Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:679

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
10/740168-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag op eigen kind van 7 maanden.

Gemotiveerde verwerping van verzoek verdediging bij strafmaat aansluiting te zoeken bij de strekking van artikel 290 Wetboek van Strafrecht.

Sterk verminderde toerekenbaarheid

Strafmaat gevangenisstraf 5 jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/740168-18

Datum uitspraak: 30 januari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te Rome (Italië),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Overijssel, PIV Zwolle,

raadsman mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J.A. de Bruijn heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde feit (moord);

  • -

    bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het aspect voorbedachte raad niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken van moord.

4.2.

Bewijsoverweging

De verdenking bestaat er, kort gezegd, in dat verdachte haar zeven maanden oude zoontje [naam slachtoffer] om het leven heeft gebracht door een kussen op zijn hoofd te drukken. Bij sectie en aanvullende onderzoeken op het lichaam van [naam slachtoffer] is geen doodsoorzaak gebleken. Het betreft een onverwacht en onverklaard overlijden bij een baby jonger dan één jaar. Ten aanzien van het overlijden wordt door de pathologen onder andere opgemerkt:

- Dat belemmering van de luchtwegen (zoals bij smoren, drukken op de neus/mond,

afgedekt zijn van de mond en neusgaten door belemmerende structuren) geen

objectiveerbare verschijnselen hoeft achter te laten bij baby’s en derhalve verstikking

niet uitgesloten kan worden als eventuele doodsoorzaak.

- Eventuele drukuitoefening op de romp/laag op de hals, anders dan in het kader van

medisch handelen, met verstikking tot gevolg is niet uitgesloten.

De schouwarts heeft bij onderzoek op de plaats delict een tongbeet en een puntbloeding in het oog van het slachtoffer geconstateerd. Hij heeft geen verklaring van overlijden door natuurlijke oorzaak afgegeven en heeft daarbij opgemerkt dat de tongbeet en puntbloeding kunnen passen bij verstikking.

Op 25 april 2018 belde de verdachte om 09.49 u met haar schoonmoeder en zei haar: “Ga naar huis. Dood is [naam slachtoffer] .”

Verdachte heeft ter zitting bekend dat zij gedurende enige tijd en met enige kracht een kussen op het hoofd van [naam slachtoffer] heeft gedrukt en gedrukt gehouden en dat hij daarna niet meer bewoog.

Deze verklaring van verdachte, in samenhang bezien met de schouw- en sectiebevindingen, het telefoongesprek met haar schoenmoeder en het geringe tijdsverloop in deze zaak (tussen het handelen van verdachte en het aantreffen van het nog iets warme lichaam van [naam slachtoffer] en het constateren van zijn overlijden) maken dat de rechtbank uitgaat van de door verdachte beschreven wijze van belemmering van de luchtwegen als de doodsoorzaak.

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, de doodslag wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 25 april 2018 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer]

(geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2017) van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk met kracht een kussen, op het hoofd van die [naam slachtoffer]

gedrukt en gedrukt gehouden, ten gevolge waarvan die [naam slachtoffer] is overleden

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit,

de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op haar zeven maanden oude zoontje [naam slachtoffer] door zo lang een kussen op zijn hoofdje te drukken dat hij als gevolg daarvan is overleden. Daarna heeft verdachte het slachtoffer en haar andere zoontje alleen in de woning achtergelaten, omdat zij naar eigen zeggen voornemens was zichzelf van het leven te beroven. Zij heeft vervolgens haar partner en diens moeder gebeld om hen te laten weten wat er was gebeurd. De naar aanleiding van een melding bij de woning gearriveerde politieagenten en ambulancepersoneel hebben nog getracht [naam slachtoffer] te reanimeren, maar de verleende hulp heeft hem niet meer mogen baten. Verdachte is later die ochtend aangehouden door de politie op de Maashavenkade te Rotterdam.

Zij heeft verklaard die bewuste ochtend kennis te hebben genomen van de uitslag van een eerder door haar aangevraagde DNA-test. Uit deze test was gebleken dat haar huidige partner niet de vader was van het slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat zij hierna in de war is geraakt, in haar hoofd hoorde dat alles afgelopen was en dat haar hoofd “volkomen donker” was.

Verdachte heeft door aldus te handelen haar kind het meest elementaire recht, te weten het recht op leven, ontnomen en daarmee intens verdriet veroorzaakt binnen het gezin en bij de naaste familie van [naam slachtoffer] . De rechtbank rekent het verdachte extra aan dat zij haar zeer jonge en weerloze kind, dat op dat moment volledig van de verdachte afhankelijk was, niet de veiligheid en geborgenheid heeft geboden waar hij recht op had.

De rechtbank heeft tegelijkertijd oog voor de problemen die hebben geleid tot en de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft direct bekend welke vreselijke daad zij had begaan en neemt (en nam) daar de volledige verantwoordelijkheid voor.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat juist ook verdachte is, wordt en zal blijven worden geconfronteerd met de dood van haar zoontje. Te verwachten valt dat verdachte haar aandeel daarin haar verdere leven met zich zal meedragen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 december 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting

Over de verdachte is een triple rapportage uitgebracht, gedateerd 24 oktober 2018.

De daarin vermelde conclusies van de psychiater M.D. van Ekeren en psycholoog E.J. Muller houden het volgende in.

Betrokkene heeft volledig aan het onderzoek meegewerkt. Er is bij betrokkene sprake van een depressieve stoornis met suïcidale kenmerken die thans in vroege en gedeeltelijke remissie is. De huidige toestand wordt mede gekleurd door een gecompliceerd rouwproces. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde in verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen. Een sterke mate van vermindering is te onderbouwen, aangezien de keuzemogelijkheden door de depressieve stoornis in sterke mate beperkt waren.

De onzekerheid voor de toekomst maakt het moeilijk een heel specifieke inschatting te maken van het recidivegevaar. Een hoog risico op geweld is in elk geval niet te onderbouwen. Onderzoekers achten het wenselijk dat betrokkene verder begeleid wordt. Het zou wenselijk zijn als betrokkene en haar partner en het gezin als geheel worden begeleid. Uit het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming zijn geen contra-indicaties gebleken voor hervatting van haar taken als opvoeder van haar oudste kind. Begeleidende gesprekken met een psycholoog zouden kunnen plaatsvinden bij De Waag of soortgelijke forensische polikliniek, met toezicht door de reclassering. Inhoudelijk zou dit gerealiseerd kunnen worden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Mocht dit vanwege de strafmaat niet aan de orde zijn, zou dit ook kunnen in het kader van een penitentiair programma. Onderzoekers achten het wel van belang dat betrokkene begeleid en ondersteund wordt bij de terugkeer naar haar gezin en de zorg over haar oudste zoon zo snel mogelijk kan hervatten, nu gebleken is dat dat verantwoord wordt geacht.

Reclassering Nederland, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 december 2018.

De rechtbank heeft acht geslagen op beide hierboven genoemde rapporten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over. De verdachte wordt dus in sterk verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. De rechtbank heeft daarbij gelet op de omstandigheid dat het handelen van verdachte in sterke mate werd beperkt in de keuzemogelijkheden.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt de ernst van het onderhavige feit met zich dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gezien de adviezen van de deskundigen en de reclassering zijn er geen redenen om de verdachte in aanmerking te doen komen voor een behandeling die haar in het kader van een voorwaardelijk opgelegd strafdeel zou kunnen worden opgelegd. Begeleiding in het kader van de V.I. maakt het mogelijk op het juiste moment, op basis van aanvullend onderzoek kort voor het moment dat de V.I-voorwaarden aan de orde (kunnen) komen, de meest passende voorwaarden op te stellen.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd.

De verdediging heeft verzocht ten aanzien van de op te leggen strafmaat aansluiting te zoeken bij de gematigde maximumstraf van artikel 290 Wetboek van Strafrecht en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ten hoogste 3 jaar gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank acht het zoeken van aansluiting bij de sterk strafmatigende gedachte achter artikel 290 Wetboek van Strafrecht niet van toepassing. Artikel 290 Sr betreft een geprivilegieerde vorm van opzettelijke levensberoving, waarbij de bijzondere gemoedstoestand van de moeder bij of kort na de geboorte een omstandigheid oplevert voor een matiging van het strafmaximum. Van een dergelijke bijzondere omstandigheid is in deze zaak geen sprake. De periode van de geboorte tot aan de datum van het gepleegde delict is hiervoor te groot. Verdachte had voorts al langere tijd, ook voorafgaand aan de zwangerschap en geboorte van haar tweede kind, somberheidsklachten. Zij is daarvoor in februari 2018 nadrukkelijk door de huisarts verwezen naar een psycholoog. Verdachte heeft er destijds voor gekozen niet naar een psycholoog te gaan. Omdat verdachte geen hulp heeft gezocht voor al langere tijd bestaande (psychische) problemen, terwijl zij daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid had en een daartoe strekkend advies had gekregen van haar huisarts, bestaat er geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de uit artikel 290 Sr sprekende (of andere) straf- mitigerend elementen, anders dan – zoals reeds ter sprake kwam – de sterk verminderde mate van toerekenbaarheid.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijk wettelijk voorschrift

Gelet is op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag) heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Wingerden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

zij op of omstreeks 25 april 2018 te Rotterdam

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer]

(geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2017) van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk (met kracht) (gedurende langere tijd) een

kussen, althans een voorwerp op/tegen het gezicht en/of het hoofd van die [naam slachtoffer]

gedrukt/geduwd en/of gedrukt/geduwd gehouden,

ten gevolge waarvan die [naam slachtoffer] is overleden;