Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6715

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
10/070039-19,10/034836-19 (gev.), 10/092830-18 (gev.), 10/199106-18 (gev.) vordering TUL: 10/651025-16 en 10/107230-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor voorhanden hebben MDMA en afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en driemaal een poging tot diefstal in vereniging. Verdachte is eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Maatregel: plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummers: 10/070039-19,

10/034836-19 (gev.), 10/092830-18 (gev.), 10/199106-18 (gev.)

Parketnummers vordering TUL: 10/651025-16 en 10/107230-18

Datum uitspraak: 16 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. A.L. Rinsma, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De rechtbank heeft in bijlage I de feiten van de tenlasteleggingen voorzien van een doorlopende nummering en zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

3 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Boekhoud heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten;

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar, alsmede oplegging van de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een locatieverbod voor de [adres] en een straal van 50 meter daaromheen en een contactverbod met aangevers [naam aangever 1] en [naam aangeefster] (feit 6);

  • -

    tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde strafdelen in de zaken met parketnummers 10/651025-16 en 10/107230-18.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feiten 1 en 2

4.1.1.

Standpunt van de verdediging

De verdachte moet van deze feiten worden vrijgesproken omdat het proces-verbaal te veel onduidelijkheden bevat om vast te kunnen stellen dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd. De verdachte stelt geen contact met de verbalisanten te hebben gehad; er is vermoedelijk sprake van een persoonsverwisseling.

4.1.2.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal zoals dit door de verbalisanten [naam agent 1] en [naam agent 2] is opgemaakt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat het de verdachte was die als ‘man 1’ een ponypack met cocaïne aan de verbalisant afgaf en verder een zakje bij zich had waarin MDMA pillen bleken te zitten.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2.

Feit 3

Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard, met dien verstande dat bewezen zal worden verklaard dat de verdachte een hoeveelheid MDMA aanwezig heeft gehad.

4.3.

Feit 4

4.3.1.

Standpunt van de verdediging

De verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niet kan worden opgemaakt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak. De verdachte heeft verklaard dat hij een verdieping hoger in het gebouw op een feestje was en zijn handen had gesneden aan een champagneglas. Hij is toen het pand van [naam bedrijf 1] enkel binnen gegaan om het bloed van zijn handen te wassen en dit verklaart zijn bloedspoor op de gipsen wand. Uit het feit dat geen van de in het kantoor aanwezige dure goederen is weggenomen, blijkt dat de verdachte niet met een kwade intentie in het pand was.

4.3.2.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario onvoldoende aannemelijk geworden. Uit het feit dat er geen goederen zijn weggenomen, valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat de verdachte niet in het pand was om te stelen. De verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en eerst ter zitting verklaard dat hij daar was in verband met een feest vanwege de jaarwisseling maar hij heeft dat scenario overigens op geen enkele andere wijze dan zijn verklaring aannemelijk gemaakt. Gezien de verder delict gerelateerde aangetroffen dadersporen van een onbekend gebleven persoon, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het feit samen met in ieder geval één ander heeft gepleegd.

4.3.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.4.

Feit 5

4.4.1.

Standpunt van de verdediging

De verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken. Als de verdachte al ter plaatse aanwezig is geweest, dan kan niet worden vastgesteld dat hij een bijdrage aan het feit heeft geleverd. De conclusie van verbalisant [naam agent 3] dat het de verdachte was die met zijn schoenen tegen de deur van de kapperszaak heeft geduwd, kan op basis van de camerabeelden niet worden getrokken.

4.4.2.

Beoordeling door de rechtbank

Op de door de raadsman ter zitting getoonde bewegende camerabeelden is te zien dat drie personen bij de deur van de barbershop staan. Eén van hen zit aan de deurklink, een tweede zet zijn schoen tegen de deur en een derde staat er bij, maar distantieert zich niet. Op de beelden is te zien dat de persoon met de voet tegen de deur kracht zet en dat de deur aan de onderkant verbuigt. Gezien deze uiterlijke verschijningsvormen, is de rechtbank van oordeel dat deze erop wijzen dat de mannen het pand binnen wilden gaan, waarvoor op dat tijdstip slechts wederrechtelijke motieven konden bestaan.

De man in het midden is door vijf verbalisanten herkend als de verdachte. De rechtbank acht de herkenningen van de vijf verbalisanten dusdanig gedetailleerd en specifiek, dat deze voor het bewijs zullen worden gebruikt en acht bewezen dat de verdachte samen met twee anderen heeft gepoogd in te breken bij [naam winkel] .

4.4.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.5.

Feit 6

4.5.1.

Standpunt van de verdediging

De verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte in de woning is geweest. De verdenking is gebaseerd op een algemeen signalement waaraan de verdachte en zijn medeverdachte zouden voldoen en op het feit dat zij kort na het feit nabij de woning in een auto in het bezit van ballonnen en onder invloed van alcohol werden aangetroffen. Hier staat tegenover dat de verdachten bij een tweevoudige fotoconfrontatie niet zijn herkend door de beide aangevers. Ook heeft de aangeefster op 20 mei 2019 verklaard dat zij één van de personen uit de woning enkele weken eerder op straat had gezien. Beide verdachten zaten toen echter in voorlopige hechtenis.

4.5.2.

Beoordeling door de rechtbank

In de nacht van 23 maart 2019 worden aangevers [naam aangever 1] en [naam aangeefster] uit hun slaap gerukt en in hun woning geconfronteerd met twee mannen die er na de betrapping meteen vandoor gaan. Als signalement geven de aangevers op dat het twee mannen waren die Arabisch met elkaar spraken, beiden een groenkleurige jas aan hadden en ballonnetjes in hun mond. Eén van hen droeg een bril en ze roken allebei sterk naar alcohol. Uit het huis van de aangevers is niets weggenomen. Wanneer de politie de melding van de poging tot inbraak binnenkrijgt, gaan verbalisanten in de omgeving op zoek en treffen op de achterbank van een auto de verdachte en zijn medeverdachte aan. Zij dragen allebei een groenkleurige jas en ruiken sterk naar alcohol; in de auto liggen een aantal ballonnetjes en op de achterbank ligt een bril. Op het moment dat de verdachte uit de auto wordt gehaald, zette hij het op een lopen.

Een paar maanden na het voorval heeft een dubbele fotoconfrontatie (FOSLO) plaatsgevonden, waarbij de aangevers niet met zekerheid konden zeggen of de daders tussen de fotoselectie zaten. De rechtbank is van oordeel dat deze FOSLO niet als ontlastend bewijs kan worden aangemerkt, omdat het pas ontlastend zou zijn als aangevers zouden hebben aangegeven dat de daders zeker niet tussen de personen op de getoonde foto’s zaten. Het feit dat aangeefster [naam aangeefster] toen heeft aangegeven dat zij één van de daders enkele weken eerder had gezien bij een benzinestation, geeft eens te meer aan dat zij de personen die midden in de nacht in haar donkere woning stonden, niet duidelijk heeft gezien.

De rechtbank is gezien de eerder genoemde omstandigheden waaronder de verdachte is aangetroffen, van oordeel dat de verdachte samen met een ander in de woning van de aangevers is geweest. Het was midden in de nacht en de rechtbank kan dan ook geen andere conclusie trekken dan dat verdachte en zijn medeverdachte de woning waren binnengegaan om te kijken of zij daar wat konden stelen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de tenlastgelegde geweldshandelingen heeft (mede)gepleegd. De verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.5.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder 6 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.6.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

1.

hij, op 11 mei 2018 te Rotterdam,
opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekten vervoerd,
ongeveer 0.3 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.
hij, op 11 mei 2018 te Rotterdam,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 1,7 gram, althans 6 pillen van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3.

hij, op omstreeks 9 oktober 2018 te Rotterdam,

opzettelijk aanwezig heeft gehad een
hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde
MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4.

hij, in de periode van 31 december 2018 tot en met 1 januari 2019, te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
geld en/of goed(eren), die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan
verdachte en zijn mededader(s) toebehoorde(n), te weten aan [naam 1] en/of [naam bedrijf 2] ,
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en
dat/die weg te nemen goed/goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en inklimming,
- een gat heeft gemaakt in (een muur bestaande uit) gipsplaten naast de toegangsdeur en
- deuren kapot heeft gemaakt en een roldeur van een kast heeft opengebroken en die roldeur heeft verbogen en
- heeft getracht kasten open te breken en lades heeft doorzocht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.
hij, op 25 december 2018, te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders
voorgenomen misdrijf om geld en/of goed(eren), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde(n), te weten aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam winkel] , weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak,
met geschoeide voeten tegen de deur heeft gedrukt/geduwd en vervolgens (een ruit van) de voordeur kapot heeft gemaakt en het slot van de voordeur kapot heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6.

hij op 23 maart 2019 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader
voorgenomen misdrijf om
gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning,
enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan
aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 2]
en/of [naam slachtoffer 3] ,
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
- die woning heeft betreden en
- de trap is opgelopen naar de eerste etage van die woning en
- de woonkamer van die woning in is gelopen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

3. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

4. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking of inklimming

5. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

6. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering van de maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie pogingen tot diefstal in vereniging, waarbij hij éénmaal midden in de nacht in een woning is geweest en door de aangevers is betrapt. Bij twee van deze inbraken hebben de verdachte en zijn mededader(s) flinke schade veroorzaakt aan de panden. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij door het plegen van dit soort feiten een ernstige inbreuk op het eigendomsrecht van de slachtoffers heeft gemaakt en daarbij enkel aan zijn eigen (financiële) gewin heeft gedacht. Naast het gegeven dat de gepleegde feiten overlast en financiële schade veroorzaken, levert dit soort feiten gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en in de samenleving op. Daarnaast vallen woninginbraken onder de noemer ‘high impact crime’ die een grote inbreuk op de privacy van de bewoners maken en over het algemeen een zeer grote impact op de slachtoffers hebben, zoals ook blijkt uit de verklaringen van de beide slachtoffers.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan drie Opiumwetfeiten, namelijk het afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne, waarbij het klaarblijkelijk de intentie van de verdachte was om deze te verkopen, en het voorhanden hebben van MDMA. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers ervan vormt. Daarnaast zorgen harddrugs maatschappelijk gezien voor veel schade. De mensen die afhankelijk zijn van deze drugs veroorzaken veel overlast en schade om deze drugs te kunnen bekostigen. Daarbij komt dat de handel in harddrugs zich afspeelt in een crimineel circuit waarin het gebruik van (excessief) geweld geen uitzondering is. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij aan de instandhouding hiervan heeft bijgedragen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 juni 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 juni 2019. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Uit het reclasseringsdossier van de verdachte blijkt dat hij al op jonge leeftijd in aanraking kwam met justitie en dat hij sindsdien, al dan niet onder invloed van een negatief netwerk, op het criminele pad is gebleven. Hij pleegt vooral vermogensdelicten die voor hem een (extra) bron van inkomsten lijken.

Uit het reclasseringsdossier blijkt dat er op diverse leefgebieden problemen zijn. Er is geen sprake van een stabiele huisvesting en dagbesteding en er is sprake van een forse schuldenproblematiek en middelengebruik.

De medewerking van de verdachte met de reclassering en andere organisaties zoals het NIFP is wisselend. Om die reden is er tot nu toe nog geen volledige diagnose gesteld en is het niet exact bekend van welke problematiek sprake is. De tot nu toe ingezette begeleiding en behandeling in ambulant kader hebben tot op heden niet geleid tot een structurele gedragsverandering. Mogelijk door onwil, maar het vermoeden bestaat ook dat er in hoge mate sprake is van onmacht.

Het risico op recidive kan niet worden ingeschat, omdat de verdachte niet met de reclassering in gesprek wil gaan en hij zich tijdens het verhoor bij de politie op zijn zwijgrecht beroept. Echter, gezien het delict verleden van de verdachte is de kans op recidive aanwezig. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat op gemiddeld, omdat de samenwerking met de reclassering tot nu toe zeer wisselend is verlopen.

Advies

Indien de verdachte schuldig wordt bevonden, adviseert de reclassering de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Gezien de voorgeschiedenis van de verdachte, wordt op dit moment geen andere mogelijkheid gezien. De ISD-maatregel wordt door de reclassering gezien als de meest aangewezen manier om stabiliteit in het leven van de verdachte te verkrijgen en om het patroon van terugvallen in delictgedrag te doorbreken. De hoge justitiële druk van de ISD-maatregel in combinatie met de duur van de maatregel, is naar de zienswijze van de reclassering de enige mogelijkheid om een positieve gedragsverandering te bewerkstelligen. Daarnaast wordt de maatregel ter beveiliging van de maatschappij gewenst.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

ISD (artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht)

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 juni 2019 in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. De onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank stelt vast dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is beëindigd.

Voorts onderschrijft de rechtbank de conclusies van de reclassering dat oplegging van de ISD-maatregel is aangewezen.

Gelet op de door hem steeds weer veroorzaakte overlast en schade staat nu het belang van de samenleving voorop. De veiligheid van personen en goederen vereist dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de maatregel er mede toe strekt de maatschappij te beveiligen en de recidive van verdachte te beëindigen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen maatregel passend en geboden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast aan de verdachte de door de officier van justitie gevorderde maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, in relatie tot de aangevers van feit 6, op te leggen heeft gekoppeld. De rechtbank is namelijk van mening dat er geen reden is om aan te nemen dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit jegens deze personen zal plegen.

8 Vorderingen van de benadeelde partijen

8.1.

[naam benadeelde 1] namens [naam bedrijf 1]

Als benadeelde partij heeft [naam benadeelde 1] zich namens [naam bedrijf 1] ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.587,22 aan materiële schade.

8.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt niet dat [naam benadeelde 1] gemachtigd is deze namens [naam bedrijf 1] in te dienen. Het aanhouden van de zaak om een uittreksel van de Kamer van Koophandel te verkrijgen, zou een onevenredige belasting van het strafproces inhouden en daarom moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.1.2.

Standpunt van de verdediging

De vordering moet niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet uit de stukken blijkt dat [naam benadeelde 1] gemachtigd is deze namens [naam bedrijf 1] in te dienen.

8.1.3.

Beoordeling door de rechtbank

Uit de door de benadeelde partij overlegde stukken blijkt niet dat [naam benadeelde 1] gemachtigd is namens [naam bedrijf 1] een vordering in te dienen. Een verdere behandeling van de vordering van de benadeelde partij zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarin om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.1.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

8.2.

[naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft [naam benadeelde 2] zich ter zake van het onder 6 ten laste gelegde feit in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 500,00 aan immateriële schade.

8.2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering kan in het geheel worden toegewezen.

8.2.2.

Standpunt van de verdediging

Vanwege de bepleite vrijspraak voor feit 6 heeft de verdediging verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

8.2.3.

Beoordeling door de rechtbank

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Nu de ten laste gelegde geweldshandelingen niet bewezen zijn verklaard, zal die schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan vergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 23 maart 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.2.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Vorderingen tenuitvoerlegging

10/107230-18

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 6 september 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van twee diefstallen in vereniging veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan een gedeelte groot 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 21 september 2018 en loopt tot en met 19 september 2020.

9.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

9.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat een toewijzing in strijd met de gedachte van de ISD zou zijn.

9.4.

Beoordeling door de rechtbank

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging echter afwijzen, omdat een toewijzing daarvan naast het opleggen van de ISD-maatregel niet opportuun wordt geacht.

10/651025-16

9.5.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 23 september 2016 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal met geweld in vereniging veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan een gedeelte groot 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 8 oktober 2016 en loopt tot en met 7 oktober 2020.

9.6.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

9.7.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat een toewijzing in strijd met de gedachte van de ISD zou zijn.

9.8.

Beoordeling door de rechtbank

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging echter afwijzen, omdat een toewijzing daarvan naast het opleggen van de ISD-maatregel niet opportuun wordt geacht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38m, 38n, 45, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;


gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 250,00 (hoofdsom, zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 250,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 23 september 2016 van de politierechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 6 september 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

en mrs. G.M. Munnichs en H. Dunsbergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 11 mei 2018 te Rotterdam,
opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt
en/of vervoerd,
ongeveer 0.3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in
de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.
hij, op of omstreeks 11 mei 2018 te Rotterdam, althans in
Nederland
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 1,7 gram, althans 6 pillen in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA, zijnde MDMA
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.

hij, op of omstreeks 9 oktober 2018 te Rotterdam, opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 1 gram, in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde
MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine) en/of MDA
(tenamfetamine) en/of MDEA (3,4-methyleendioxy-
methamfetamine, synoniem N-ethyl-MDA), een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

4.

hij, in of omstreeks de periode van 31 december 2018 tot en met 1 januari 2019, te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
geld en/of goed(eren), die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam 1] en/of [naam bedrijf 2] ,
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of
dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,
- een gat heeft gemaakt in (een muur bestaande uit) gipsplaten naast de toegangsdeur en/of
- deuren kapot heeft gemaakt en/of een roldeur van een kast heeft opengebroken en/of die roldeur heeft verbogen en/of
- heeft getracht kasten open te breken en/of lades heeft doorzocht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.
hij, op of omstreeks 25 december 2018, te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om geld en/of goed(eren), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam winkel] , weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of
dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking,
met geschoeide voeten tegen de deur heeft gedrukt/geduwd en/of vervolgens (een ruit van) de voordeur kapot heeft gemaakt en/of het slot van de voordeur kapot heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6.

hij op of omstreeks 23 maart 2019 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om
gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning,
alcohol, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan
aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan G.F.A.
[naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] ,
weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
- het kracht tegen de voordeur van de woning aan de Herlaerstraat 24B
heeft geduwd en/of
- die woning heeft betreden en/of
- de trap is opgelopen naar de eerste etage van die woning en/of
- de woonkamer van die woning in is gelopen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd
van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 3] ,
gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,
aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door
- met kracht een arm van die [naam slachtoffer 3] vast te pakken en/of
- aan een arm van die [naam slachtoffer 3] te trekken en/of
- tegen een arm van die [naam slachtoffer 3] te slaan en/of
- die [naam slachtoffer 3] met kracht tegen een muur te duwen.