Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:6225

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
05-08-2019
Zaaknummer
10/700345-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontnemingsvonnissen onderzoek Haring; drugshandel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer 10/700345-15

Datum uitspraak: 30 juli 2019

Tegenspraak

VONNIS (ontneming)

van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] ,

raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam.

Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2019.

Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2017 is [naam veroordeelde] veroordeeld voor het

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, namelijk het meermalen telkens verkopen, afleveren en vervoeren van een hoeveelheid cocaïne in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 7 oktober 2015, alsmede het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 10 gram cocaïne op 7 oktober 2015.

In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan.

Vordering

De oorspronkelijke vordering van de officier van justitie mr. M. Luijpen strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van 400.000 euro.

De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [naam veroordeelde] is veroordeeld.

Op de zitting heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd. Zij vordert dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op 100.000 euro en dat dit bedrag hoofdelijk wordt opgelegd aan de veroordeelden [naam medeveroordeelde 1] , [naam veroordeelde] en [naam medeveroordeelde 2] .

Standpunt verdediging

De bewezenverklaarde periode is korter dan de periode waarop de vordering is gebaseerd.

Voorts zijn er meer kosten gemaakt dan in de rapportage is doorgerekend. De inkoopprijs bedraagt niet 50% maar er moet worden uitgegaan van 35 euro per gram in plaats van 25 euro. De kosten van de telefoons, het gebruik van de auto’s en het verpakkingsmateriaal zijn niet doorberekend. Voorts dient het uiteindelijke bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel niet te worden gedeeld door vier maar door vijf, omdat ook [naam medeverdachte 1] als medeverdachte is aangemerkt.

De raadsman heeft een alternatieve berekening opgesteld waarbij hij uitkomt op een wederrechtelijk verkregen voordeel van 80.771,63 euro, te delen door vijf.

Beoordeling en berekening

In het strafrechtelijk onderzoek genaamd Haring is komen vast te staan dat in de periode van 15 oktober 2008 tot en met 15 oktober 2015 meerdere personen belden met telefoonnummer [gsm-nummer] om gebruikershoeveelheden cocaïne te bestellen die dan werden afgeleverd op een afgesproken plaats.

Bewezen is verklaard dat de veroordeelde gedurende een periode van ruim drie jaar veelvuldig cocaïne heeft gedeald. Hij maakte deel uit van een actief netwerk waarbinnen in een hoge frequentie cocaïne werd verhandeld. De rol van de veroordeelde beperkte zich daarbij niet tot het vervoeren en afleveren van cocaïne, uit het dossier blijkt ook dat hij de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] aanstuurde. Bij zijn aanhouding had de verdachte een hoeveelheid van ruim 10 gram cocaïne bij zich. De verdachte heeft puur gehandeld uit financieel gewin.1

In het kader van het financieel onderzoek is gebleken dat de veroordeelde door het plegen van deze misdrijven wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.2 Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.

De financieel rapporteur heeft bij de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in zijn rapport de concrete berekeningsmethode gehanteerd. De rechtbank zal deze methode volgen.

Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de (in de voetnoten vermelde) wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Het financieel rapport vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 20133, zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken of weergeven en volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen van het rapport.

Gerapporteerd wordt dat [naam medeverdachte 1] één keer in de twee weken cocaïne geleverd kreeg en daar telkens ongeveer 200 tot 220 pakketjes met een halve gram van maakte voor de personen die de cocaïne leverden. Hij verklaarde dat [naam medeveroordeelde 1] dit één keer heeft voorgedaan en dat hij een soort leider was. De verdere kontakten verliepen via [naam veroordeelde] .

Deze bevindingen worden gestaafd door het onderzoek van de historische gegevens van de deallijn, waarbij werd vastgesteld dat er in één week 82 bestellingen werden geplaatst. Er van uitgaande dat een deel van de afnemers meer dan een halve gram afnam, komt dit overeen met de verklaring van [naam medeverdachte 1] van 100 tot 110 pakketjes van een halve gram per week.

Op basis van de verklaringen van afnemers blijkt dat er voor een halve gram cocaïne 25 euro werd betaald.

Uitgaande van 200 pakketjes x 25 euro is dat een omzet van 5.000 euro per twee weken.

Per jaar is dat een omzet van 130.000 euro.4

Er van uitgaande dat niet iedere week werd gedeald wordt in de berekening, zoals ook aangevoerd door de officier van justitie, uitgegaan van een jaaromzet van 100.000 euro.

Voorts is een schatting gemaakt van de kosten waarbij alleen de inkoopkosten zijn berekend op 50% en verder geen kosten zijn doorberekend.

Hiervan uitgaande is de berekening, uitgaande van de bewezenverklaarde periode maal de omzet van 100.000 euro per jaar minus 50% kosten als volgt:

[naam medeveroordeelde 1] : een periode van 4 jaar bewezen verklaard, omzet 400.000 euro minus kosten is een wederrechtelijk verkregen voordeel van 200.000 euro.

[naam veroordeelde] : een periode van 3 jaar bewezen verklaard, omzet 300.000 euro minus kosten is een wederrechtelijk verkregen voordeel van 150.000 euro.

[naam medeveroordeelde 2] : een periode van 2 jaar bewezen verklaard, omzet 200.000 euro minus kosten is een wederrechtelijk verkregen voordeel van 100.000 euro.

De officier van justitie houdt echter vast aan een hoofdelijke veroordeling en doet vervolgens een praktisch voorstel. Zij verzoekt de rechtbank uit te gaan van het laagste bedrag, 100.000 euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel, en dit bedrag als betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen aan alle drie de veroordeelden.

Het komt er op neer dat de officier van justitie er van uitgaat dat het criminele netwerk/samenwerkingsverband over de gehele periode in ieder geval een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van 100.000 euro.

De rechtbank ziet geen reden om een hoger bedrag op te leggen en zal het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op een bedrag van 100.000 euro.

Hierbij wordt wel in aanmerking genomen dat de veroordeelde [naam medeveroordeelde 2] als koerier een andere, meer ondergeschikte rol had dan de veroordeelden [naam medeveroordeelde 1] en [naam veroordeelde] , i Dit komt tevens tot uitdrukking in de strafmotivering en in de straffen die in de hoofdzaak aan de veroordeelden zijn opgelegd.

Het aandeel van [naam medeveroordeelde 2] wordt geschat op 25%, zodat zijn wederrechtelijk verkregen voordeel uitkomt op een bedrag van 25.000 euro.

Het aandeel van [naam medeveroordeelde 1] en [naam veroordeelde] wordt geschat op 75%. zodat hun wederrechtelijk verkregen voordeel uitkomt op een bedrag van 75.000 euro.

Met deze schatting die veel lager uitkomt dan het oorspronkelijk berekende wederrechtelijk verkregen voordeel, zijn naar het oordeel van de rechtbank de door de verdediging opgevoerde kosten ruimschoots verrekend. Deze verweren worden verworpen.

Betalingsverplichting - hoofdelijkheid

De veroordeelde heeft met [naam medeveroordeelde 1] van een strafbaar feit geprofiteerd. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bevatten zodanige duidelijke aanwijzingen dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat zij gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van de strafbare feiten. De veroordeelde heeft als één van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft.

De raadsman heeft aangevoerd dat ook medeverdachte [naam medeverdachte 1] zijn werkzaamheden niet voor niets heeft gedaan en dat zijn aandeel dient te worden verdisconteerd. Ook neemt de raadsman het aandeel van [naam medeverdachte 3] mee in zijn berekening.

Dit verweer wordt verworpen. Het dossier bevat geen duidelijke aanwijzingen dat er sprake is geweest van gemeenschappelijk voordeel door [naam medeverdachte 1] , omdat hij zelf verklaard heeft dat hij voor het ompakken van de drugs 100 euro per keer ontving.

Ook [naam medeverdachte 3] had geen gemeenschappelijk voordeel omdat hij door de rechtbank voor dit feit is vrijgesproken.

De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel van 75.000 euro als gemeenschappelijk voordeel aan de veroordeelde, hoofdelijk met [naam medeveroordeelde 1] , toerekenen.

Draagkracht

Er zijn geen concrete feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat de veroordeelde thans of in de (nabije) toekomst over onvoldoende draagkracht zal beschikken om het vastgestelde bedrag aan de staat terug te betalen.

Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 75.000,- (zegge: vijfenzeventig duizend euro);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 75.000,- (zegge: vijfenzeventig duizend euro);

- bepaalt dat de veroordeelde voor dit bedrag hoofdelijk aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader [naam medeveroordeelde 1] betaalt, hij in zoverre van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en K.A. Baggerman, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2019.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Strafmotivering uit voornoemd vonnis.

2 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel onderzoek Haring, documentcode [code document 1] d.d. 24 maart 2016, een de aanvulling daarop documentcode [code document 2] van 30 maart 2018.

3 ECLI:NL:HR:2013:BV9087

4 Paragraaf 5.2 van het financieel rapport