Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6400

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
12-08-2019
Zaaknummer
KTN-569939_09082019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Zaak tussen bewindvoerder & curator omtrent verzoek benoeming vereffenaar. Bewindvoerder niet-ontvankelijk in haar verzoek gelet op artikel 3:193 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Beschikking van 1 augustus 2019 betreffende het verzoek tot benoeming van een vereffenaar van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap ex artikel 3:193 BW

in de zaak met zaaknummer: 569939 FA RK 19-2237 van

[verzoekster] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling van mevrouw [naam vrouw],

kantoorhoudende te [plaats 1] ,

verzoekster

advocaat: mr. P.H.J. Nij Bijvank

en

mr. M. Spaa, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de heer [naam man] ,

kantoorhoudende te [plaats 2] ,

verweerder,

advocaat: mr. drs. R.L.G. Kraaijvanger.

Verzoekster zal hierna worden genoemd: ‘de Bewindvoerder’ en verweerder hierna: ‘de Curator’. [naam vrouw] zal hierna ‘de Vrouw’ worden genoemd en [naam man] hierna: ‘de Man’.

1 Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

  1. het verzoekschrift namens de Bewindvoerder met productie nummers 1-13, binnengekomen op de griffie op 13 maart 2019;

  2. de brief namens de Bewindvoerder met productie nummer 14, binnengekomen op de griffie op 2 mei 2019;

  3. het verweerschrift van de Curator met producties 1-5, binnengekomen op de griffie op 15 juli 2019;

  4. de mondelinge behandeling op 17 juli 2019.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- de bewindvoerder in persoon met mr. Nij Bijvank als advocaat, die pleitaantekeningen heeft overgelegd;

- mr. Kraaijvanger als advocaat van de curator;

- op verzoek van de bewindvoerder tevens mr. dr. R.E. Brinkman, notaris te Hardenberg, en mr. J.M. van Anken, kantoorgenoot van mr. dr. Brinkman.

2 De feiten

2.1

De Vrouw en de Man zijn getrouwd geweest in gemeenschap van goederen.

2.2

In januari 2011 is de Man (die toen zelfstandig gevestigd psychiater was) aangehouden op verdenking van grootschalige PGB-fraude.

2.3

Op verzoek van de Vrouw is het huwelijk tussen de Vrouw en Man ontbonden door echtscheiding, zulks bij beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 19 november 2012. De beschikking is ingeschreven in het register van de burgerlijke stand op 6 maart 2013. De tussen de Vrouw en de Man bestaande huwelijksgoederen-gemeenschap (hierna ook: ‘de Gemeenschap’) is ontbonden per 24 februari 2012 (zijnde de datum waarop het echtscheidingsverzoek is ingediend).

2.4

De rechtbank heeft aansluitend in haar beschikking d.d. 25 juni 2013 bepaald dat partijen zullen overgaan tot verdeling van de gemeenschap onder benoeming van een boedelnotaris voor het geval partijen niet zelf een notaris zullen hebben gekozen.

2.5

De Vrouw is op haar verzoek, in hoger beroep, bij arrest van 31 mei 2016 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De regeling is onlangs met twee jaar verlengd tot en met 31 mei 2021. Het liquide actief van de boedel is zodanig van omvang dat de Bewindvoerder na verificatie een uitdeling zal kunnen gaan doen aan de crediteuren van de Vrouw.

2.6

De Man is op 13 juni 2007 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement zal naar verwachting van de Curator worden opgeheven bij gebrek aan baten zonder dat een uitdeling aan de schuldeisers mogelijk zal kunnen zijn.

2.7

De Man is in 2018 door de rechtbank veroordeeld voor de fraude waarvan hij werd verdacht. De Man heeft hoger beroep tegen de uitspraak in gesteld.

2.8

Het vermogen van de Gemeenschap is negatief, want de omvang van de schuldenlast (ruim € 2.000.000) is groter dan de waarde van de bezittingen. De bezittingen van de Gemeenschap bestaan onder meer uit :

a. een woning in Turkije die wordt verhuurd;

b. de overwaarde van een inmiddels verkochte woning in Turkije;

c. een bedrijfspand te Rotterdam die wordt verhuurd;

d. overige goederen, waaronder sieraden;

e. een beleggingspolis bij een bank;

2.9

In het kader van de vervolging van de Man heeft de officier van justitie conservatoire beslagen laten leggen op meerdere bezittingen van de Gemeenschap.

2.10

Bewindvoerder en Curator zijn onderling niet tot verdeling van de Gemeenschap gekomen.

2.11

De Bewindvoerder heeft machtiging van de rechter-commissaris in de schuldsaneringsregeling tot het indienen van dit verzoekschrift.

3 De verzoeken

3.1

Het verzoek van de Bewindvoerder strekt tot benoeming van mr. dr. R.E. Brinkman tot vereffenaar van de Gemeenschap op grond van artikel 3:193 BW. Aanleiding is dat de Bewindvoerder wenst over te gaan tot verdeling van de Gemeenschap en daarover niet tot overeenstemming komt met de Curator. De Bewindvoerder wenst een onafhankelijke derde als vereffenaar te laten fungeren vanwege de tegenstrijdige belangen tussen haarzelf, de Curator en de Gemeenschap en vanwege de complexiteit van de verdeling van de Gemeenschap – gelet op internationale vraagstukken – en de lopende insolventieprocedures van de deelgenoten. De beoogde vereffenaar is deskundig op dit terrein en is onafhankelijk.

4 Het verweer tevens voorwaardelijk tegenverzoek

4.1.

De Curator heeft de rechtbank verzocht het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen.

4.2

De Curator heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend, namelijk om de Bewindvoerder en de Curator gezamenlijk, althans de Curator alleen, tot vereffenaar van de Gemeenschap te benoemen. Tevens suggereert de Curator om, in plaats van vereffening of verdeling, een eigen aangifte te doen van faillissement van de Gemeenschap.

4.2.

Op het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Nu de Bewindvoerder kantoor houdt in het arrondissement Rotterdam is de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 262 lid 1 onder a Rv bevoegd om van de zaak kennis te nemen.

5.2.

De rechtbank zal allereerst de zowel door de Bewindvoerder als door de Curator opgeworpen vraag betreffende de ontvankelijkheid beoordelen.

5.3

De Bewindvoerder stelt dat haar, als vertegenwoordiger van de gezamenlijke schuldeisers, de bevoegdheid van artikel 3:193 BW toekomt. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling vult de Bewindvoerder haar onderbouwing aan met de van de rechter-commissaris verkregen goedkeuring ex artikel 68 lid 3 Faillissementswet. De rechter-commissaris verleende die toestemming na er door de Bewindvoerder op te zijn gewezen dat de beoogde procedure (waarbij de Bewindvoerder de rechtbank verzoekt een vereffenaar aan te stellen om een ontbonden gemeenschap te vereffenen) nog geen precedent kent in de jurisprudentie.

5.4

De Curator stelt, kort samengevat, dat de Bewindvoerder niet ontvankelijk is omdat zij geen schuldeiser is in de zin van artikel 3:193 lid 1 BW. Op de onderbouwing zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

5.5

Artikel 3:193 BW geeft in het eerste lid de mogelijkheid aan schuldeisers, die zich kunnen verhalen op de goederen van de (gebonden) gemeenschap, om de rechter te vragen een vereffenaar te benoemen in de situatie dat de gemeenschap al wordt verdeeld op het moment en voordat alle opeisbare schulden van de gemeenschap zijn betaald. Deze bevoegdheid beschermt de gemeenschapsschuldeiser tegen een door een deelgenoot, beperkt gerechtigde of privéschuldeiser gevorderde verdeling. De gemeenschapsschuldeiser heeft op grond van artikel 3:192 BW een bevoorrechte verhaalspositie op alle goederen van de gemeenschap. Daarom heeft hij belang bij het voor de gemeenschap behouden blijven van die goederen. Art. 193 geeft hem die bescherming.

5.6

De rechtbank stelt vast dat zowel de Bewindvoerder als Curator op grond van de Faillissementswet de beheers- en beschikkingsbevoegdheden heeft overgenomen van respectievelijk de Vrouw en de Man met betrekking tot hun rechten en plichten als deelgenoot in de Gemeenschap. Beiden kunnen op grond van de wet en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2013 verdeling van de Gemeenschap vorderen. Nu de Gemeenschap een negatief vermogen heeft zullen eerst de schuldeisers van de Gemeenschap moeten worden voldaan. Het belang van de Bewindvoerder bestaat er uit dat zij het saldo van de vorderingen van de gemeenschapscrediteuren pas kan vast stellen en verifiëren na de verdeling of uitwinning van de goederen van de Gemeenschap. Dat is weer van belang omdat de gemeenschapscrediteuren concurreren met de privé-crediteuren van de Vrouw ten aanzien van de uitdeling in de schuldsaneringsregeling

5.7

De schuldsaneringsregeling en het faillissement raken niet de rechten die de wet in artikel 3:193 lid 1 BW toekent aan de schuldeiser van de Gemeenschap. Die schuldeiser zal immers weliswaar ook schuldeiser zijn in het eigen vermogen van – in deze zaak – de Vrouw, maar heeft ook een eigen positie als schuldeiser van de Gemeenschap die afgescheiden is van de vermogens van de deelgenoten. Zolang er niet verdeeld is, kan de schuldeiser verhaal nemen op de goederen van de Gemeenschap buiten de wettelijke schuldsaneringsregeling om (artikel 63 Faillissementswet in samenhang met artikel 3:192 BW).

5.8

De Bewindvoerder stelt dat de Vrouw als deelgenoot in de Gemeenschap ook schuldeiser van de Gemeenschap is en concludeert op grond daarvan dat zij het verzoek van artikel 3:193 BW kan indienen.

5.9

De stelling dat de deelgenoot ook schuldeiser is van de Gemeenschap is onjuist, aangezien de Gemeenschap een negatief vermogen kent en de deelgenoot na betaling van de schulden geen vordering heeft op of aandeel heeft in de Gemeenschap. De deelgenoot rest in dit geval nog een schuld aan de gemeenschapscrediteuren.

5.10

Daarnaast is de conclusie van de Bewindvoerder onjuist gelet op de ratio van artikel 3:193 BW, namelijk dat een gemeenschapscrediteur juist bescherming kan zoeken tegen de deelgenoot die over gaat tot verdeling voordat alle schulden werden voldaan. Deze bescherming tegen de verdelende deelgenoot strekt zich vanzelfsprekend niet uit tot deelgenoot zelf.

5.11

De Bewindvoerder kan dus niet worden ontvangen in haar verzoek.

5.12

Het aanbod van de Bewindvoerder om dit gebrek in de ontvankelijkheid te herstellen door een volmacht van een individuele schuldeiser van de Gemeenschap in het geding te brengen zal worden gepasseerd. Zij heeft het verzoek immers ingediend in haar hoedanigheid van bewindvoerder, als behartiger van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van de Vrouw. Zij kan haar hoedanigheid in deze procedure na ontvangst van een volmacht niet transformeren in die van vertegenwoordiger of belangenvertegenwoordiger van een individuele crediteur van de Gemeenschap. Los van de processuele onmogelijkheid zou dat in strijd komen met haar wettelijke taakvervulling krachtens de Faillissementswet.

5.13

Het debat tussen partijen omtrent de vraag of de Bewindvoerder gerechtigd is om namens de gezamenlijke crediteuren in de schuldsaneringsregeling op te treden in deze procedure kan hiermee buiten beschouwing blijven.

5.14

Nu de rechtbank de Bewindvoerder niet-ontvankelijk zal verklaren komen de voorwaardelijke tegenverzoeken van de Curator niet aan de orde.

5.15

De Bewindvoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de kant van de Curator begroot op nihil aan griffierecht en € 1.086,- aan salaris (2 punten à € 543,-)

5.16

De rechtbank geeft partijen in overweging om in goed professioneel overleg (wellicht in samenspraak met de beide betrokken rechters-commissarissen) gezamenlijk alsnog een plan van verdeling te maken, en mochten zij daar niet in slagen om ofwel verdeling in rechte te vragen ofwel door middel van mediation tot een oplossing te geraken.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verklaart de Bewindvoerder niet-ontvankelijk in haar verzoek:

6.2

veroordeelt de Bewindvoerder in de kosten van deze procedure, aan de kant van de Curator begroot op €1.086 aan salaris.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Aukema, rechter-plaatsvervanger, en uitgesproken door mr. G.A.F.M. Wouters, senior rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.