Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6551

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
10/003297-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voorhanden hebben vuurwapen. Er sprake van een onherstelbaar vormverzuim. De binnentreding en daaropvolgende doorzoeking in de woning van de verdachte hebben onrechtmatig plaatsgehad met bewijsuitsluiting als gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/003297-19

Datum uitspraak: 10 juli 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. A.M. Ruige, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er zijn een vuurwapen, patroonhouder en munitie aangetroffen in de woning van de verdachte en de verdachte bekent dit ook.

Volgens de officier van justitie waren het binnentreden en de daaropvolgende doorzoeking rechtmatig. Er is bij de politie informatie binnengekomen dat de verdachte een wapen had. Dergelijke informatie levert al snel een verdenking op. De informeert heeft weliswaar betrekking op eind 2017, maar is pas een jaar later bij de politie terecht gekomen. De politie heeft vervolgens – zoals van haar verwacht mag worden – direct geacteerd. De officier verwijst hierbij naar het arrest van het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2016:3804) waarin het hof heeft geoordeeld dat een doorzoeking op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie (WWM) rechtmatig heeft plaatsgevonden. Ook in die zaak was de doorzoeking gebaseerd op een melding van circa een jaar geleden. Mocht al sprake zijn van een verzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dan is de vraag in welk belang de verdachte is geschonden. Het enkele feit dat een strafbaar feit wordt ontdekt, is niet een rechtens te beschermen belang. Nu geen belangrijk strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate is geschonden, kan, als de rechtbank zou menen dat er sprake is van een vormverzuim, worden volstaan met de enkele constatering van de schending.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.

Hiertoe is aangevoerd dat het binnentreden en de daarop volgende doorzoeking ter inbeslagname op grond van artikel 49 WWM in de woning van de verdachte onrechtmatig zijn geweest. Dit is in strijd is met het geschonden belang, namelijk het recht op privacy/het huisrecht. Derhalve is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, wat dient te leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat het gevolg is geweest van deze onrechtmatige binnentreding en doorzoeking. Wegens het ontbreken van voldoende ander wettig en overtuigend bewijs dient dit vervolgens te leiden tot vrijspraak van het ten laste gelegde.

4.1.3.

Beoordeling

Ingevolge artikel 359a Sv kan de rechtbank, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde feiten. Bewijsuitsluiting kan slechts aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsvergaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

De eerste vraag die thans voorligt, is de vraag of sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. De rechtbank is het met de verdediging eens dat het binnentreden en de daaropvolgende doorzoeking van de woning van de verdachte op 29 december 2018 onrechtmatig hebben plaatsgehad.

Op 24 december 2018 heeft het Team Openbare Orde Inlichtingen (TOOI) een proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal staat dat een informant recent informatie heeft verstrekt inhoudende dat eind 2017 is gezien dat de verdachte in het bezit was van een vuurwapen en dat hij dit in een heuptasje bij zich droeg. Naar aanleiding van deze informatie is de politie op 29 december 2018 de woning van de verdachte binnengetreden en heeft zij de woning van de verdachte buiten diens aanwezigheid doorzocht. Hierbij is inderdaad een vuurwapen met bijbehorende munitie aangetroffen.

De rechtbank stelt voorop dat de door de politie toegepaste dwangmiddelen moeten worden getoetst aan de vereisten van proportionaliteit (staat het dwangmiddel in verhouding tot de ernst van het feit?) en subsidiariteit (had er gekozen kunnen worden voor een ander, minder ingrijpend, dwangmiddel?). Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het binnentreden en de daaropvolgende doorzoeking niet aan deze eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, omdat deze dwangmiddelen niet te rechtvaardigen zijn door de van een onbekende persoon afkomstige TOOI-informatie dat de verdachte een jaar eerder is gezien met een wapen en niet is gebleken van bijkomende omstandigheden die de doorzoeking rechtvaardigen. Zo zijn deze dwangmiddelen evenmin te rechtvaardigen door bijvoorbeeld de documentatie van de verdachte. De urgentie van de toegepaste dwangmiddelen is de rechtbank uit het dossier niet gebleken. De politie had naar het oordeel van de rechtbank voor een minder ingrijpend optreden kunnen en moeten kiezen door bijvoorbeeld eerst de verdachte in de gelegenheid te stellen het wapen uit te leveren.

Het binnentreden en de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn schendingen van een fundamenteel recht, namelijk het recht op privacy/het huisrecht. Dit is ook het geschonden belang. De rechtbank acht deze schending dusdanig ernstig dat slechts bewijsuitsluiting op zijn plaats is. Dit betekent dat het proces-verbaal van de doorzoeking ( [proces-verbaalnummer] ) wordt uitgesloten van het bewijs, met het gevolg dat alleen de bekennende verklaring van de verdachte als bewijs overblijft. Deze verklaring vloeit echter voort uit de doorzoeking die de rechtbank onrechtmatig acht. Bovendien is die enkele verklaring onvoldoende voor een veroordeling van het ten laste gelegde, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

4.1.4.

Conclusie

Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5 In beslag genomen voorwerpen

5.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen, te weten een vuurwapen (goednummer [beslagnummer 1] ), een magazijnhouder met 9 kogelpatronen (goednummer [beslagnummer 2] ), munitie (goednummer [beslagnummer 3] ) en een kapmes (goednummer [beslagnummer 4] ), te onttrekken aan het verkeer.

5.2.

Beoordeling

De in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

6 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer: vuurwapen (goednummer [beslagnummer 1] ), magazijnhouder met 9 kogelpatronen (goednummer [beslagnummer 2] ), munitie (goednummer [beslagnummer 3] ) en het kapmes (goednummer [beslagnummer 4] );

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzitter,

en mrs. G.M. Munnichs en A.A.T. Werner, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 29 december 2018 te Vlaardingen

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk FN Herstal 1922, kaliber 7.65mm, met bijbehorende munitie, te weten 66 kogelpatronen, kaliber 7.65mm, en een magazijnhouder met 9 kogelpatronen, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad.