Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:676

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
10/775010-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak opzetdelicten, veroordeling schulddelict. Eigen waarneming rechtbank. Supportersrellen”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/775010-17

Datum uitspraak: 1 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

raadsvrouw mr. K. Versteeg, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair onder 1 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard dient te worden ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

4.2.

Beoordeling

De rechtbank komt niet toe aan de inhoudelijke behandeling van het door de verdediging gevoerde verweer aangezien de verdachte voor het primair en subsidiair ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken. De verdediging wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Vrijspraak primair en subsidiair ten laste gelegde

5.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde, het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [naam slachtoffer] . De verdachte heeft door tweemaal naar rechts te sturen ruimte proberen te creëren om een bocht naar links te maken en door deze handeling de mogelijkheid op de koop toe genomen dat [naam slachtoffer] , die daar liep, zwaar gewond zou raken.

5.1.2.

Beoordeling

Niet ter discussie staat het volgende. De verdachte trad op 7 mei 2017 op als bestuurder van een ME-bus. Hij was die dag belast met de handhaving van de openbare orde tijdens rellen die in Rotterdam ontstonden na afloop van een wedstrijd tussen Feyenoord en Excelsior. Op de Coolsingel kreeg hij de opdracht om mee te rijden op de flanken van de politiepaarden die daar een charge gingen uitvoeren. Tijdens het uitvoeren van deze opdracht is de verdachte met zijn ME-bus tegen [naam slachtoffer] is aangereden waardoor deze zwaar lichamelijk letsel, te weten een open beenbreuk, heeft opgelopen.

Ter terechtzitting zijn onder andere de camerabeelden vanuit de ME-bus, gemaakt door medewerkers van [naam] , en beelden op Youtube ([naam internetsite], zoekterm: Rellen na Excelsior - Feyenoord ( 3 )) getoond. De rechtbank heeft op deze beelden - anders dan de officier van justitie - waargenomen dat de verdachte weliswaar eerst de ME-bus in de richting van het slachtoffer heeft gestuurd door naar rechts te sturen, maar dat hij vervolgens de ME-bus naar links heeft gestuurd alvorens uiteindelijk de ME-bus weer naar rechts te sturen. Uit de stuurbeweging naar links maakt de rechtbank op dat de verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer zou raken, maar hem met deze stuurbeweging juist wilde ontwijken, zoals hij zelf ook heeft verklaard. Het (voorwaardelijk) opzet op de (zware) mishandeling acht de rechtbank derhalve niet bewezen.

5.1.3.

Conclusie

Niet bewezen is dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

5.2.

Bewijswaardering meer subsidiair ten laste gelegde

5.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde feit stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat er geen sprake is van schuld van de verdachte in de zin van artikel 308 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte op 7 mei 2017, door zijn laatste stuurbeweging naar rechts waarbij hij [naam slachtoffer] raakte, als aanmerkelijk onvoorzichtig gekwalificeerd dient te worden. De verdachte heeft zich er onvoldoende van vergewist of hij de door hem voorgenomen ruime bocht om de grote grijze paal, die zich rechts van hem bevond kon inzetten zonder het slachtoffer te raken. Hij heeft onvoldoende afstand gehouden tot het slachtoffer en heeft de bocht die hij wilde maken, ook met zijn tweede stuurbeweging naar rechts, te vroeg ingezet waardoor hij tegen [naam slachtoffer] is aangereden. Daarom is het aan zijn schuld te wijten dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel, te weten een beenbreuk, heeft opgelopen.

5.2.2.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

(meer subsidiair)

hij op 07 mei 2017 te Rotterdam aanmerkelijk onvoorzichtig, als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een ME-bus, rijdend over de

Coolsingel en naastgelegen voet- en fietspaden zich niet of onvoldoende ervan

heeft vergewist of hij door kon rijden zonder [naam slachtoffer] te raken en

(aldus rijdende) hij onvoldoende afstand heeft gehouden tot die [naam slachtoffer]

en hij tegen die [naam slachtoffer] is aangereden en over diens voet is

gereden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [naam slachtoffer] zwaar

lichamelijk letsel, te weten een scheen- en kuitbeenbreuk, heeft bekomen

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feit

Het meer subsidiair bewezen feit levert op:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag vertoond als gevolg waarvan hij iemand heeft aangereden die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte trad hierbij op als bestuurder van een ME-bus tijdens voetbalrellen op de Coolsingel.

Gezien de ernst van het feit is een taakstraf passend.

De rechtbank houdt bij de strafmaat in matigende zin rekening met het feit dat rijden in een ME-bus tijdens voetbalrellen zeer ingewikkeld kan zijn en dat er op zo’n moment andere normen gelden dan voor reguliere verkeersdeelnemers in alledaagse verkeerssituaties. Van agenten wordt immers verwacht dat zij handhavend optreden in heftige situaties zoals voetbalrellen en de verdachte had dan ook geen mogelijkheden om zich aan deze heftige situatie te onttrekken. Ondanks de hectische omstandigheden had de verdachte echter meer afstand moeten houden van het slachtoffer dat, ook in de visie van de verdachte, niet behoorde tot de groep relschoppers.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan zal de rechtbank een voorwaardelijke taakstraf van na te noemen duur opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 308 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen.

bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 1 (één) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. K. Bakker en J.H.J. Verbaan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. den Haan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

(primair)

hij op of omstreeks 07 mei 2017 te Rotterdam aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een

scheen- en/of kuitbeenbreuk, heeft toegebracht door met een voertuig, te weten

een ME-bus, tegen die [naam slachtoffer] aan te rijden en/of over zijn voet te

rijden;

(subsidiair)

hij op of omstreeks 07 mei 2017 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door als bestuurder van een motorvoertuig,

te weten een ME-bus, tegen en/of over de voet van die [naam slachtoffer] is

gereden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheen- en/of

kuitbeenbreuk, ten gevolge heeft gehad;

(meer subsidiair)

hij op of omstreeks 07 mei 2017 te Rotterdam grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een ME-bus, rijdend over de

Coolsingel en naastgelegen voet- en fietspaden zich niet of onvoldoende ervan

heeft vergewist of hij door kon rijden zonder [naam slachtoffer] te raken en/of

(aldus rijdende) hij onvoldoende afstand heeft gehouden tot die [naam slachtoffer]

en/of hij tegen die [naam slachtoffer] is aangereden en/of over diens voet is

gereden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [naam slachtoffer] zwaar

lichamelijk letsel, te weten een scheen- en/of kuitbeenbreuk, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of

verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.