Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6455

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
13-08-2019
Zaaknummer
19.37 RK
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gefailleerde gaat in verzet tegen haar faillissementsvonnis.

Faillissement is op aanvraag schuldeiser uitgesproken.

Gefailleerde doet beroep op misbruik van recht.

Bij schuldeiser was bekend dat gefailleerde over geen enkele financiële middelen beschikte.

Verzet is ongegrond verklaard. Geen sprake van misbruik van recht. Gefailleerde is geen rechtspersoon en het faillissement is niet op eigen aangifte uitgesproken.

Bij de curator ligt de taak een onderzoek in te stellen naar het vermogen van gefailleerde.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2019-0098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

verzet ongegrond

insolventienummer [nummer]

uitspraakdatum: 17 juli 2019

Vonnis op het verzoekschrift van:

[naam] ,

wonende aan de [adres]

[woonplaats]

verzoekster,

advocaat: mr. P.A. Visser,

strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 18 juni 2019, waarbij zij op verzoek van:

de onderlinge waarborgmaatschappij met uitgesloten aansprakelijkheid

OWM CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A.,

gevestigd te Tilburg,

verweerster,

advocaat: mr. A.M. van Heest,

in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. A.M. van Kalmthout tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. E.J. Luten als curator.

1 De procedure

Het verzoekschrift is op 1 juli 2019 ter griffie ontvangen.

Bij bericht van 4 juli 2019 heeft de curator zijn bevindingen aan de rechtbank doen toekomen.

Door verweerster zijn op 8 juli 2019 nadere stukken aan de rechtbank verzonden.

Het verzoekschrift is ter zitting van 10 juli 2019 behandeld.

Daarbij zijn verschenen:

mr. P.A. Visser, advocaat, namens verzoekster;

mr. A.M. van Heest, advocaat, vergezeld van zijn kantoorgenoot mevrouw Mr. G.I. Niesert, namens verweerster, en

mr. E.J. Luten, curator.

Mr. Van Heest heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten:

2.1

Verzoekster geniet een ziektewetuitkering en is door de gemeente vrijgesteld van solli-

citatieplicht tot en met 23 januari 2020.

2.2

Verzoekster was bestuurster van een GGZ-instelling. Verzoekster en

deze GGZ instelling zijn civielrechtelijk onherroepelijk veroordeeld tot terugbetaling

van ten onrechte gedeclareerde zorg aan de betreffende zorgverzekeraars, waaronder

verweerster.

2.3

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) heeft verzoekster een forse boete opgelegd.

2.4

Verzoekster heeft een aanvraag WSNP bij de rechtbank ingediend. Deze aanvraag is .

door de rechtbank afgewezen en het Hof heeft de beslissing van de rechtbank

bekrachtigd.

2.5

De GGZ- instelling is failliet verklaard, welk faillissement inmiddels is

opgeheven bij gebrek aan baten.

3 De standpunten

3.1

De standpunten van verzoekster

Verzoekster heeft, verkort weergegeven, gesteld dat het verzoek tot faillietverklaring geen redelijk doel dient, nu zij niet over enig vermogen beschikt en zij niet in staat is te werken. Gezien de hoogte van haar inkomen is verzoekster niet in staat om maandelijks enig bedrag aan de boedel af te dragen. In de boedel zullen geen baten vloeien en de schulden zullen alleen maar toenemen. Verzoekster is destijds door de psychiater bij wie zij onder behandeling was benoemd tot bestuurder van een GGZ-instelling. Zij heeft echter geen invulling gegeven aan de bestuurstaken, evenmin heeft zij inkomsten gegenereerd. Desgevraagd wordt erkend dat de NZA verzoekster een forse boete heeft opgelegd.

Verweerster was er mee bekend dat verzoekster niet over financiële middelen beschikte. Verweerster heeft desondanks gepersisteerd bij het verzoek tot faillietverklaring. Dit levert misbruik van bevoegdheid op, aldus verzoekster. Verzoekster heeft hiervoor verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 18 december 2015 en 22 december 2017 (ECLI:NL:HR: 2015:3636 en ECLI:NL:HR:2017:3259). Verzoekster heeft de rechtbank gelet op vorenstaande gronden verzocht het verzet gegrond te verklaren en verweerster te veroordelen in de proces-, alsmede in de faillissementskosten.

3.2

De standpunten van verweerster

Verweerster heeft- verkort weergegeven- aangevoerd dat verzoekster betrokken is geweest bij een enorme fraude in zorgverzekeringsland. Verzoekster was voorheen bestuurster van [stichting] . Door verzoekster en/of de betrokken Stichting zijn declaraties bij zorgverzekeraars ingediend voor niet-verleende behandelingen en/of voor door niet-bevoegde zorgverleners verrichte behandelingen. Verzoekster is zowel civielrechtelijk, als bestuurs- en strafrechtelijk ter verantwoording geroepen. Verzoekster is vervolgens civiel- en bestuursrechtelijke veroordeeld. Via onherroepelijk civielrechtelijke vonnissen staat vast dat de Stichting en/of verzoekster, die als bestuurster verantwoordelijk was voor het reilen en zeilen van de Stichting, op onheuse gronden de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 214.859,15, waarvan een bedrag van € 141.462,15 van verweerster. Verweerster heeft getracht haar vordering door middel van executiemaatregelen te innen, maar verzoekster heeft zich verscholen achter een puike verdedigingslinie dat er bij haar niets te halen is. Een aanbod van de gemeentelijke kredietbank de vordering af te kopen voor een bedrag van € 295,94, zijnde 0,19% van de totale vordering heeft verweerster afgeslagen. Verweerster heeft, nu verzoekster verkeerde in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, het faillissement van verzoekster aangevraagd. Verzoekster kampt thans met een enorme schuldenlast, die zij niet ontkent. Verweerster betwist de gestelde misbruik van haar bevoegdheid. Verweerster had een rechtens te respecteren belang, tevens een maatschappelijk belang, bij het aanvragen van het faillissement van verzoekster. Verzoekster heeft een enorm bedrag onttrokken aan zorgverzekeraars en daarmee in feite aan de bij haar aangesloten verzekerden. Onder die omstandigheden bestaat het gerechtvaardigd belang daarin dat de curator een grondig onderzoek instelt naar de aanwezigheid van het vermogen van verzoekster. De curator zou met verweerster en andere crediteuren in contact kunnen treden om een boedelbijdrage te leveren om een eventueel onderzoek te faciliteren. Dat heeft de curator nog niet gedaan. Verweerster verzoekt daarom de rechtbank het faillissement van verzoekster te handhaven.

3.3

De bevindingen van de curator.

Desgevraagd heeft de curator bevestigd dat hij geen aanleiding heeft gezien verzet aan te tekenen tegen het vonnis van faillietverklaring van verzoekster.

De curator heeft aangevoerd dat hij zijn werkzaamheden tot een minimum heeft beperkt na het bericht dat tegen het faillissement verzet zal worden ingesteld. Uit het door hem in het kader van inventarisatie verrichte onderzoek in openbare bronnen en informatie van RDW en de ING volgt dat verzoekster niet over enig vermogen beschikt. Op basis van gesprekken met verzoekster en uit stukken ingediend bij het verzetschrift valt te verwachten dat verzoekster gedurende haar faillissement niet over enig vermogen zal beschikken, dan wel afdrachten aan de boedel kan doen. Bij gegrondverklaring van het verzet dient verweerster te worden veroordeeld in de kosten, daaronder begrepen de faillissementskosten.

4 De beoordeling

4.1

Nu het verzet tijdig is ingesteld, is verzoekster ontvankelijk in haar verzoek.

4.2

Niet in geschil is dat er sprake is van een faillissementstoestand als bedoeld in artikel 1 van de faillissementswet. Verzoekster heeft – tevergeefs - een beroep op de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een problematische schuldenlast gedaan en erkend dat zij niet in staat is tot betaling van haar schulden. De curator heeft summierlijk onderzoek gedaan en komt op grond daarvan tot de conclusie dat er geen vermogen is.

4.3

Het is vervolgens de vraag of de afwezigheid van (te realiseren) actief betekent dat het verzet gegrond moet worden verklaard. Daarbij is het volgende van belang. In het arrest van 18 december 2015 is overwogen dat het bestuur van een rechtspersoon de bevoegdheid om

eigen aangifte tot faillietverklaring te doen kan hebben misbruikt. Daarbij heeft de Hoge Raad nadrukkelijk overwogen dat (het bestuur van) de rechtspersoon een alternatieve weg ten dienste staat om, al dan niet na vereffening van het vermogen, de beëindiging van het bestaan van de rechtspersoon te bewerkstelligen.

In dit geval is het faillissement uitgesproken op verzoek van een schuldeiser. De schuldeiser moet een redelijk belang hebben bij de faillietverklaring( HR 26 juni 1942,NJ 1942/585). Het ontbreken van een redelijk belang kan leiden tot afwijzing van de faillietverklaring, en afhankelijk van de omstandigheden van het geval tot gegrondverklaring van een verzet. Een redelijk belang zou kunnen ontbreken als het zonneklaar is dat er geen baten (te verwachten) zijn.

4.4

Volgens verzoekster deed die situatie zich hier voor.

4.5

Echter, de Faillissementswet gaat ervan uit dat een curator met de nodige grondigheid een onderzoek instelt naar het vermogen van de schuldenaar. Het redelijke belang van de schuldeiser bij een faillissementsverzoek kan erin gelegen zijn dat de curator dit onderzoek uitvoert. Immers, voor dit onderzoek heeft een curator wettelijke bevoegdheden, waaronder het entameren van een faillissementsverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris, die een schuldeiser niet heeft, en die het onderzoek ondersteunen. Dit is ook hetgeen door verweerster ter onderbouwing van haar standpunt is aangevoerd. Executie maatregelen van verweerster hebben niet tot betaling van haar vordering geleid. Voor de hand ligt dat de curator door onderzoek probeert meer zicht te krijgen op de geldstromen en de ten onrechte verdwenen gelden van verweerster en overige verzekeringsmaatschappijen. Anders dat verweerster heeft een curator toegang tot de (volledige) administratie van verzoekster.

4.6

Het onderzoek van de curator is vanwege het verzet summier geweest en de conclusie dat geen vermogen te verwachten is gedurende het faillissement uitsluitend op informatie van verzoekster gebaseerd. Bovendien geldt dat de ontheffing van verzoekster van de sollicitatieplicht vooralsnog tot en met 23 januari 2020 van toepassing is.

Het was op het moment van de faillissementsaanvraag niet zonneklaar dat onderzoek door de curator zinloos zou zijn.

In het voorgaande ligt besloten dat verweerster dan ook geen misbruik heeft gemaakt van haar recht om het faillissement van verzoekster aan te vragen.

4.7

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzet ongegrond verklaren en verzoekster veroordelen in de proceskosten van het geding.

5 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet ongegrond;

- veroordeelt verzoekster in de kosten van het geding aan de zijde van verweerster begroot op € 1.086,-- aan salaris van haar advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van M. Bijnagte, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.