Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6713

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
10/054861-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een poging tot afpersing in vereniging en een oplichting in vereniging. Verdachte is eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld. Straf: 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/054861-19

Datum uitspraak: 16 juli 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht

raadsman mr. J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en de inspanningsverplichting tot het krijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte niet aan het door de aangever opgegeven signalement voldoet. Daarnaast bevat het dossier geen bewijsmiddelen die aantonen dat de verdachte ten tijde van de poging tot afpersing op de plaats van het delict was. Uit de gegevens van het telefoonnummer van de verdachte blijkt niet waar hij zich ten tijde van de overval bevond en het telefoonnummer waarmee de aangever met de verkoper van de scooter communiceerde, was niet in gebruik bij de verdachte. Ook is de storting van het bedrag van € 250,00 door de aangever op de rekening van de verdachte geen aanwijzing dat hij bij de overval aanwezig was.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het plaatsen van de advertentie, noch met de inhoud daarvan. Het enkele feit dat de aangever zijn aanbetaling op de rekening van de verdachte heeft gestort, is onvoldoende om bewezen te verklaren dat hij de oplichting heeft (mede)gepleegd.

4.1.2.

Beoordeling door de rechtbank

Op 18 januari 2019 heeft aangever [naam aangever] een afspraak met de verkoper van een scooter die op Marktplaats te koop was aangeboden. Hij had deze afspraak met de verkoper gemaakt via het in de advertentie vermelde telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Voor deze scooter zou hij € 2.000,00 betalen en op 9 januari 2019 heeft hij een aanbetaling van € 250,00 overgemaakt op de door de verkoper opgegeven bankrekening op naam van [naam verdachte] . Op de afgesproken plek ziet hij –het is dan rond 20.30 uur- drie jongens staan en wanneer hij hen aanspreekt, wordt hij vrijwel direct in zijn gezicht gespoten met een bijtende stof en wordt hij geslagen en gestompt. Eén van de jongens schreeuwt naar hem dat hij het geld af moet geven. Wanneer de zus van aangever ziet dat haar broer in elkaar wordt geslagen, begint zij te schreeuwen, loopt op de jongens af waarna de jongens wegrennen.

Naar aanleiding van de aangifte van [naam aangever] is de politie een onderzoek gestart en is begonnen bij het rekeningnummer waarop [naam aangever] de aanbetaling had gestort. Dit blijkt een rekening te zijn op naam van de verdachte. De verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat hij op verzoek van een vage kennis geld heeft laten storten op zijn rekening. Later heeft hij verklaard dat het geld op verzoek van medeverdachte [naam medeverdachte] (verder: [naam medeverdachte] ) was gestort: het was een vriendendienst voor [naam medeverdachte] . De verdachte heeft ongeveer een half uur na ontvangst van de aanbetaling van [naam aangever] een bedrag van € 200,00 overgemaakt op de rekening van [naam medeverdachte] .

Uit de foto’s van de Marktplaats-advertentie blijkt de scooter een kenteken te hebben dat op naam van de moeder van [naam medeverdachte] heeft gestaan. [naam medeverdachte] heeft deze scooter op 7 november 2018 verkocht aan S.S. [naam] uit [plaats] . De eigenaar van de advertentie noemt zichzelf ‘ [schuilnaam] ’ en komt uit de regio Dordrecht. Dezelfde verkoper heeft op 23 november 2018 op Marktplaats ook Canada Goose jassen te koop aangeboden. Dergelijke jassen zijn bij een doorzoeking van de woning van [naam medeverdachte] aangetroffen. Het telefoonnummer dat bij deze advertenties werd vermeld, is telkens [telefoonnummer 1] .

De rechtbank gaat er van uit dat [naam medeverdachte] degene was die het nummer [telefoonnummer 1] in gebruik had.

Uit onderzoek naar de historische gegevens van de telefoonnummers van de verdachte en van [naam medeverdachte] is gebleken dat zij op 18 januari 2019 aan het begin van de avond vanuit Zwijndrecht naar Dordrecht zijn gegaan. Rond het tijdstip van de (poging) afpersing bevonden zij zich onder het bereik van zendmasten waarbinnen de plaats delict viel en daarna verplaatsten zij zich weer naar Zwijndrecht. Ook telefoonnummer [telefoonnummer 1] beweegt zich van Zwijndrecht naar Dordrecht en straalt aan op een zendmast in het gebied waar de afpersing plaatsvindt.

De verdachte heeft verklaard dat hijzelf een telefoon had met nummer [telefoonnummer 2] . Van dit nummer is vastgesteld dat het op 18 januari 2019 vanaf 19.56 uur gedurende bijna drie kwartier in de omgeving van de plaats delict was. De verdachte heeft ontkend dat hij toen daar was. De aanwezigheid van zijn telefoon daar was volgens de verdachte te verklaren uit het feit dat deze in de auto van [naam medeverdachte] was blijven liggen. De verdachte zei dat hij die avond wel zijn andere telefoon bij zich had. Dit betreft een toestel met nummer [telefoonnummer 3] . Ook van dit nummer is echter vastgesteld dat het om 19.56 in de omgeving van de plaats delict was. De verdachte kon hier geen verklaring voor geven.

Bij de rechter-commissaris is getuige [naam getuige] gehoord. Deze heeft toen de verklaring van [naam medeverdachte] bevestigd, inhoudende dat hijzelf, [naam medeverdachte] en de verdachte de gehele avond bij elkaar waren en toen samen in de buurt van Zwijndrecht hebben rondgereden. Uit de historische gegevens van de telefoon van [naam getuige] blijkt echter dat [naam getuige] ten tijde van de (poging) afpersing van aangever [naam aangever] in Rotterdam verbleef terwijl toen zowel de verdachte als [naam medeverdachte] blijkens de locatiegegevens van hun telefoons in Dordrecht waren. De rechtbank acht derhalve het door [naam getuige] aan de verdachte en [naam medeverdachte] verschafte alibi aantoonbaar onjuist.

Ten aanzien van de door aangever [naam aangever] genoemde lengte van degenen die hem aanvielen, merkt de rechtbank op geen doorslaggevend belang te hechten aan het feit dat de verdachte in werkelijkheid wat langer is dan [naam aangever] beschreef. De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat het op het moment van de afpersing donker was en dat het voorval van korte duur was.

De door de verdediging gevoerde bewijsverweren vinden naar het oordeel van de rechtbank hun weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.

Het voorgaande en de inhoud van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere conclusie leiden dan dat de verdachte samen met anderen aangever [naam aangever] heeft gepoogd af te persen op 18 januari 2019 en hem heeft opgelicht op 9 januari 2019. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook bewezen.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 18 januari 2019 te Dordrecht

op de openbare weg, de Giessenstraat,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer ]

weg te nemen

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

door geweld [naam slachtoffer ] te dwingen

tot de afgifte van geld, geheel toebehorende aan [naam slachtoffer ],

- traangas in de richting van die [naam slachtoffer ] heeft gespoten en

- die [naam slachtoffer ] op zijn hoofd en in zijn zij heeft geslagen en gestompt en

- dat traangas in het gezicht van die [naam slachtoffer ] heeft gespoten en

- aan die [naam slachtoffer ] de woorden heeft toegevoegd "waar is het geld, geef het geld",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij in de periode van 7 januari 2019 tot en met 9 januari

2019 te Dordrecht en/of Zwijndrecht,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en door listige kunstgrepen en door een

samenweefsel van verdichtsels,

[naam slachtoffer ] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te

weten de afgifte van 250 euro, door

- zich op de internetsite www.marktplaats.nl voor te doen als bonafide

verkoper van een scooter, merk Vespa, type sprint en

- een aanbetaling van 250 euro voor die scooter te vragen en

- zich (aldus) voor te doen als iemand die na ontvangst van (volledige)

betaling voornemens was tot levering van die scooter over te gaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

2 primair oplichting in vereniging

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting en een poging tot afpersing. De verdachten hebben op Marktplaats een advertentie geplaatst waarin een scooter te koop werd aangeboden, waarvan zij wisten dat die niet geleverd zou kunnen worden omdat, de scooter een paar maanden eerder al was verkocht. Onder andere slachtoffer [naam slachtoffer ] heeft op deze advertentie gereageerd en kwam in contact met de verdachten. Hij zou voor de scooter een bedrag van € 2.000,00 betalen en hij heeft op 9 januari 2019 een aanbetaling gedaan. Toen het slachtoffer - in een gehuurd busje samen met zijn zus – op 18 januari 2019 bij de afgesproken plek aankwam om de scooter op te halen en de verdachten aansprak, werd hij vrijwel direct met pepperspray in zijn gezicht gespoten en mishandeld en werd tegen hem gezegd dat hij zijn geld moest afgeven. Toen de zus van het slachtoffer zag dat haar broer in elkaar werd geslagen, begon zij te schreeuwen en zijn de verdachten weggerend.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een tweetal feiten die op het slachtoffer in de onderhavige zaak een zeer grote impact hebben gehad. Uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer, blijkt hoezeer hij nog steeds last ondervindt van wat hem begin van dit jaar is overkomen. Daarnaast leiden dergelijke feiten in het algemeen tot veel onrust in de samenleving.

De verdachte heeft door het plegen van de feiten blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en eigendommen van anderen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 juni 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 mei 2019. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De reclassering is van mening dat zich in het leven van de verdachte diverse problemen afspelen. Er is sprake van meerdere criminogene factoren, zoals het ontbreken van een diploma, werk en inkomen, zijn vriendengroep/sociale netwerk en zijn denkpatronen, gedrag en houding.

De verdachte omschrijft zichzelf als een beïnvloedbare jongen. Daarnaast is hij onzeker door zijn haarverlies. Hij is niet eerder op het idee gekomen om een training en/of behandeling te volgen om mogelijk standvastiger in zijn schoenen te kunnen staan of minder onzeker te worden. Naar eigen zeggen belemmert zijn komende kaalheid hem in het zoeken naar de juiste baan, omdat hij graag een petje draagt. Als beschermende factor is de moeder van de verdachte te noemen, die het beste met hem voor heeft en hem onvoorwaardelijk steunt.

Het risico op recidive, letselschade en onttrekken aan voorwaarden kan niet worden ingeschat.

De reclassering adviseert het commune strafrecht toe te passen, omdat op basis van het onderzoek geen aanleiding wordt gezien tot het adviseren van interventies vanuit het jeugdstrafrecht.

In geval van een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:

- meldplicht bij de reclassering;

- ambulante behandeling voor zijn beperkte zelfinzicht, denkwijzen, gedrag en houding;

- op actieve wijze deelnemen aan verkrijgen en houden van een zinvolle dagbesteding.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat deze eis naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het gepleegde geweld en de doortrapte wijze waarop de verdachten te werk zijn gegaan. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf is aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en waarbij sprake was van meerdere daders, het gebruik van een wapen in de vorm van pepperspray en gebruik van fysiek geweld.

Omdat de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering van de benadeelde partij

Ter zake van het ten laste gelegde heeft [naam benadeelde] zich namens het slachtoffer [naam slachtoffer ] als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 368,96 aan materiële schade en een vergoeding van € 650,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de gehele vordering toe te wijzen.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het deel van de vordering dat betrekking heeft op de huur van het busje niet kan worden toegewezen, omdat dit geen rechtstreekse schade betreft. Voor het overige heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

8.3.

Beoordeling door de rechtbank

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht door de bewezen verklaarde strafbare feiten. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat ook de huur van het busje rechtstreekse schade betreft. Het materiële deel van de vordering zal in het geheel worden toegewezen.

Daarnaast is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Deze schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op het gevorderde bedrag van € 650,00, gezien het tegen de benadeelde partij gebruikte geweld en de impact die de feiten op de benadeelde partij hebben gehad en nog steeds hebben.

Omdat de verdachte de strafbare feiten samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 januari 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.018,96, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 63, 317 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft – voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde -, met name aan de nadere aanwijzingen en afspraken die verband houden met de bijzondere voorwaarden. Daartoe moet de veroordeelde zich melden bij de reclassering. Hierna moet hij zich binnen de proeftijd blijven melden, zo lang en zo frequent als deze instelling dit nodig heeft;

2. de veroordeelde wordt verplicht zich te laten behandelen voor zijn beperkte zelfinzicht, zijn denkwijzen, gedrag en zijn houding. Daarnaast voor zijn beïnvloedbaarheid, het stellen van grenzen, het vergroten van zijn assertiviteit, zijn beperkte zelfvertrouwen en keuzes die hij tot op heden maakt.

Deze behandeling zal plaatsvinden bij de forensische polikliniek De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. de veroordeelde wordt verplicht op een actieve wijze deel te nemen aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding. Hij geeft openheid van zaken over zijn sociale netwerk/vrienden waarmee hij omgaat. Indien ten tijde van het toezicht blijkt dat extra hulpverlening wenselijk is op het gebied van softdruggebruik, krijgt de veroordeelde de inspanningsverplichting hieraan op positieve wijze zijn medewerking te verlenen;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.018,96 (zegge: duizend achttien euro en zesennegentig eurocent), bestaande uit € 368,96 aan materiële schade en € 650,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.018,96 (hoofdsom, zegge: duizend achttien euro en zesennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.018,96 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

en mrs. G.M. Munnichs en H. Dunsbergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 18 januari 2019 te Dordrecht

op de openbare weg, de Giessenstraat,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer ] ,

weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te

doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer ] ,

te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te

bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,

aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer ] te dwingen

tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer ] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededaders,

- traangas, in elk geval een stekende / bijtende spray / vloeistof, in de

richting van die [naam slachtoffer ] heeft gespoten en/of

- die [naam slachtoffer ] op zijn hoofd en/of in zijn zij heeft geslagen en/of

gestompt en/of

- dat traangas, in elk geval die stekende / bijtende spray / vloeistof, in

het gezicht van die [naam slachtoffer ] heeft gespoten en/of

- aan die [naam slachtoffer ] de woorden heeft toegevoegd "waar is het geld, geef

het geld", althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard en/of

strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij in of omstreeks de periode van 7 januari 2019 tot en met 9 januari

2019 te Dordrecht en/of Zwijndrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse

hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels,

[naam slachtoffer ] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het

verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het

aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te

weten de afgifte van 250 euro, door

- zich op de internetsite www.marktplaats.nl voor te doen als bonafide

verkoper/aanbieder van een scooter, merk Vespa, type sprint en/of

- een aanbetaling van 250 euro voor die scooter te vragen en/of

- zich (aldus) voor te doen als iemand die na ontvangst van (volledige)

betaling voornemens was tot levering van die scooter over te gaan

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[naam medeverdachte] en /of een of meer onbekend gebleven mededader(s) op tijdstippen in de periode van 7 januari 2019 tot en met 9 januari 2019 te Dordrecht en/of Zwijndrecht, althans in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels [naam slachtoffer ] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van 250 euro, hebbende die [naam medeverdachte] en/of zijn mededader(s) toen aldaar telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- op de internetsite Marktplaats.nl zich voorgedaan als aanbieder en/of verkoper van een scooter, merk Vespa, type sprint, en/of

- zich voorgedaan als bonafide verkoper en/of

- de indruk gewekt dat hij/zij bovengenoemde scooter in het bezit had(den) en/of

- voornoemde aangever voorgehouden/beloofd dat hij/zij genoemde scooter zou(den) leveren na betaling/overschrijving op een genoemd rekeningnummer

waardoor bovengenoemde aangever (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 07 januari 2019 tot en met 9 januari 2019 te Dordrecht en/of Zwijndrecht, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- zijn rekeningnummer te verschaffen en ter beschikking te stellen aan die [naam medeverdachte] en/of die

onbekend gebleven mededader(s) en

- genoemd geldbedrag (vervolgens) over te maken aan die [naam medeverdachte] en/of een ander.