Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6733

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
579421 / HA RK 19-909
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk voor zover het berust op de bejegening van verzoeker ter zitting van 11 juli 2019 als zelfstandige wrakingsgrond, omdat dit verzoek niet tijdig is gedaan. Wrakingsverzoek voor het overige afgewezen. De toezending van de aantekeningen van het mondeling verweer van een gedaagde aan en eiser is een standaard werkwijze in een civiele procedure bij de kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 579421/ HA RK 19-909

Beslissing van 20 augustus 2019

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. E.A. Vroom, rechter in de rechtbank Rotterdam, team kanton I (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter rolzitting van 11 juli 2019 heeft verzoeker ten overstaan van de rechter mondeling verweer gevoerd tegen de door [naam vennootschap] B.V. (verder: de wederpartij) tegen hem ingestelde civielrechtelijke vordering. Die procedure draagt als kenmerk 7858488 CV EXPL 19-28009.

Bij brief van 12 juli 2019 zijn de aantekeningen van de griffier van het mondeling verweer aan verzoeker en de wederpartij gezonden.

Bij brief van 30 juli 2019 heeft verzoeker wraking van de rechter verzocht.

Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt:

- de aantekeningen van het mondeling verweer d.d. 11 juli 2019.

Verzoeker en de rechter zijn uitgenodigd voor de zitting waarop het wrakingsverzoek is behandeld.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 13 augustus 2019.

Ter zitting van 15 augustus 2019, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verzoeker en de rechter verschenen.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

De rechter heeft ter zitting van 11 juli 2019 opmerkingen gemaakt in de trant van “O, u heeft een soort van alibi” op het moment dat verzoeker een formeel getuigschrift wilde overleggen, “Jammer dat het zo moet gaan terwijl het zo’n simpel zaakje is” en “probeert u nu slim te doen?” op het moment dat verzoeker vroeg om bewijs van de wederpartij. Verzoeker had bij deze bejegening al geen goed gevoel, maar de ontvangst van de aantekeningen van het mondeling verweer gaf voor hem de doorslag, zo heeft hij op de wrakingszitting verklaard. Naar aanleiding van vragen van verzoeker daarover heeft de rechter verder ter zitting van 11 juli 2019 medegedeeld dat verzoeker er niet bang voor hoefde te zijn dat zijn mondelinge verweer bij de wederpartij zou terecht komen omdat er niets mee zou worden gedaan vanwege de nog te houden vervolgzitting. Door toch de aantekeningen van het mondelinge verweer aan de wederpartij te sturen is de wederpartij bevoordeeld en verzoeker benadeeld, aldus verzoeker.

In combinatie met de voormelde door de rechter gemaakte opmerkingen wijst dat op vooringenomenheid van de rechter.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij heeft hij - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het antwoord op de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is ingediend refereert de rechter zich aan het oordeel van de wrakingskamer.

De rechter heeft ter zitting verzoeker gelegenheid geboden mondeling verweer te voeren. Hierbij heeft de rechter enkele kritische vragen gesteld met het doel om verzoeker de gelegenheid te bieden zijn standpunt te onderbouwen en te verduidelijken. Het kan zijn dat de rechter daarbij aan verzoeker heeft gevraagd of hij bedoelde dat hij een soort alibi heeft. Dat hij de overige door verzoeker gestelde opmerkingen heeft gemaakt kan de rechter zich niet herinneren en zich ook niet voorstellen.

Uiteindelijk heeft de rechter aanleiding gezien om verzoeker te vragen zijn verweer op papier te zetten en dit stuk in te dienen voor of op de volgende rolzitting. Deze procesbeslissing had eveneens tot doel verzoeker gelegenheid te bieden zijn standpunt te onderbouwen en te verduidelijken. De rechter heeft op de rolzitting geen enkele conclusie of oordeel over de zaak of het standpunt van verzoeker gevormd of geuit.

De rechter kan zich niet herinneren dat verzoeker zou zijn toegezegd dat hetgeen hij op de rolzitting heeft verklaard niet bij de eisende partij terecht zou komen en kan zich dat ook niet voorstellen. Het is immers vaste praktijk dat de aantekeningen van het mondeling verweer van de gedaagde door de griffier aan de eisende partij in de zaak worden verzonden. Het is juist dat er vooralsnog verder niets met het mondelinge verweer van verzoeker wordt gedaan. Mogelijk is daar sprake van een misverstand. Ook als de beweerde toezegging zou zijn gedaan, kan daaraan echter geen indicatie van vooringenomenheid worden ontleend. Na indiening van het schriftelijk verweer door verzoeker wordt een comparitie van partijen bepaald en voorafgaand aan die zitting worden alle door partijen ingediende stukken aan partijen over een weer verstrekt. Er kan dus geen sprake zijn van enig procedureel of tactisch nadeel als door verzoeker wordt bedoeld.

3 De beoordeling

3.1

In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden, zoals artikel 37, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vereist.

3.2

Het relaas van verzoeker laat twijfel over de vraag of de bejegening ter zitting als een zelfstandige wrakingsgrond is bedoeld. Hij heeft immers ter wrakingszitting verklaard dat die bejegening hem geen prettig gevoel gaf, maar dat eerst de toezending van de aantekeningen van zijn mondelinge verweer aan de wederpartij voor hem doorslaggevend was om een verzoek tot wraking in te dienen.

Echter, voor zover de bejegening van verzoeker ter zitting als een zelfstandige grond voor het verzoek tot wraking moet worden aangemerkt, is het verzoek tot wraking op die grond niet tijdig gedaan. Immers, verzoeker was op de zitting aanwezig en heeft bij die gelegenheid kennis genomen van de bejegening door de rechter. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.

In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. De gewraakte bejegening door de rechter heeft zich immers voorgedaan ter zitting van 11 juli 2019, terwijl het verzoek tot wraking door de rechtbank is ontvangen op 2 augustus 2019. Voor zover het wrakingsverzoek is gestoeld de bejegening ter zitting, zal het niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.3

Voor zover het wrakingsverzoek is gegrond op het doorsturen van de zittingsaantekeningen, oordeelt de wrakingskamer als volgt.

3.4

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.5

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.6

Vervolgens dient te worden onderzocht of de toezending van de aantekeningen van het mondeling verweer aan de wederpartij en de gewraakte mededelingen van de rechter ter zitting over deze toezending, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar deze is niet doorslaggevend.

3.7

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

De toezending van de aantekeningen van het mondeling verweer van een gedaagde aan de eiser is een standaard werkwijze in een civiele procedure bij de kantonrechter. Het volgen van die werkwijze geeft geen blijk van vooringenomenheid. Immers, het door de rechter in acht te nemen recht van hoor en wederhoor brengt mee dat hij zijn beslissingen niet enkel mag baseren op de door de ene partij aangevoerde feiten of omstandigheden, waarbij de andere partij geen adequate gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. Dit betekent dat van een procedureel of tactisch nadeel als door verzoeker bedoeld geen sprake kan zijn. Een eventuele onjuiste door de rechter ter zitting gedane mededeling dan wel een misverstand bij de verzoeker hierover leidt niet tot een ander oordeel. De door de verzoeker gestelde uitspraken van de rechter leiden evenmin tot een ander oordeel, omdat het al dan niet verzenden van de zittingsaantekeningen los staat van die gestelde uitspraken, wat er ook zij van die uitspraken.

3.8

Het vorenstaande leidt er toe dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek indien en voor zover het berust op de bejegening van verzoeker ter zitting als een zelfstandige wrakingsgrond, en dat het verzoek voor het overige als ongegrond dient te worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk voor zover het berust op de bejegening van verzoeker ter zitting van 11 juli 2019 als zelfstandige wrakingsgrond;

- wijst het verzoek tot wraking van mr. E.A. Vroom voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, voorzitter, mr. A. Verweij en mr. drs. E. van Schouten, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2019 in tegenwoordigheid van S.H. Groesbeek griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-