Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6765

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
C/10/566228 / HA ZA 19-62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot verwijzing naar de kantonrechter afgewezen. In artikel 4:78 lid 1 BW wordt een materieelrechtelijke aanspraak toegekend. Lid 1 bepaalt – anders dan in het tweede lid het geval is – niet welke rechter bevoegd is (en op welke wijze een dergelijke aanspraak moet worden ingesteld). Aldus biedt artikel 4:78 lid 1 BW geen wettelijke basis voor de bevoegdheid van de kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0216
JERF 2019/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/566228 / HA ZA 19-62

Vonnis in incident van 21 augustus 2019

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser]

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. G.A.H. Wiekamp te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

1 [naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

2. de stichting

STICHTING GOEDEGEBUURE NOTARIËLE BEWINDVOERINGEN EN EXECUTELES,

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. D.J. van de Weerdt te Vlaardingen.

Partijen zullen hierna [naam eiser] , [naam gedaagde] en Stichting Goedegebuure genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 januari 2019, met producties 1 tot en met 17,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot verwijzing naar de kantonrechter, met producties A tot en met Q,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

[naam eiser] en [naam gedaagde] zijn broer en zus. Hun moeder, [naam moeder] (hierna: moeder), is op [overlijdensdatum moeder] overleden. [naam eiser] , [naam gedaagde] en hun vader, [naam vader] (hierna: vader), zijn erfgenamen in de nalatenschap van moeder.

2.2.

Vader is op [overlijdensdatum vader] overleden. [naam gedaagde] is enig erfgenaam in de nalatenschap van vader.

2.3.

Stichting Goedegebuure is executeur-testamentair in de nalatenschap van vader.

2.4.

[naam eiser] heeft een beroep gedaan op zijn legitieme portie ter zake van de nalatenschap van vader.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

[naam eiser] vordert – verkort weergegeven – bij vonnis:

I) te bepalen dat het tot de nalatenschap behorende onroerende goed aan de [adres] dient te worden getaxeerd door een door de rechtbank aan te stellen NVM makelaar, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,

II) Stichting Goedegebuure in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van vader en [naam gedaagde] in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van vader en moeder, te veroordelen om inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de tot de nalatenschap van vader en moeder behorende roerende zaken en al hetgeen, al dan niet middels schenking voorafgaand of rond het overlijden is verkregen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,

III) het aan [naam eiser] toekomende vorderingsrecht op de nalatenschap van moeder en uit hoofde van zijn legitieme portie in de nalatenschap van vader vast te stellen op minimaal € 451.818,33, alsmede te bepalen dat de aanslag schenkbelasting ten laste dient te komen van de nalatenschap, vermeerderd met de wettelijke rente,

IV) [naam gedaagde] en Stichting Goedegebuure te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[naam gedaagde] en Stichting Goedegebuure voeren gemotiveerd verweer en concluderen – kort gezegd – tot afwijzing van het gevorderde.

In het incident

3.3.

In het incident vorderen [naam gedaagde] en Stichting Goedegebuure dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken, althans de vordering onder I en II verwijst, althans de vordering onder II verwijst.

3.4.

[naam gedaagde] en Stichting Goedegebuure stellen hiertoe dat de vordering in de hoofdzaak onder II tot het verschaffen van inlichtingen, een vordering op grond van 4:78 BW betreft en dat een dergelijke vordering bij de kantonrechter moet worden ingesteld. Omdat de overige vorderingen nauw samenhangen met de vordering onder II, moeten ook die vorderingen door de kantonrechter worden behandeld en beslist.

3.5.

[naam eiser] voert gemotiveerd verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Op grond van artikel 93 aanhef en onder d Rv worden door de kantonrechter behandeld en beslist zaken ten aanzien waarvan de wet dit bepaalt. Indien een zaak meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan een vordering is als bedoeld in artikel 93 onder d Rv worden deze vorderingen alle door de kantonrechter behandeld en beslist, voor zover de samenhang van de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet (artikel 94 lid 2 Rv).

4.2.

[naam eiser] vordert in de hoofdzaak onder II dat [naam gedaagde] en Stichting Goedegebuure worden veroordeeld om inlichtingen te verstrekken – onder meer – met betrekking tot de nalatenschap van vader. [naam eiser] heeft ten aanzien van de nalatenschap van vader als legitimaris-niet erfgenaam te gelden. Artikel 4:78 lid 1 BW bepaalt dat een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in deze bepaling een materieelrechtelijke aanspraak toegekend. Lid 1 bepaalt – anders dan in het tweede lid het geval is – niet welke rechter bevoegd is (en op welke wijze een dergelijke aanspraak moet worden ingesteld). Aldus biedt artikel 4:78 lid 1 BW geen wettelijke basis voor de bevoegdheid van de kantonrechter ten aanzien van de vordering in de hoofdzaak onder II. Er is ook geen andere wettelijke basis voor die bevoegdheid.

4.3.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu voor wat betreft de overige vorderingen niet is gebleken dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd is, is er geen aanleiding voor verwijzing van de zaak naar de kantonrechter.

4.4.

De incidentele vordering van [naam gedaagde] en Stichting Goedebuure zal worden afgewezen.

4.5.

[naam gedaagde] en Stichting Goedebuure zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] en Stichting Goedegebuure in de kosten van het incident, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 543,00,

in de hoofdzaak

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 september 2019 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2019.

[2083/1582]