Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6497

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
C/10/570819 / KG ZA 19-270
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:1329, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:2479
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Publicatieverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/570819 / KG ZA 19-270

Vonnis in kort geding van 7 mei 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. J.A.K. van den Berg te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. S. van Buuren te Westmaas.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties 1 tot en met 3;

  • -

    de mondelinge behandeling op 28 maart 2019;

  • -

    het proces-verbaal van 28 maart 2019, waarbij het ter comparitie door [gedaagde] gedane wrakingsverzoek van de voorzieningenrechter tot uitdrukking is gebracht;

  • -

    de beslissing van de meervoudige kamer voor wrakingszaken van deze rechtbank van 12 april 2019, waarbij het wrakingsverzoek van [gedaagde] van de voorzieningenrechter is afgewezen en waarbij voorts de wrakingsverzoeken van mr. Wilbers-Taselaar en van de gehele wrakingskamer buiten behandeling zijn gesteld vanwege evident misbruik van recht en waarbij het verzoek van [gedaagde] tot verwijzing van de behandeling van het wrakingsverzoek naar een andere rechtbank is afgewezen;

  • -

    het e-mailbericht van 23 april 2019 van mr. Van den Berg, met als bijlage een brief en productie 4;

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling op 25 april 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser] is de directeur van de besloten vennootschap [naam vennootschap] (hierna: [naam vennootschap] ) en tevens presentator van het door [naam vennootschap] geproduceerde televisieprogramma ‘ [naam televisieprogramma] ’ (hierna: het televisieprogramma).

2.2.

In 2011 is in het televisieprogramma aandacht besteed aan spermadonoren die op internet actief zijn en aan [gedaagde] in het bijzonder. [gedaagde] heeft geprobeerd de uitzending van dit programma te voorkomen. Bij vonnis van 18 oktober 2011 is zijn vordering daartoe door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam afgewezen.

2.3.

Vervolgens heeft [gedaagde] een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen onder andere [eiser] en [naam vennootschap] . In deze procedure vorderde hij (onder meer) een verklaring voor recht dat de uitzending jegens hem onrechtmatig was en afgifte van de door [eiser] / [naam vennootschap] gemaakte opnames. Bij vonnis van 4 december 2013 heeft de rechtbank Amsterdam deze vorderingen afgewezen.

2.4.

Tegen genoemd vonnis heeft [gedaagde] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 6 mei 2014 heeft het gerechtshof Amsterdam [eiser] en [naam vennootschap] ontslagen van instantie.

2.5.

Op 31 december 2016 heeft [gedaagde] een procedure aanhangig gemaakt en herziening van het vonnis van 4 december 2013 gevorderd op basis van de stelling dat er in die procedure bedrog zou zijn gepleegd. In deze procedure heeft [eiser] op 27 maart 2019 een conclusie van dupliek genomen.

2.6.

Op 2 juni 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam tussen partijen een vonnis op tegenspraak gewezen. Dat vonnis luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

4. De beoordeling

(…)

Onrechtmatige daad

(…)

4.9. (…)

De door [eiser] gestelde bedreiging van publicatie door [gedaagde] berust daarmee alleen op voormelde verklaring van ‘ [naam persoon] ’ over de inhoud van het telefoongesprek met [gedaagde] , hetgeen in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] van de juistheid van die verklaring, onvoldoende is om in dit kort geding van de juistheid van de verklaring van ‘ [naam persoon] ’ uit te kunnen gaan. Daar komt bij dat [gedaagde] ter terechtzitting op de vraag van de voorzieningenrechter of hij voornemens is om op enig moment de bij hem over [eiser] bekende gegevens op het internet te plaatsen of elders te publiceren, heeft geantwoord dat hij zal handelen naar hetgeen mr. De Gruijl hem op dat punt adviseert en dat mr. De Gruijl ter terechtzitting in reactie daarop heeft verklaard dat hij [gedaagde] adviseert geen adresgegevens van [eiser] te publiceren. Uit het verdere betoog van mr. De Gruijl in dit verband, waarbij is gesteld dat een dergelijke publicatie tot een veroordeling in kort geding tot verwijdering van die publicatie zou leiden, begrijpt de voorzieningenrechter overigens dat wordt ingezien dat met een publicatie van de privé-adresgegevens van [eiser] , in de door [eiser] geschetste situatie, onrechtmatig jegens [eiser] zou worden gehandeld.

4.10.

Nu [eiser] in dit geding evenwel onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] tijdens het telefoongesprek op 23 mei 2014 heeft gedreigd met de openbaarmaking van adresgegevens van [eiser] en tot op heden ook niet is gebleken van een dergelijke openbaarmaking door [gedaagde] terwijl [gedaagde] al een aantal jaren over die gegevens beschikt, is de voorzieningenrechter, een en ander in samenhang met het verhandelde ter terechtzitting bezien, van oordeel dat [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat thans een openbaarmaking van de adresgegevens van [eiser] door [gedaagde] dreigt. In die situatie heeft [eiser] onvoldoende (spoedeisend) belang bij het gevorderde publicatieverbod. Ook deze vordering en hetgeen [eiser] nog overigens heeft gevorderd, zullen daarom worden afgewezen.”

2.7.

Op 25 maart 2019 heeft [gedaagde] telefonisch contact opgenomen met de advocaat van [eiser] , onder andere om aan [eiser] mede te delen dat [gedaagde] over [eiser] zal gaan publiceren. Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft de advocaat op 26 maart 2019 per sms onder meer het volgende geschreven aan [gedaagde] :

“Ik herhaal voor de goede orde dat het u vanzelfsprekend vrij staat te publiceren wat u wil binnen de kaders waarmee u goed bekend bent. Ik bracht al eerder in herinnering dat u de rechter beloofd hebt de adresgegevens van de heer [eiser] niet te publiceren. Ik ga ervan uit dat u zich aan die belofte zult houden.”

2.8.

In reactie hierop heeft [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] het volgende bericht:

“Wil je het nieuwe KG voor of na publicatie starten?”

2.9.

Hierop heeft de advocaat van [gedaagde] onder meer aan [gedaagde] geschreven:

“Ik heb u alleen in herinnering gebracht dat u een belofte hebt gedaan m.b.t. de privé-adresgegevens van de heer [eiser] . U vraagt nu wanneer wij een kort geding wensen te voeren. Moeten wij daaruit opmaken dat u uw belofte aan de rechter wil breken?

Ik verzoek u mij voor 16 uur vanmiddag te bevestigen dat u zich zult onthouden van het publiceren van de privé-adresgegevens van de heer [eiser] . Doet u dat niet, dan rest mij helaas geen andere optie dan de gang naar de kort geding rechter.”

2.10.

Vervolgens heeft [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] bericht:

“Ik zie de dgv graag tegemoet.”

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. [gedaagde] te bevelen zich met onmiddellijke ingang na het wijzen van dit vonnis te onthouden van de publicatie – in welke vorm en op welke plaats dan ook – van persoonlijke (adres)gegevens van [eiser] ;

2. [gedaagde] te gebieden om onmiddellijk na betekening van dit vonnis de persoonlijke (adres)gegevens van [eiser] te (doen) verwijderen van elke website en/of ander medium waarop of waarin hij die openbaar gemaakt heeft en deze gegevens daarvan verwijderd te houden;

3. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 50.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in strijd handelt met het onder sub 1 en/of onder sub 2 gevorderde;

4. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.

Op 25 maart 2019 heeft [gedaagde] aangekondigd publicaties over [eiser] te zullen doen. Hoewel daartoe verzocht, heeft [gedaagde] niet willen bevestigen dat hij zijn eerdere toezegging om geen persoonlijke adresgegevens van [eiser] te publiceren, gestand zal doen. [eiser] stelt dat het publiceren van persoonlijke gegevens een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer en daarom onrechtmatig is, omdat bekenmaking van deze gegevens mogelijk kan leiden tot bedreigingen op zijn privéadres (naast bedreigingen op zijn kantooradres). Volgens [eiser] heeft hij daarom recht op en belang bij oplegging van een publicatieverbod aan [gedaagde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voor het geval [gedaagde] in de aanloop naar dit kort geding reeds tot publicatie is overgegaan, heeft [eiser] belang bij oplegging van een gebod aan [gedaagde] dat strekt tot het verwijderen en het verwijderd houden van die gegevens.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven.

4.2.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stelling van [eiser] dat publicatie van zijn persoonlijke adresgegevens kan leiden tot bedreigingen op zijn privéadres.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat namens [eiser] ter zitting desgevraagd bevestigd is dat de vorderingen onder 1 en 2 alleen zien op een publicatieverbod van de persoonlijke adresgegevens van [eiser] (en niet van andere persoonlijke gegevens van [eiser] ).

Ten aanzien van de vorderingen onder 1 en 3

4.4.

Het gaat in deze zaak om een botsing van grondrechten, te weten enerzijds het in artikel 10 GW en artikel 8 EVRM neergelegde grondrecht van [eiser] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en anderzijds het in artikel 7 GW en artikel 10 EVRM neergelegde grondrecht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle relevante omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat steeds voorrang toekomt aan het door artikel 10 GW en artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Voor de door artikel 7 GW en artikel 10 EVRM beschermde rechten op vrijheid van meningsuiting geldt hetzelfde. De toetsing dient in één keer te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230).

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] op 25 maart 2019 met de advocaat van [eiser] gebeld heeft en dat [gedaagde] tijdens dit telefoongesprek te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is over [eiser] te publiceren. Voorts staat vast dat de advocaat van [eiser] vervolgens aan [gedaagde] heeft gevraagd of hij zich zal houden aan zijn belofte aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in 2014 om geen persoonlijke adresgegevens van [eiser] te publiceren. Gebleken is dat [gedaagde] publicatie van die gegevens bevestigde noch ontkende en dat hij deze mogelijkheid openliet. Na genoemd telefoongesprek heeft de advocaat van [eiser] de kwestie per SMS nogmaals onder de aandacht van [gedaagde] gebracht en gevraagd te bevestigen dat hij geen persoonlijke adresgegevens van [eiser] zal publiceren. In reactie hierop heeft [gedaagde] enkel gereageerd dat hij de dagvaarding tegemoet ziet.

4.6.

Ter zitting heeft [gedaagde] te kennen gegeven dat hij (vooralsnog) geen concreet plan heeft om over [eiser] te publiceren. Overwogen wordt dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen aan de advocaat van [eiser] uitdrukkelijk te bevestigen dat hij niet tot publicatie van persoonlijke adresgegevens van [eiser] zou overgaan. Nu [gedaagde] dit heeft nagelaten én hij ter zitting op de vraag van de voorzieningenrechter of hij van plan was om op korte termijn persoonlijke adresgegevens van [eiser] te publiceren bevestigend noch ontkennend heeft geantwoord, is voldoende aannemelijk dat aan de zijde van [eiser] sprake is van een serieuze dreiging dat zijn persoonlijke adresgegevens door [gedaagde] gepubliceerd zullen worden. In dit oordeel is meegewogen dat partijen in diverse procedures verwikkeld zijn en dat in (één van) die procedures de publicatie van de persoonlijke adresgegevens van [eiser] ook aan de orde is geweest. Voorts is meegewogen dat in de onderhavige procedure niet betwist is dat publicatie van de persoonlijke adresgegevens van [eiser] onrechtmatig zou zijn. Onder deze omstandigheden brengt een afweging van de wederzijdse belangen van partijen met zich dat het belang van [eiser] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer dient te prevaleren. De voorzieningenrechter acht daarom een voorziening op zijn plaats en zal de vordering onder 1 toewijzen.

4.7.

Het publicatieverbod zal in duur worden beperkt tot vierentwintig maanden, te rekenen vanaf de datum van betekening van dit vonnis.

4.8.

Gelet op het hiervoor overwogene, inhoudende dat het op de weg van [gedaagde] lag om uitdrukkelijk te bevestigen dat hij niet tot publicatie van de persoonlijke adresgegevens van [eiser] zou overgaan, is er aanleiding om aan de gegeven veroordeling een dwangsom te verbinden. De gevorderde dwangsom onder 3 zal worden gematigd en gemaximeerd, zoals in de beslissing vermeld.

Ten aanzien van de vordering onder 2

4.9.

Omtrent de vordering onder 2 wordt overwogen dat [gedaagde] ter zitting heeft betwist dat hij persoonlijke adresgegevens van [eiser] op een website of op een ander medium heeft geplaatst. Nu ter zitting namens [eiser] is verklaard dat er thans geen persoonlijke adresgegevens door [gedaagde] op internet of een ander medium zijn aangetroffen, is onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde] persoonlijke adresgegevens van [eiser] heeft gepubliceerd. De vordering onder 2 wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

4.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,06

- griffierecht € 297,00

- salaris advocaat € 633,00

Totaal € 1.031,06

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde] zich gedurende vierentwintig maanden na betekening van dit vonnis te onthouden van de publicatie – in welke vorm en op welke plaats dan ook – van persoonlijke adresgegevens van [eiser] ;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.031,06;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2019. 2027 / 676