedig mogelijk geïnformeerd zal moeten worden over haar afstamming. De vrouw heeft daarbij hulp nodig, zoals de raad aangeeft en door de man wordt erkend. Met de organisatie daarvan zal enige tijd gemoeid zijn, maar gezien de intensiteit van de hulp die al aanwezig is rond de vrouw en de andere kinderen mag verwacht worden dat statusvoorlichting voor 22 april 2020 plaats kan vinden.

3.7.5.

Omdat de raad adviseert dat statusvoorlichting een voorwaarde is voordat met omgang kan worden begonnen, zal niet alvast een tijdelijke omgangsregeling worden bepaald. Met ingang van 1 mei 2020 kan de man eenmaal per kwartaal omgang met de minderjarige hebben, aansluitend bij de omgangsregeling die de man onder begeleiding van Enver met de andere drie kinderen heeft. De man dient er zorg voor te dragen dat de omgang met de jongste minderjarige ook onder begeleiding van Enver kanplaatsvinden.

3.8.

Ingetrokken verzoek

3.8.1.

De man heeft ter zitting zijn verzoek te bepalen dat aan de vrouw en de man het gezamenlijk gezag toekomt over de minderjarige, ingetrokken. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

3.9.

Proceskosten

3.9.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verleent [naam vader] , geboren op [geboortedatum man] te [geboorteplaats man] , vervangende toestemming voor erkenning van:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2015 te [geboorteplaats minderjarige] ;

4.2.

bepaalt dat de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht als volgt zal zijn (op voorwaarde dat de man de minderjarige heeft erkend):

de man zal met ingang van 1 mei 2020 eenmaal per kwartaal omgang met de minderjarige hebben, onder begeleiding van Enver;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de vervangende toestemming voor erkenning;

4.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

4.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Lablans, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C. Brasser op 5 september 2019.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.