Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:678

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
10/681172-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verdachte van betrokkenheid bij hennepkwekerijen en brand in pand aan [adres delict] te Leerdam op 26 juni 2017

Niet onaannemelijk is dat verdachte het pand heeft onderverhuurd aan iemand die antecedenten heeft op gebied van hennepteelt.

Geen bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij of wetenschap had van de hennepteelt in het pand en de wijzigingen in de bekabeling van de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/681172-17

Datum uitspraak: 30 januari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. M. Veldman, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het (opnieuw aangevangen) onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.E. van Veen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 (primair) en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Bewijsvraag

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte zich samen met anderen heeft bezig gehouden met hennepteelt in het in de tenlastelegging bedoelde en door hem gehuurde pand aan de [adres delict] te Leerdam. De verklaring van de verdachte dat de hennepkwekerijen in het pand zonder zijn medeweten zijn opgezet door een derde, [naam] (hierna: [naam] ), aan wie hij dat pand onderverhuurde, is niet geloofwaardig. Het is onaannemelijk dat de verdachte het pand heeft onderverhuurd, omdat de overeenkomst van onderhuur dubieus is en de tijdlijn van de verbouwing van het pand niet klopt. Bovendien bevatten de verklaringen van buurman [naam buurman] en de ex-partner van de verdachte aanwijzingen dat de verdachte zelf betrokken is geweest bij de hennepteelt.

De brand in het pand is veroorzaakt door de aangetroffen hennepkwekerijen. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepkwekerijen een zeer aanzienlijke hoeveelheid stroom gebruiken en dat de daarvoor benodigde elektrische installaties doorgaans illegaal en veelal op onprofessionele wijze worden aangelegd, waardoor dit tot zeer gevaarlijke situaties kan leiden. Van de verdachte mocht worden verwacht dat hij zich van de deugdelijkheid van de zich in het door hem gehuurde pand bevindende installaties had vergewist. Dit heeft hij nagelaten. Er is dan ook sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Ook de tenlastegelegde brandstichting kan daarom worden bewezen.

Beoordeling

Anders dan de officier van justitie als standpunt heeft ingenomen, is niet onaannemelijk dat de verdachte het deel van het door hem gehuurde pand waarin de hennepkwekerijen zich bevonden aan [naam] heeft onderverhuurd. Het dossier bevat namelijk een op haar naam gestelde overeenkomst van onderhuur, waarover de verdachte heeft verklaard dat deze door [naam] is ondertekend. Hoewel [naam] dat ontkent, vertoont de handtekening onder die overeenkomst zeer grote overeenkomsten met de ‘testhandtekeningen’ die zij tijdens het politieverhoor heeft gezet. Bovendien is op haar telefoon een foto van de voorkant van het pand aangetroffen. Daarnaast is gebleken dat zij contacten in haar telefoon had die onder meer betrokken zijn bij hennepgerelateerde feiten. Verder volgt uit de verklaring van [naam] dat zij in 2012 als ‘katvanger’ heeft gefungeerd voor een pand waar een hennepkwekerij is aangetroffen, waaraan zij ook een forse schuld heeft overgehouden.

De verdachte heeft ontkend wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de hennepkwekerijen en de hennepteelt in het deel van het pand dat hij onderverhuurde. Hij heeft verklaard geen hennepgeur te hebben geroken en geen toegang te hebben gehad tot de ruimtes waar de hennepkwekerijen zich bevonden. Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen voor het tegendeel. Zo bevat het dossier geen overtuigende verklaringen van getuigen over de aanwezigheid van een hennepgeur, terwijl het verhuurde pand is gelegen dichtbij andere woningen. Ook zijn er geen (forensische) sporen van de verdachte aangetroffen in de ruimtes waar de hennepplanten werden geteeld noch op de daar aangetroffen attributen. Verder is de verklaring van de ex-partner van de verdachte voor meerdere uitleg vatbaar. Mede daardoor kan daaruit niet worden afgeleid dat de verdachte betrokkenheid had bij de hennepkwekerijen. Ook kan niet worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de ruimtes heeft opgebouwd waarin de hennepkwekerijen zijn aangetroffen. Aan de datering van de gipsplaten komt in dit verband onvoldoende doorslaggevende betekenis toe.

Het dossier bevat aldus geen concreet bewijs dat de verdachte in (enig) verband kan worden gebracht met de hennepkwekerijen. Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Ook van de onder 4 tenlasteglegde brandstichting) zal de verdachte worden vrijgesproken, omdat de in de tenlastelegging gespecificeerde gedragingen (betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerijen en bij de ten behoeve van die kwekerijen aangebrachte wijzigingen in de bekabeling van de meterkast in het pand) niet bewezen kunnen worden.

5 Vorderingen benadeelde partijen

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit: [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2]. [naam benadeelde 1] vordert een vergoeding van € 56.062,- ter zake van materiële schade en een vergoeding van € 594,90 ter zake van immateriële schade. [naam benadeelde 2] vordert een vergoeding van € 455.000,- ter zake van materiële schade.

Nu de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen

Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden in beide gevallen zullen worden begroot op nihil.

6 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 primair en subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. D. Visser en F.A. Groeneveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. Verduijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2019.

Bijlage

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 juni 2017 te Leerdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres delict] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 397 hennepplanten, althans een grote

hoeveelheid hennepplanten, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op of omstreeks 18 juni 2017 te Leerdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres delict] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 143 hennepplanten, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 17 juni 2017 en/of

de periode van 19 juni 2017 tot en met 25 juni 2017 te Leerdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk (telkens)

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

(in een pand aan [adres delict] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 540 hennepplanten, in elk geval een

grote hoeveelheid hennepplanten, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden:

een of meer anderen in de periode 1 maart 2017 tot en met 17 juni 2017 en/of

de periode van 19 juni 2017 tot en met 25 juni 2017 te Leerdam, met elkaar, althans één van hen, telkens opzettelijk heeft/hebben geteeld (in een pand aan [adres delict] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 540 hennepplanten, althans een grote hoeveelheid hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot het plegen van welke misdrijven verdachte in de periode 1 maart 2017 tot en met 17 juni 2017 en/of

de periode van 19 juni 2017 tot en met 25 juni 2017 te Leerdam opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest, door het pand aan de [adres delict] op zijn naam te huren en/of dat pand althans ruimten in dat pand (vervolgens) aan die onbekend gebleven persoon/personen, voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking stellen;

4.

hij op of omstreeks 17 juni 2017 te Leerdam, in een woning/pand, gelegen aan

de [adres delict] (nummer [huisnummer] ), tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en / of

onoplettend en / of onachtzaam

- in die woning aan de [adres delict] een of meer hennepkwekerij(en) in werking

heeft gehad en/of

- ( al dan niet specifiek ten behoeve van die hennepkwekerij(en)) wijzigingen

heeft aangebracht in de (bekabeling van de ) meterkast van die woning en/of

- ( aldus) heeft veroorzaakt dat er brand is ontstaan in de meterkast van die

woning,

ten gevolge waarvan het aan zijn en / of zijn mededaders schuld te wijten is

geweest, dat er brand is ontstaan en/of dat/die pand/woning geheel of

gedeeltelijk is / zijn verbrand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor die

woning zelf en/of de zich in die woning bevindende goederen en/of voor de

belendende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en / of

levensgevaar voor zich in die belendende woning(en) bevindende perso(o)n(en),

in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, ontstond.